Cultuur

De zwarte kant van de VOC-tijd

04/06 | 2010
door De Redactie
Leestijd 2 minuten
Afbeelding

Margriet de Moor: De schilder en het meisje. De Bezige Bij. € 18,90. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Margriet de Moor: De schilder en het meisje. De Bezige Bij. € 18,90. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

In 1664 tekende Rembrandt van Rijn op het galgenveld twee aandoenlijke portretten van een op diezelfde dag door wurging ter dood gebrachte jonge vrouw. Heel precies schetste hij hoe zij aan de paal hing, een verstilde uitdrukking op het gezicht, gekleed in een iets opbollende jurk, laarzen aan haar bungelende voeten. Naast haar hoofd hangt de bijl waarmee zij haar hospita doodde.

Eeuwenlang bleef de jonge vrouw anoniem, totdat de Amsterdamse archivaris Isa van Eeghen in 1969 haar identiteit vaststelde na het doornemen van gerechtelijke uitspraken uit de Gouden Eeuw.

In haar nieuwe roman De schilder en het meisje brengt Margriet de Moor Elsje Christiaens opnieuw tot leven - en ter dood. Aan de loop van de geschiedenis kun je ook als schrijver niets veranderen, maar je kunt hem wel kleur geven. Zo wordt een terechtgestelde jonge vrouw zonder naam en zonder achtergrond een levendig meisje dat op haar reis van Jutland naar Amsterdam achttien jaar oud werd en op haar verjaardag de laarsjes die Rembrandt aan haar voeten tekende cadeau kreeg.

Amsterdam - dat was niet alleen de rijkste en de machtigste, maar ook de mooiste stad ter wereld. Of zoals Margriet de Moor het de oudere zus van Elsje laat zeggen: “Die stad is het einde, het absolute einde, kleintje.” Met deze uitspraak, of liever gezegd: met het gebezigde idioom, laat de schrijfster zien wie hier de baas is; dat zij, als het om het inkleuren van de geschiedenis gaat, de kleur bepaalt. Eerder al laat zij iemand tegen de schilder zeggen: “U rotzooit maar wat aan.”

Ook op andere manieren verraadt De Moor dat zij nú schrijft. Als ze de locatie van de Amsterdamse calvarieplek ter sprake brengt, zegt ze dat ooit de firma Shell hier een laboratorium zal vestigen, de ‘acute bewegingloosheid’ onmiddellijk na het ter dood brengen op het schavot vergelijkt ze met de stills uit films van latere eeuwen.


Nee, De Moor steekt niet onder stoelen of banken dat haar roman is geschreven vanuit het perspectief van onze tijd. Dat betekent ook dat zij de mores van het zeventiende-eeuwse Amsterdam bekijkt met 21ste-eeuwse ogen. Die rijke, trotse, goed georganiseerde hoofdstad van de Republiek was ook een cynische stad met een diepe kloof tussen arm en rijk, waar winst de maatschappelijke drijfveer was en waar de orde met harde hand werd bewaakt. Buitenlanders waren welkom als ze maar bijdroegen aan het bedrijfsresultaat; aanpassen aan de Nederlandse zeden was het minste wat van hen werd verlangd.

Dit is het VOC-tijdperk waar Balkenende zo graag naar verwijst - geen wonder, want hier heerste de calvinistische God die goedertieren was, maar die ook akelig kon straffen, zoals hij in het midden van de Gouden Eeuw deed met de pest, die hele buurten uitroeide.

Margriet de Moor laat twee verhaallijnen bij elkaar komen. De schilder, die in de roman nergens bij naam wordt genoemd, is een versomberde man geworden. Slenterend door de stad doet hij zijn best om de Dam, waar de terechtstelling plaatsvindt, te m ijden.

Vanuit Jutland reist intussen het meisje haar zus achterna naar de beloofde stad Amsterdam. Ze is jeugdig-onnozel maar vastberaden en zeker geen geboren moordenares. Ze grijpt de toevallig aanwezige bijl pas nadat zijzelf met een stok is geslagen door de slaapvrouw die haar tot prostitutie wilde aanzetten.

De schrijfster gebruikt een uitgebreid palet, waarmee ze een levendig beeld geeft van die wonderbaarlijke metropool, vol met licht en kleur. Dat ze daarbij ook de zwarten niet vergeet, geeft deze lieve roman een verfrissende diepte, alsof ze wil zeggen dat de schoonheid van Amsterdam zoals we die ook nu nog kennen, niet in de laatste plaats te danken is aan de wreedheid van de samenleving anno 1664.