Robin van Galen: Coach van het Nederlandse dameswaterpoloteam dat in 2008 goud won op de Olympische Spelen in Beijing.
‘Op de Spelen van Beijing verloren we onze eerste wedstrijd. En als er íets is dat je niet wilt... Gelukkig wonnen we de tweede. Maar als we die ook hadden verloren, had de vlam in de pan kunnen slaan, met alle noodlottige gevolgen van dien. Dat hadden we op andere toernooien - met name het WK van 2007, waar we als negende eindigden - al eens meegemaakt. Op het WK van 1990 in Italië hebben de voetballers dat ook ervaren. Twee jaar eerder waren ze Europees kampioen geworden. De verwachtingen waren dus hoog, maar de resultaten vielen zwaar tegen. Er bleek van alles scheef te zitten.
Intussen valt er veel positiefs te zeggen over het huidige Nederlands elftal. Arjen Robben en Mark van Bommel hebben bij Bayern München een gewéldig seizoen achter de rug. Dat van Wesley Sneijder bij Inter - landskampioen, Italiaanse beker en Champions League - kon niet beter. Rafael van der Vaart heeft zich na een teleurstellende start teruggevochten in de basis van Real Madrid. En de Ajacieden hebben uitstekend gepresteerd in de tweede helft van het seizoen. Bert van Marwijk heeft een goede en uitgebalanceerde groep tot zijn beschikking, met kernspelers die het verschil kunnen maken en de goede leeftijd om een groot toernooi te winnen: niet te jong en onervaren, en ook niet over the hill en uitgeblust.
Verder lijkt Van Marwijk de zaak uitstekend onder controle te hebben. Hij blijft rustig en koel. Als het toernooi begint, zal de druk groeien en naarmate Nederland verder komt, alleen maar toenemen. Het zal mij benieuwen of hij onder die omstandigheden zo rustig blijft. Ook bij situaties die niet te voorzien zijn. In die gevallen moet een coach flexibel zijn en intuïtief handelen. Bovendien heeft Van Marwijk zijn staf nog. Op coachgebied zijn Phillip Cocu en Frank de Boer vrij onervaren, maar als speler hebben ze diverse EK’s en WK’s en meer dan honderd interlands achter hun naam. Hans Jorritsma is al jaren teammanager van het Nederlands elftal, is hockeyinternational en bondscoach geweest en heeft verstand van topsport, van mensen en van teamprocessen. Daarmee is hij een uitstekend klankbord voor Van Marwijk. Belangrijk zijn ook de fysiotherapeuten. Die horen het op en rond de massagetafel vaak als eerste van spelers als er iets knaagt of niet in orde is. Vervolgens even aangeven dat een bepaalde speler misschien wat extra aandacht nodig heeft, kan al voldoende zijn. Ook de spelers zelf hebben de verantwoordelijkheid om aan de bel te trekken als daar reden voor is. Daar moet de coach ze ook op wijzen. Door spelers verantwoordelijkheid te geven, creëert hij betrokkenheid.”
“Om wereldkampioen te worden, is het teamproces doorslaggevend. In de top zijn de verschillen heel klein, ook op dit WK. Synergie speelt een grote rol. Is het totaal meer dan de som der delen? Accepteren de spelers - ook de wissels en de tribunezitters - elkaar en elkaars rol? Een goede sfeer kan doorslaggevend zijn. Omdat Bert van Marwijk rust uitstraalt en overkomt als een echte people’s manager, denk ik dat het op dat vlak wel goed zit.
Natuurlijk zijn er altijd en overal valkuilen. Dat heb ik zelf ervaren. Ruim een jaar voor de Olympische Spelen ging het mis op het WK in Australië. De resultaten vielen tegen en dus ontstonden er irritaties; aanvankelijk in stilte, onderhuids. Maar op een gegeven moment waren de lontjes echt te kort. Ik heb het de speelsters onderling laten uitpraten en daarna was iedereen wel weer bijgedraaid. Maar in crisissituaties is het verschil tussen mannen en vrouwen groot. Vrouwen kunnen problemen onderling wel uitpraten, maar het blijft toch nog enige tijd nagalmen. Mannen kunnen daarentegen prima samenwerken als ze een hekel aan elkaar hebben. Ik heb gelezen dat Wesley Sneijder toegeeft dat Robin van Persie en hij niet altijd de beste vrienden zijn geweest, maar dat ze intussen veel respect hebben voor elkaar en elkaars kwaliteiten, en dat ze elkaar bij het Nederlands elftal nodig hebben om topprestaties neer te zetten. Op zijn beurt heeft Robin van Persie op de eerste dag van de voorbereiding gepleit om ‘de grote vier’, dus ook Sneijder, altijd op te stellen. Die instelling is de juiste. Je hoeft geen vrienden te zijn of de deur bij elkaar plat te lopen. Wereldkampioen word je júist met verschillende karakters; zolang je elkaar maar respecteert en dat ook toont.
