Column

Ik was vijftien jaar de aartsvijand van Cees Nooteboom

Ilja Leonard Pfeijffer leerde van zijn aikidosensei dat je dingen moet laten gebeuren. Zijn vijftienjarige vete met Cees Nooteboom eindigde precies zo – niet door een groot gebaar, maar door een toevallige felicitatie in een klein Brugs café.

12/02 | 2026
door Ilja Leonard Pfeijffer
Leestijd 3 minuten
Afbeelding

Enkele uren na het verstrijken van de eigenlijke deadline voor deze column bereikte mij het nieuws dat Cees Nooteboom is overleden. Het was een geluk bij een ongeluk dat ik ondanks het verstrijken van de deadline nog niet was toegekomen aan het schrijven van deze column, die eigenlijk over het nieuwe Kabinet had moeten gaan. Dat was althans het onderwerp dat ik er meer uit verantwoordelijkheidsbesef dan uit enthousiasme voor had bedacht in de hoop dat mijn vingers er over het toetsenbord dansend autonoom en onafhankelijk van mijn weerzin toch iets van zouden maken. Dat gebeurt soms. De kunst is het te laten gebeuren. Of zoals mijn aikidosensei ooit zei, toen we het derde oog aan het trainen waren, het oog dat ziet wat er achter je rug gebeurt: ‘Het gaat er niet om of je erin gelooft. Je moet er simpelweg op vertrouwen.’

Ik heb jarenlang een vete gehad met Cees Nooteboom, of in ieder geval had hij een vete met mij. Die had ik wel degelijk over mijzelf afgeroepen, daar niet van. In mijn jonge jaren, toen ik nog boos en polemisch was, omdat ik aikido nog niet had ontdekt, had ik in het literaire tijdschrift De Revisor een essay gewijd aan de poëzie van Nooteboom, die ik voorspelbaar en formulair vond en die ik in die termen analyseerde onder de titel ‘Maak je eigen Nooteboomgedicht’. In 2002 was dat. Het essay maakte deel uit van een reeks waarin ik op oorlogspad was in de Nederlandse poëzie. Nooteboom had het ondanks de strekking als een compliment kunnen opvatten, want ik pakte alleen de allergrootste namen aan, zoals Rutger Kopland en Hans Faverey, dat vond ik wel zo sportief. Oké, ook Tom van Deel, dat is waar. Maar dat terzijde. 

Ik op mijn beurt had het wellicht als een compliment moeten opvatten dat de grote Nooteboom zich deze baldadigheid van de blaag die ik was enorm aantrok. Hij verklaarde mij tot zijn aartsvijand, wat net zoiets was alsof Zeus de oorlog verklaarde aan een dagloner uit Sikyon. Ik zag hem nooit, maar overal waar hij was geweest had hij kwaad over mij gesproken, zo werd mij telkenmale achteraf gemeld.

Nog altijd ben ik geen groot bewonderaar van Nootebooms poëzie, maar toen en nu had en heb ik wel degelijk ontzag voor zijn prozawerken, die het leeuwendeel van zijn oeuvre beslaan. Dat was voor mij het verbazingwekkendst aan onze vete: zij ging over een miniem deel van zijn werk, terwijl de grandeur van de rest stilzwijgend werd bevestigd. 

Ik zag hem nooit, maar overal waar hij was geweest had hij kwaad over mij gesproken, zo werd mij telkenmale achteraf gemeld.

Aan onze vete kwam na vijftien jaar een onverwacht einde op vrijdagavond 5 mei 2017, toen wij beiden tot de genodigden behoorden van het festival Bru-taal in Brugge. Na afloop van de voorstelling ging iedereen nog iets drinken in een klein café in de buurt, waar het onmogelijk voor ons was om elkaar nog te ontlopen. Toevallig had ik kort daarvoor in een Italiaanse krant gelezen dat hem de Premio Letterario Internazionale Mondello was toegekend. Ik vond het wel chic om hem met die prijs te feliciteren. Op dat moment vond er een spectaculaire metamorfose plaats in zijn attitude jegens mij. Hij omhelsde mij en bedankte mij voor mijn gelukwensen, die hij des te meer apprecieerde omdat geen enkele Nederlandse krant het fatsoen had opgebracht om te berichten over deze prestigieuze internationale bekroning. We hebben de hele avond over zijn prijs gepraat. 

Dat was ook meteen de laatste keer dat wij elkaar in levenden lijve hebben gezien, maar ik prijs mij gelukkig dat mijn laatste herinnering aan hem het hoogtepunt betreft in onze verstandhouding. 

Vorig jaar las ik een relatief onbekende novelle van Nooteboom, getiteld Mokusei! Een liefdesverhaal. Het is een boekje uit 1982. Ik las het omdat het zich in Japan afspeelt en omdat ik sinds mijn aikido-ervaringen een zwakke plek heb voor alles wat met Japan te maken heeft. In 52 pagina’s wordt alles verteld en wat wordt verteld is een volmaakt verhaal, uit graniet houwen, dwingend en onontkoombaar als een Griekse tragedie. Een Nederlandse fotograaf heeft een Japanse geliefde. Tijdens de openingsscène raakt hij in gesprek met een Nederlandse diplomaat, die zegt: ‘Vorige week hebben ze een Duitse collega van me gillend in een dwangbuis met de Lufthansa afgevoerd. Japanitis noemen ze dat. Sprak Japans, was gepromoveerd op Bunraku, had een Japanse vrouw, name it. Tegen de muur gelopen, gillend af.’ Daarmee is de zekere afloop van het verhaal al bezegeld. De kunst is te laten gebeuren wat onontkoombaar is. Als je het boekje uit hebt, zit je in je handen met een diepe en onvergetelijke weergave van de droeve waarheid dat de ander fundamenteel onkenbaar is. Dat is groots schrijven.