Spring naar de content
bron: anp

Dylan van Baarle en het opperste ongeloof tussen Parijs en Roubaix 

Het is niet te geloven dat Parijs-Roubaix 2022 bestáát, dat het zich live afspeelt, in het (bijna) hier en (bijna) nu, in plaats van op een of ander schilderij uit een of andere barbaarse uithoek van de geschiedenis, schrijft Frank Heinen.

Gepubliceerd op:
Geschreven door: Frank Heinen

Het is niet te geloven.

Het is niet te geloven dat Parijs-Roubaix 2022 bestáát, dat het zich live afspeelt, gewoon gratis en voor niets, in het (bijna) hier en (bijna) nu, in plaats van op een of ander schilderij uit een of andere barbaarse uithoek van de geschiedenis. Dat je de Hel hebt, en dan ook nog iets wat Erger is dan de Hel, en dat dat de eerste helft van Parijs-Roubaix 2022 is, met z’n waaiers, schuin getrokken onder staalblauwe luchten die zelfs Noord-Frankrijk een zekere aantrekkingskracht verlenen, en met z’n talloze tuimelingen, met al die renners beteuterd in de berm, tussen bloeiend koolzaad en bebloede knieën, mensen die schreeuwen om een nieuw achterwiel, een vers voorwiel, die schreeuwen om te laten weten dat ze niet zomaar zijn achtergebleven, niet uit krachte- of moedeloosheid in de achtervolging zijn gesukkeld, maar dat het lot ze heeft getackeld en dat ze, rechterheup vooruit, in een grachtje zijn gevallen, voor de voeten van beschonken supporters die ze van de gracht in de sloot hebben geholpen en nu is hun fiets kapot, en hun kansen ook, maar ze willen van geen opgeven weten, ze willen niet denken aan van opgeven willen weten, want ergens, vierhonderd akkers en veertigduizend krankzinnige keien verderop, ligt de wielerbaan, het soort aftands velodrome waar je nog niet de Postduivenprijs van Kanariehove zou laten finishen, ware het niet dat…

Het is allemaal zozeer niet te geloven dat dit, zoals Karl Vannieuwkerke opmerkt, het soort wedstrijd is dat een documentaire verdient, een documentaire waarvan vervolgens niemand zal geloven dat er niks aan gedramatiseerd is.

Niet te geloven dat elk jaar opnieuw een onbekende coureur doorbreekt in de mooiste race van het jaar, en dat die dan vervolgens niet dóórdoorbreekt in wedstrijden die nog niet half zo zwaar zijn. En niet te geloven dat er aan elk van die verrassingseieren verhalen kleven, of ze nu gemeenteraadslid zijn (Florian Vermeersch) of overtuigd vegetariër (Maarten Tjallingii) of hun haar in een knotje dragen (Tom Devriendt).

Een man bun die op een haar op het podium van Parijs-Roubaix staat: niet te geloven.

‘Dat zijn dingen die niet meer terugkomen,’ mompelt José de Cauwer, terwijl hij in gedachten nog een laatste maal zijn haar laat groeien.

José de Cauwer met paardenstaart: vooruit, da’s goed te geloven, voor wie het wil.

Verder is bijna niks te geloven.

Denk alleen al aan het feit dat je nog niet de helft weet, nog niet een derde, nog niet een tiende van wat zich afspeelt tijdens Parijs-Roubaix 2022, dat je maar een willekeurige greep te horen krijgt uit de verhalen die onophoudelijk uit de wedstrijd dwarrelen.

Wat ook niet te geloven is: Jo Planckaert, langs de weg, met een drinkbus.

(Wat ook niet te geloven was: Jo Planckaert, in 1997, in die sprint met Guesdon.)