Een probleem zou de pers kunnen zijn. Voetbal is vele malen groter dan waterpolo of volleybal, en de impact van wat voetballers zeggen, is - zeker op een WK - ook vele malen groter. Dus zal iedereen tijdens interviews zijn woorden op een weegschaaltje moeten leggen. Daar zal ook zeker op gehamerd zijn. Het grootste gevaar ligt niet bij de basis-elf, maar bij degenen die niet spelen; helemaal als de prestaties tegenvallen. Dan kunnen ze naar bevriende journalisten lopen om hun onvrede te uiten en vervolgens komt die klaagzang breed uitgemeten in de kranten. En natuurlijk vergroot een wisselspeler met piepen en zeuren zijn kansen op een basisplaats niet. Hij moet de coach op trainingen met zijn benen overtuigen.
De pers moet je proberen te gebruiken als middel om de publieke opinie op jouw hand te krijgen en te houden. Een goede coach blijft rustig en zichzelf. Kritische vragen zul je altijd krijgen; als het niet goed gaat, maar ook als het prima gaat. En dat geldt ook voor kritiek. Die kan gefundeerd zijn, maar ook ongefundeerd. Maar laat je daardoor vooral niet gek maken.
Iedereen maakt fouten - ook bondscoaches. Dat is mij op weg naar en in Beijing ook overkomen. Je kunt mazzel hebben als de schade beperkt blijft en het niemand opvalt. Maar er is niks mis mee om gewoon toe te geven dat je een fout hebt gemaakt. Daar zul je echt niet minder respect door krijgen; integendeel. Maar kennelijk hebben voetbalcoaches daar moeite mee. Het bekendste voorbeeld is waarschijnlijk Dick Advocaat op het EK van 2004, die een gevaarlijke en uitblinkende Arjen Robben naar de kant haalde. Iedereen viel over Advocaat heen, helemaal toen hij bleef volhouden dat het een heel logische wissel was geweest. Nu nog hebben mensen het er over.”
Joop Alberda: Coach van het Nederlandse herenvolleybalteam dat in 1996 Olympisch goud won in Atlanta.
‘Begin dit jaar hoorde ik Bert van Marwijk zeggen dat hij zich verheugde op een periode ergens in het voorjaar: ‘Dan heb ik de groep vijf dagen bij elkaar en kunnen we heel veel doen.’ Toen dacht ik: heel veel doen?! In vijf dagen?! Vijf dagen houdt in dat je, als je tweemaal per dag traint, maximaal tien trainingen kunt doen. Daarin kun je bijna niks. Dat is altijd het probleem richting een WK voetbal. Het lijkt veel, vier à vijf weken, maar hoeveel is dat in werkelijkheid? De Champions League-finalisten Sneijder, Van Bommel en Robben hebben zich pas 25 mei gemeld. Deze mannen spelen een wezenlijke rol in de tactische plannen van Van Marwijk. Dus werden die vijf weken voorbereiding al flink ingekort. Die drie spelers zullen bovendien nog wel een paar dagen nodig hebben gehad om bij te komen; fysiek én emotioneel. Sneijder moest zijn euforie loslaten, de Bayern-spelers hun deceptie. Maar ook de anderen, die wel de hele periode bijeen zijn geweest, zullen aan het einde van hun Latijn zijn geweest toen ze zich 10 mei meldden. Aan het einde van een lang en zwaar seizoen kan dat ook niet anders. Allemaal spelen ze bij topclubs, dus allemaal zijn ze langs het randje gegaan. Want in de slotfase van de nationale competities kun je niet anders dan zo diep mogelijk gaan en alles geven wat je in je hebt. Mentaal zijn ze ook leeg, want ze zijn wel of geen kampioen geworden, met de bijbehorende emoties. Kortom, niemand is aan het einde van een seizoen fysiek en mentaal fit. Daar moet je dus als eerste aan werken door te zorgen dat ze hun pijntjes, kwetsuren en emoties kwijtraken en zin krijgen om een lang toernooi te spelen. Want je wilt de finale halen, wat inhoudt dat je naar de laatste toernooidag moet toewerken. Voor het bijbehorende schema moet je gaan terugrekenen vanaf die elfde juli. Een dergelijke benadering houdt uiteraard het risico van voortijdige uitschakeling in, op een moment dat de grote vorm nog moet komen. Maar kijkend naar het EK van 2008 constateer ik dat Nederland in de zogenaamde poule des doods zat met wereldkampioen Italië en Europees kampioen Frankrijk - landen waar Nederland in werkelijkheid vlot overheen is gewalst - om in de volgende ronde door het Rusland van Guus Hiddink te worden geëlimineerd. Dat betekent niets meer of minder dan dat je met lege handen staat, omdat het team te vroeg heeft gepiekt.
