Spring naar de content
bron: Mieke Meesen

Aan de ontlezing ligt een massale concentratiestoornis ten grondslag

Vanuit zijn woonplaats in het Italiaanse Genua beschouwt Ilja Leonard Pfeijffer wekelijks een onderwerp dat het Nederlandse nieuws beheerst. Deze week de resultaten van de driejaarlijkse PISA-meting en de huidige ontlezing. Pfeijffer bepleit dat het onderwijs zich zou moeten richten op het bevorderen van de concentratie, gezien onze concentratiespanne ondertussen al een seconde lager is dan die van een goudvis.

Gepubliceerd op:
Geschreven door: Ilja Leonard Pfeijffer

Als schrijver moet ik mijn afzetmarkt in de gaten houden en alleen daarom al volg ik alle onderzoeken naar vermeende ontlezing reeds geruime tijd met speciale aandacht. Het is tijd voor een paar tussentijdse conclusies. Paradoxaal genoeg maak me minder zorgen over mijn afzetmarkt dan over de ontlezing. En dat zeg ik niet omdat mijn laatste boek toevallig vrij aardig verkoopt. Het zijn twee verschillende ontwikkelingen, die alleen met elkaar te maken hebben in zoverre er letters in het spel zijn. Ik zal mij nader verklaren.

Het zou voor de hand liggen om te denken dat de boekenverkoop samenhangt met de gretigheid waarmee een bevolking leest. Als de leeshonger afneemt, neemt ook de verkoop van boeken af. Dat zou logisch zijn. Maar toch klopt het niet. Of in ieder geval is het geen lineaire correlatie, zeker niet voor literaire boeken. Literatuur heeft altijd een bijzondere doelgroep gehad. Literatuurlezers zijn geen gewone mensen en de doelgroep onttrekt zich daarom aan de statistieken van de bevolking als geheel. En hoe minder de bevolking als geheel geneigd zou zijn een literaire roman ter hand te nemen, hoe groter het onontbeerlijke snobappeal van de literaire roman.

Er blijft een hardnekkige minderheid bestaan, ook onder de jongeren, die zich wil onderscheiden.

Dat hele groepen jongeren tegenwoordig nauwelijks weten hoe een boek eruitziet en dat zij in paniek raken bij de gedachte dat zij er een zouden moeten lezen, neemt niet weg dat er een hardnekkige minderheid blijft bestaan, ook onder de jongeren, die zich wil onderscheiden, die haar buik vol heeft van de oppervlakkigheid van Facebook en Twitter, die linnen tasjes gaat kopen waarin mooie edities van echte papieren boeken worden rondgezeuld en die haar identiteit ontleent aan de poëzie van Lucebert. Van die minderheid moet je het als schrijver hebben. En dat is altijd zo geweest.

Iedereen heeft het altijd over de gouden tijden toen de Grote Drie elkaar het leven nog zuur maakten en toen er rijen stonden voor de Athenaeum Boekhandel op het Spui wanneer het nieuwe nummer van het literaire tijdschrift De Revisor in de schappen lag. Maar zelfs als we voor het gemak aannemen dat er in die tijd in absolute aantallen meer boeken werden verkocht dan nu, wat ik eigenlijk waag te betwijfelen, laat dat onverlet dat er vandaag de dag nog altijd veel meer boeken worden verkocht dan in al die eeuwen die aan die zogenaamde gouden tijden voorafgingen. De verkoopcijfers van Louis Couperus zijn lachwekkend in vergelijking met een gemiddelde hedendaagse roman.

Maar de ontlezing waar iedereen het over heeft, is iets anders. En die ontlezing heeft weinig met lezen te maken.

Deze week werden de resultaten gepubliceerd van een PISA-meting, een driejaarlijks vergelijkend onderzoek naar de leesvaardigheid van scholieren. Deze leesvaardigheid is tussen 2015 en 2018 significant gedaald, tot onder het gemiddelde niveau van de Europese landen. Bijna een kwart van de Nederlandse scholieren is niet in staat om een informatieve tekst van enige lengte goed te begrijpen.

Algemene ontwikkeling is op scholen al bijna net zozeer een relict uit een verwerpelijk verleden als pedofilie.

Volgens Erik Meester van de vakgroep pedagogie van de Universiteit van Nijmegen is de oorzaak gelegen in de manier waarop begrijpend lezen op school wordt gedoceerd. Je leert leesstrategieën toe te passen. ‘Met die strategieën wordt eindeloos geoefend,’ zegt Meester, ‘maar je hebt ze in een paar lessen aangeleerd en je kunt ze alleen inzetten als je voldoende woordenschat en kennis over het onderwerp hebt.’ Dat is een belangrijke observatie. Lezen wordt aangeleerd als trucje, waarbij voorbij wordt gegaan aan het feit dat een tekst ook nog ergens over gaat. Om een boek te begrijpen, heb je geen trucjes nodig, maar algemene ontwikkeling. Maar algemene ontwikkeling is op scholen al bijna net zozeer een relict uit een verwerpelijk verleden als pedofilie. Er moet worden ingezet op vaardigheden, zoals samenwerken en googlen, dat is het nieuwe evangelie. Kennis is een vies woord geworden. Maar zonder kennis kun je geen boek lezen en zonder een boek te lezen kun je geen kennis opdoen. En als je niet snapt waar het over gaat, wordt lezen nooit leuk. Kortom, ontlezing heeft niets met een gebrek aan leesvaardigheid te maken, maar met een gebrek aan kennis en algemene ontwikkeling.

Er is denk ik nog een andere oorzaak voor de ontlezing en die is zo mogelijk nog zorgwekkender. De moderne samenleving leidt aan een concentratiestoornis en bij jongeren heeft die epidemische vormen aangenomen. Bij het lezen van een tekst van enige lengte is het lezen niet zozeer het probleem, als wel de lengte. Internetgebruikers blijven gemiddeld hooguit een minuut op dezelfde webpagina. Een beroemd modern onderzoek heeft uitgewezen dat de gemiddelde concentratiespanne van een mens sinds de introductie van de smartphones is gedaald tot acht seconden. Dat is lager dan de concentratiespanne van een goudvis, die volgens biologen negen seconden bedraagt. Alles wat langer duurt dan instant bevrediging van hedonistische behoeften, duurt te lang. Een samenleving die zich niet meer kan concentreren, zet alles op het spel wat zij eerder heeft bereikt.

Het onderwijs zou gericht moeten zijn op de bevordering van concentratie. Leerlingen zouden gedwongen moeten worden om zich in doodstille lesblokken van meerdere uren in een prikkelarme omgeving te buigen op de moeizame ontcijfering van lappen proza in het Grieks of het Latijn. Ze zouden zich moeten bekwamen in zenboeddhistische meditatie en dingen moeten doen die hun volledige aandacht opeisen, zoals tuinieren, zwaardvechten, bloemschikken of het handmatig overschrijven en verluchtigen van een middeleeuws manuscript. Nog beter zou het zijn als ze zouden worden gestimuleerd om creatief te zijn, want niets bevordert de concentratie meer dan de opdracht om iets toe te voegen aan de schepping.