Spring naar de content
bron: ANP/Alik KEPLICZ

Geef Jan-Willem van Schip een contract, en wel onmiddellijk

Hoeveel medailles moet een mens op een Europees Kampioenschap behalen om gewoon zijn werk te kunnen blijven doen?

Gepubliceerd op:
Geschreven door: Frank Heinen

Jan-Willem van Schip behaalde er twee. Twee keer zilver, wat natuurlijk een mooiere kleur dan goud is, zeker voor een type als Van Schip, die minstens zo goed verliest als dat hij wint.

Van Schip is een van de beste baanrenners ter wereld. Op de weg, waar hij dit jaar reed voor een ploeg die inmiddels niet meer bestaat, omdat de hoofdsponsor zijn vakantiehuisjeswinsten liever niet meer in Jan-Willem van Schip steekt, is hij vooralsnog tamelijk alledaags, al zijn er aanwijzingen dat hij ook best semiklassiekers en Touretappes zou kunnen winnen, als hij maar wilde.

Wanneer hij een microfoon ziet, stort hij zich erop als een kat op een gewond vogeltje.

Daarnaast is hij een spreker. Wanneer Jan-Willem van Schip een microfoon ziet, stort hij zich erop als een kat op een gewond vogeltje. Hij spreekt als hij fietst: met een hoog omwentelingsritme, nauwelijks bij te houden en niet zelden accelererend op de verkeerde momenten. Zaterdag, na zijn eerste zilver, wachtte NOS-verslaggever Han Kock hem op met een cameraploeg. Jan-Willem van Schip – rood hoofd boven zijn wereldkampioenentrui, als een stuk rood fruit op een slagroompunt – nam het woord, om het niet meer af te staan.

‘Ja, ik denk dat jullie twee dingen hebben kunnen zien. Gisteren hebben jullie kunnen zien dat ik ongelofelijk hard kan fietsen en vandaag hebben jullie kunnen zien dat ik ook nog eens ontzettend tactisch zeer goed ben. Dus ik wil mezelf ook nog even in de aanbieding doen bij de zeer grote ploegen, want dit was natuurlijk heel goed en hier ben ik ook zeer trots op, op deze prestatie.’

Geen woord Spaans bij. Van Schip had de puntenkoers vanuit een verloren positie alsnog naar zijn hand gezet, en was slechts in de laatste meters voor het goud verslagen door de Franse laaf Coquard.

Jan-Willem van Schip is niet alleen het onderwerp van de zin, maar ook de schrijver.

Het interview ging viral. Natuurlijk: zo eerlijk zien wij sportliefhebbers zelden. De meeste mensen met een fiets tussen hun benen schrikken altijd van wat journalisten over ze zeggen. Vooral bij lyriek. Bij te veel wind mee ben je geneigd om te draaien en ertegenin te gaan. Jan-Willem van Schip niet: hij is niet alleen het onderwerp van de zin, maar ook de schrijver. Hij is het soort mens dat boven de wielerbaan van Apeldoorn gaat hangen en toekijkt hoe daar een soort langbenige pieremachochel iedereen in de kreukels fietst en dan verbaast vaststelt dat hij dat zelf is.

Jan-Willem van Schip, met zijn naam als van een huisarts (‘Dokter Van Schip, mevrouw Gravenberch heeft het weer aan de tenen’) en die volzinnen alsof hij het antwoord is op de nooit gestelde vraag: wat als Gerrit Komrij en Marianne Vos een zoon zouden hebben gekregen? Jan-Willem van Schip, die vaak zegt dat hij nog elke dag veel leert, zo vaak dat je je soms afvraagt wat hij daarvóór eigenlijk wist. Jan-Willem van Schip, van wie je vermoedt dat hij alles kan, als je hem er maar van overtuigt dat-ie het wil.

Jan-Willem van Schip, de Schicht van Schalkwijk. (Deze bijnaam heb ik al eens eerder gemunt. Vooralsnog tevergeefs. Maar ik hou vol.)

Jan-Willem van Schip is vooralsnog werkloos. Hij begrijpt dat zelf ook niet helemaal. Als je hem ernaar vraagt, antwoordt hij met een metafoor over een man die je badkamer komt verbouwen, en dat je wel weet wat er ongeveer gaat gebeuren, maar dat je geen zin hebt om het zelf te doen. En dat dat dus níet lijkt op wat hem nu overkomt.

Eigen ideeën zijn ballast, en onze renners dienen zo licht mogelijk te zijn.

Jan-Willem van Schip is snel, sterk, megamediageniek, intelligent en vrolijk. Hij fietst harder dan een groot deel van het profpeloton en de kans is aanzienlijk dat hij volgend jaar een of meer Olympische medailles binnenboort.

Mensen die erover gaan, twijfelen. Mensen die erover gaan, denken: rare kwibus. Mensen die erover gaan, hebben liever iemand die aan het begin van een zin weet waar de punt gaat komen. Die een microfoon ziet als een stiletto, niet als een magische praatpaal. Misschien denken de mensen die erover gaan: ik leid een wegploeg, wat heb ik aan een zonderlinge snelprater die de helft van het jaar op de baan bivakkeert? Wat moet ik aan met iemand met eigen ideeën? Ideeën hebben we in het management al voldoende. Eigen ideeën zijn ballast, en onze renners dienen zo licht mogelijk te zijn.

Mensen die erover gaan, denken vaak klein. Ze doen wat de ander ook al deed, omdat de ander het ook al deed. Jan-Willem van Schip stelt alles ter discussie. Hij is bereid om het hoekje van het onbekende te kijken, om te zien of er iets ligt waar hij iets aan heeft. Hij is de jongen die je als kampleiding niet in je groepje wil, omdat-ie voortdurend verdwenen is, en dan ergens in een kuil uitwerpselen zit te bestuderen. Maar topsport is geen schoolkamp, en met wielrenners die keurig de door de leiding uitgezette sporen volgen kun je schijthuizen bedekken.

Stel, je bent een mens dat erover gaat, bij een niet te grote wielerploeg, en je bent in dubio wat te doen met je laatste plekje voor het volgend jaar. Hierbij mijn gratis tip: geef Jan-Willem van Schip een contract, een goeie fiets en regel een cameraploeg voor een documentaire in aanloop naar de Spelen. Klaar ben je.