Om in de tweede fase van het toernooi te willen pieken, is geen enorme gok, denk ik. Nederland staat vierde op de FIFA-wereldranglijst. Van de ploegen in de WK-groep staat Denemarken, de eerste tegenstander, op de 35ste plaats, Japan is 45ste en Kameroen, de laatste tegenstander, is de hoogst geplaatste op de 19de plek. Statistisch gezien hoeven we ons daarom geen al te grote zorgen te maken en is er ook geen reden om in deze eerste fase van het toernooi al in bloedvorm te zijn. En natuurlijk kun je de eerste wedstrijd verliezen en zal dat meer druk geven. Maar die hoort onlosmakelijk bij de dynamiek van topsport en hoeft daarom niet tot paniek te leiden. Met tegenslagen moeten echte topsporters om kunnen gaan. Vaak ook komen ploegen die hun openingswedstrijd verliezen, heel ver; zie het Nederlands elftal op het EK van 1988. Een beetje met de rug tegen de muur laat sommige mensen nu eenmaal excelleren.
Samenvattend is de reële situatie wat betreft het Nederlandse team vlak voor het WK als volgt: 1) Het behoort statistisch tot de vier beste van de wereld. 2) Het kan dus voetballen. 3) De voor- bereidingstijd is beperkt geweest. 4) De echte vorm hoeft er pas halverwege het toernooi te zijn, en vanaf daar moet het verder groeien tot écht top.
Keep it simple lijkt me vanuit die wetenschap de beste benadering, en als bondscoach zou ik dan ook teruggaan naar de essentie en me voornamelijk focussen op mentale en fysieke fitheid van mijn spelers. Mentaal houdt in: de aan het seizoenseinde opgedane teleurstelling dan wel euforie kwijtraken, nieuwe motivatie opdoen en zo zin in het WK krijgen. Fysiek houdt in: herstellen, en dus vooral niet te veel zware arbeid leveren. Volgens mij hebben de Italianen onder Marcello Lippi in de aanloop naar het WK van 2006 fysiek niet of nauwelijks getraind. En wie werd wereldkampioen? Dat kan ook, mits de selectie beschikt over voldoende technische kwaliteiten en tactische vaardigheden. Dat betekent ook niet dat je helemaal niks meer doet. Voetballen hoef je ze sowieso niet meer te leren. Dus oefen met name op standaardsituaties als corners en vrije trappen; simpele dingen die je nog kunt beïnvloeden. Verder spreek je de strategie door en wat er tijdens zo toernooi allemaal kan gebeuren en op de spelers kan afkomen. Dan zijn er nog de fysiotherapeutische behandelingen en de dagen zijn helemaal ingevuld.”
“Op en rond de wedstrijddagen wordt het programma - naast die confrontatie op het veld - bepaald door trainingen, besprekingen, verplaatsingen en herstellen. Maar de rustdagen kunnen saai zijn en tot verveling leiden. Geef je de groep dan de vrijheid om lamlendig te zijn of bedenk je iets om ze op een onderhoudende en ontspannen manier gezamenlijk in actie te krijgen? Daarvoor moet je niet alleen creatief zijn, maar ook de mogelijkheden hebben om inhoud te geven aan een ‘programma achter een programma’, zoals ik dat noem.
