Spring naar de content
bron: anp

Gender als seizoensmode

Jan Kuitenbrouwer ziet niets in het wetsvoorstel om zonder toetsingsprocedure bij de burgerlijke stand je geslacht te veranderen. “Vraag aan de Nederlandse bevolking of zij het verschil tussen man en vrouw irrelevant vinden en je dus voortaan zelf in je paspoort moet kunnen zetten van welk geslacht je bent, en minimaal 75 % antwoordt met een krachtig ‘nee’.”

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Jan Kuitenbrouwer

Binnenkort wordt het waarschijnlijk ook in Nederland mogelijk wordt om zonder toetsingsprocedure bij de burgerlijke stand je geslacht te veranderen. Onlangs vond de schriftelijke behandeling van het wetsvoorstel plaats, de parlementaire ‘voorronde’ die wordt gevolgd door een mondelinge behandeling, ergens dit najaar. Voor zo’n wijziging moet je op dit moment zestien jaar of ouder zijn en een verklaring overleggen van een arts of psycholoog dat je de ‘duurzame overtuiging’ hebt tot het andere geslacht te behoren. Iemand van zestien of ouder die hier werkelijk duurzaam van overtuigd is hoeft zijn arts of therapeut dus maar om een briefje te vragen en het is geregeld. Op de een of andere manier heeft in de politiek het idee postgevat dat dit ‘vernederend’ is en ‘niet meer van deze tijd’. Dat dit moet kunnen zonder zo’n deskundigenverklaring, en ook voor kinderen jonger dan zestien, die er nu nog voor naar de rechter moeten.

Abboneer op een lidmaadschap

Hoe sympathiek!

Dit artikel krijg je van HP/De Tijd cadeau. Om ons te steunen en meer artikelen van en uit HP/De Tijd te lezen, word je vanaf slechts vier euro per maand lid in minder dan een minuut. Voor dat luttele bedrag lees je ook alle stukken uit het maandelijkse magazine digitaal.

Kies een lidmaatschap

Het bestaande systeem van geslachtsregistratie is ‘gebaseerd op achterhaalde ideeën over transgender zijn’, meent de D66 fractie. Groen Links noemt de bestaande regels ‘hopeloos verouderd’ en claimt dat er een ‘breed levend’ verlangen is naar een systeem van zelfregistratie. Breed levend? Waar? Ik ben geen pollster en in de fameuze koffiehuizen waar politici horen wat er onder ‘het volk’ leeft ben ik ook niet zo vaak te vinden, en toch durf ik er een dierbaar lichaamsdeel om te verwedden dat dit uit de lucht gegrepen is. Vraag aan de Nederlandse bevolking of het verschil tussen man en vrouw irrelevant is en je op eigen gezag het geslacht in je geboorteakte moet kunnen veranderen, en minimaal 75 % antwoordt met een krachtig ‘nee’.

In het huidige wetsvoorstel mag je maximaal twee keer van geslacht wisselen, voor een derde moet je toestemming vragen bij de rechter. De bedoeling daarvan zal wel zijn om ‘genderhopping’ tegen te gaan, want dan raken de gemeenteadministraties overbelast en moet er geld komen voor meer ambtenaren, en dat is uiteraard niet de bedoeling. Het blijft een VVD-wetsvoorstel: geinig voor weinig.

Als Groen Links, D66, Volt en de PvdA hun zin krijgen, wordt er geen maximum aan het aantal wijzigingen gesteld. Dan kun je je ‘gender’ voortaan onbeperkt wijzigen, als een soort seizoensmode. Je koopt een winterjas bij H&M, kijkt in de spiegel en denkt: “Met een paarse shawl en een ‘M’ in plaats van een ‘V’ in mijn paspoort is hij helemaal áf.” Een half jaar later val je bij de Bijenkorf als een blok voor een kanariegele vilten hoed, en je denkt: “Oh ja, hier móet een V-tje bij.”