Dat alles zwabbert, danst, trilt, kraakt, piept – en dat Dylan van Baarle ondanks alles lijkt te glijden, smooth criminal tussen de mijnwerkers, in een voorwaartse moonwalk over Carrefour de l’Arbre, van gootje naar kei, naar put, naar vlaggen die vlak voor je wiel worden weggetrokken, richting Roubaix

Het is niet te geloven. Niks is te geloven. Op een zeker moment probeer je het het stof, en Renaat erdoor, achterop de motor in een Noord-Frans karrenspoor, hallucinerend. Renaat ziet ‘letterlijk’ een muur van stof, en Kenneth van Rooy die zijn fiets ondersteunt (of andersom, wie zal het zeggen, in Parijs-Roubaix), en dat Kenneth van Rooy veel vel verloren heeft, wat klinkt alsof Kenneth van Rooy zijn vel in de verkeerde crypto heeft geinvesteerd, maar wat er in werkelijkheid op neerkomt dat hij een gescalpeerde achtervolger is, een optelsom van rood vlees en stollend bloed. En Renaat maar door, van het ene slechtnieuwsgesprek naar het volgende, 

Het is niet – ik herhaal: niet – te geloven.

Dat alles zwabbert, danst, trilt, kraakt, piept – en dat Dylan van Baarle ondanks alles lijkt te glijden, smooth criminal tussen de mijnwerkers, in een voorwaartse moonwalk over Carrefour de l’Arbre, van gootje naar kei, naar put, naar vlaggen die vlak voor je wiel worden weggetrokken, richting Roubaix. Niet te geloven dat het nog maar zes maanden geleden is dat hij daar arriveerde, besmeurd en bemodderd en bezoedeld en bezwadderd en bekleid, aan de poorten van de wielerbaan, waar op het middenterrein de plichtplegingen in volle gang waren en de kreten van Colbrelli nog na-ijlden – het zal ongeveer een minuutje na de eerbiedwaardige let Liepins zijn geweest – en dat hij en Terpstra en Sinkeldam met zijn drietjes buiten de tijdslimiet hun rondje reden, gewoon, om te finishen, Avondvierdaagseachtige toestanden die alleen in Roubaix zijn toegestaan, want Roubaix is Roubaix en zo. En Van Baarle, die steeds dichter bij zijn eerste eigen grote zege leek te komen, en die vlak daarvoor nog tweede was geworden op het WK, leek op die zompige zondag van Roubaix opeens verder weg – monumentenhoop dreigde monumentenzorg te worden.

Dat was destijds al moeilijk te geloven.

Maar wat er op zondag 17 april 2022 gebeurde, was volkomen ongelooflijk.

Dat hij zich naar voren sleepte, het lijf achter het taps toelopende gezicht aan, aan alle gruizige Slovenen en uitgetelde Vlamingen voorbij, dat hij voorin belandde, dat hij maar bleef doorrijden.

Hij zoemde naar de finish, tanden op elkaar, elke omwenteling een flintertje glazuur eraf

En alles achter hem bleef niet te geloven. De terugkeer van Wout van Aert, de implosie van Mathieu van der Poel, Yves Lampaert die in de achtervolging als een spaceshuttle ongewild wordt gelanceerd door een applaudisserende klaphark, alvorens eigendijig de kasseien in de laatste strook te herordenen, Bas Tietema en zijn eindeloze, eenzame kilometers, bezemwagen op z’n hielen, alle kleur van het gezicht weggezonken in het fluogeel van zijn truitje, alle opgewektheid verzonken in een of andere goddeloze geul; allemaal lastig = te geloven. 

Maar Dylan van Baarle had geen tijd om het allemaal niet te geloven.

Hij zoemde naar de finish, tanden op elkaar, elke omwenteling een flintertje glazuur eraf.

Karren. Karren. Karren.

Op 2.6 kilometer schudt hij zijn hoofd. Ongeloof.

Op 1.9 kilometer balt hij zijn vuistje. Ongeloof.

Wanneer hij de piste op rijdt, en een enorm applaus op zijn nek valt, omdat iedereen een verdiende overwinning herkennen wanneer ze er met hun neus bovenop zitten, kijkt hij even naar het grote scherm.

Op dat grote scherm ziet Dylan van Baarle: de beste, de sterkste, de slimste. De koploper in Parijs-Roubaix 2022, mooiste Parijs-Roubaix sinds ik weet niet hoe veel Parijs-Roubaix.

De koploper is alleen, vlakbij de streep.

Die koploper… Hij is het zelf.

Het is niet te geloven.