Je krijgt de indruk dat de enorme hausse in transgendergevallen van de laatste jaren, met name onder meisjes die misschien toch eerder sociaal geïnfecteerd zijn dan werkelijk dysforisch, aan de Kamer voorbij is gegaan

Wat ook opvalt aan dit verslag is dat niet alle partijen altijd volledig lijken te begrijpen waar het om gaat. De termen ‘geslachtsregistratie’ en ‘genderregistratie’ worden door elkaar gebruikt, soms voor het een, soms voor het ander. Terwijl het daar juist om gaat: als je zelfidentificatie invoert neem je afscheid van geslachtsregistratie en draait alles om ‘genderidentiteit’, een zelfgecreëerd idee in je hoofd. Maar als het enige dat echt bestaat ‘genderidentiteit’ is, wat doen we dan überhaupt nog met die archaïsche, binaire categorieën M en V? Als ‘genderzelfregistratie’ in de praktijk neerkomt op naar believen switchen tussen V en M, creëer je een fictie: M’s zullen geregistreerd worden als V, en V’s als M. Met deze wet creëer je in wezen twee schaduwcategorieën: je hebt het geslacht man en vrouw, en het gender man en vrouw, maar wie wat is, wordt administratief onzichtbaar. En als er echt zo’n ‘breed levende’ behoefte aan zelfregistratie is, dan zal er dus veelvuldig gebruik van gemaakt worden, en zullen de man-vrouw-statistieken behoorlijk onbetrouwbaar worden. Daar zullen demografen en beleidsmakers blij mee zijn. Dan kun je misschien beter de geslachtsregistratie handhaven zoals zij is, en daarnaast een genderidentiteitsregistratie invoeren. Zoals je een geboorteplaats en een woonplaats hebt, heb je een geslacht en een gender.

Je krijgt de indruk dat de enorme hausse in transgendergevallen van de laatste jaren, met name onder meisjes die misschien toch eerder sociaal geïnfecteerd zijn dan werkelijk dysforisch, aan de Kamer voorbij is gegaan. De enige keer dat hij in dit 12000 woorden tellende verslag aan de orde komt, is wanneer de ChristenUnie opmerkt dat “onder ouders, patiëntenorganisaties en genderklinieken een zorg bestaat dat kinderen onder invloed van een ‘mediahype’ ten onrechte gepusht zouden kunnen worden.” De wetswijziging wordt vooral gezien als een tegemoetkoming aan de traditionele, existentiële transgender die recht heeft op administratieve bevestiging, ideologische transgenders, getroubleerde pubers met genderschmerz, de bebaarde autogynefiel die naar de vrouwensauna wil, lijkt niet te bestaan. Een wet wordt veranderd onder druk van een radicale ideologie, maar het benoemen van die ideologie is taboe. Zou dat het werk van de translobby zijn? Die welbewust onder de radar vliegt om geen weerstand te wekken bij het grote publiek, dat queertheorie maar eng vindt? In haar boek Material Girls beschrijft Kathleen Stock hoe het bij de behandeling van de Gender Recognition Act (2004) door het Britse Lagerhuis ook ongeveer zo ging: parlementsleden die niet goed leken te begrijpen waar het debat eigenlijk over ging.

Een wet wordt veranderd onder druk van een sociale trend, maar het noemen van die trend is taboe. Zou dat het werk van die zo behendige translobby zijn?

Principes die bij de vorige aanpassing van de Transgenderwet in 2014 nog van groot belang werden geacht, zijn dat nu ineens niet meer. De wet is nu nog ‘normstellend’: wijziging mag alleen als je werkelijk overtuigd bent dat je registratie niet klopt. Als je die toetsing schrapt, hoe zullen wij in de toekomst dan weten of wijzigingen gebaseerd zijn op echte overtuiging? Gaan we mensen vervolgen voor valsheid in geschrifte als blijkt dat ze het niet meenden? Als zij zich in het café laten ontvallen dat ze toch eigenlijk iets anders zijn? Zeven jaar geleden diende ‘onomstotelijk’ vast te staan dat het om een authentieke overtuiging gaat, en nu is dat principe ineens niet belangrijk meer? “Op welke gronden is dit te rechtvaardigen?”, vraagt de SGP-fractie zich af, de enige partij die serieuze bedenkingen tegen deze wet naar voren brengt. 

Waarschijnlijk luidt het antwoord op die vraag domweg dat onder druk alles vloeibaar wordt, en dat die druk veroorzaakt kan worden door een prangend maatschappelijke probleem, maar ook door een uit de hand gelopen denkmode. Zodra mensen beweren dat ‘iets niet meer van deze tijd is,’ weet je het eigenlijk al: echte argumenten zijn er niet, het denkwerk is vooral met de oren verricht. Of gedelegeerd aan ‘deskundigen’ en lobbyisten. Iets dat in Den Haag vaker voorkomt dan je zou hopen.