Intussen krijgt Van Marwijk ongetwijfeld ook te maken met situaties waarvan hij en wij allemaal hadden gehoopt dat ze zich niet zouden voordoen. Ziekte, een blessure van met name een belangrijke speler, iets vervelends met een familielid of nog weer iets anders; het zijn onvermijdelijke en in elk geval oncontroleerbare gebeurtenissen. Ik mag aannemen dat de draaiboeken met antwoorden klaarliggen. En voor de echt onvoorspelbare situaties moet je als coach vertrouwen op je eigen wijsheid en die van je staf. Uiteindelijk is de grootste valkuil voor een bondscoach dat hij te veel zal willen doen. Het moeilijkst is dus om níet te trainen. Maar dat het kan en ook kan werken, heeft Lippi in 2006 bewezen.”
Marc Lammers: Coach van het Nederlandse vrouwenhockeyteam dat in 2006 wereldkampioen en in 2008 Olympisch kampioen werd.
‘Winnen, verliezen; daaraan moeten coaches en spelers helemaal niet denken. Dat klinkt raar, want in topsport draait het om winnen. Dat is zelfs het enige wat telt. En toch: uit de hoofden bannen richting wedstrijd. Waar je wel aan moet denken, is het plan dat in de voorbereiding is opgesteld en waarin de tegenstander is geanalyseerd. Daar moeten de spelers op het veld naar handelen door de eigen taken, zoals afgesproken, uit te voeren. Daarop heb je invloed, maar dat geldt niet voor het weer, het veld, de tegenstander en de scheidsrechter. Toch zijn die factoren medebepalend voor het eindresultaat. En een bal op de paal of precies in de hoek, of een verkeerde beslissing van een scheidsrechter, kan het verschil zijn tussen winst of verlies. Over die scheidsrechter kun je spelers nog informeren - geeft hij bijvoorbeeld snel een gele kaart -, maar over zijn beslissingen en ook een bal wel of niet op de paal heb ik geen controle. En aan zaken die ik niet in de hand heb, verspil ik geen energie. Die besteed ik liever aan nuttiger zaken als tactiek. Want als ik mijn spelers voorzie van een goed plan en duidelijke informatie over hun directe tegenstanders, gaan ze met meer zelfvertrouwen het veld in. Zo haal je als coach spanning weg bij spelers. Wanneer je goed voorbereid bent en je omgeven voelt door teamgenoten op wie je kunt vertrouwen, zul je ook je beste wedstrijden spelen. Dat lukt niet door te denken: ik móet winnen! Dat werkt averechts. Spelers gaan dan forceren, vergeten afspraken na te komen en hun taken uit te voeren.
Steve McLaren is een coach die dat heel goed aanvoelt en daar naar handelt. Daarmee heeft hij een heel reële bijdrage geleverd aan het landskampioenschap van FC Twente. Op een gegeven moment had iedereen het over kampioen worden en winnen. McLaren niet; die sprak alleen over de manier van spelen en gaf zijn spelers zo een relaxed en veilig gevoel. Hij heeft ze ook Any Given Sunday laten zien, net als ik twee jaar geleden met de hockeydames in de aanloop naar de Olympische Spelen heb gedaan. In die film speelt Al Pacino een American-footballcoach en motiveert zijn spelers met ‘inch for inch vechten’. En dáár heb je invloed op, niet op winnen of verliezen; dat is het gevolg van dat gevecht.”
“Het doel van Bert van Marwijk en het Nederlands elftal is simpel en duidelijk: wereldkampioen worden. Maar wat is daar voor nodig? Volgens welke waarden en afspraken gaan we die doelstelling bereiken? Zodra je alle spelers bij elkaar hebt, begin je met die afspraken. Die leiden tot wat ik ‘het WK-plan met alle do’s en don’ts’ noem en waarin alle neuzen dezelfde kant op moeten. Alle mogelijke scenario’s ga je met de groep doornemen, tot en met welke vijf spelers de strafschoppen nemen als het na een verlenging gelijk zou staan, en wie het overneemt als een van hen geblesseerd raakt. Door met elkaar afspraken te maken, creëert een coach duidelijkheid. En dat moet verder gaan dan alleen het voetbaltechnische vlak. Dan gaat het ook over mogelijke aanslagen, en overlijdensgevallen. Discussies daarover moeten ruim vóór het begin van het WK zijn afgerond en vervolgens kom je met een eensluidende mening, waaraan iedereen zich houdt. Voor alles dat onderling besproken wordt en waarbij mensen hun eigen mening geven, geldt: dit blijft binnenskamers en niemand - pers noch partner - krijgt het te horen.
Alles wat je kunt regisseren, ga je zo middels een plan invullen. Want waar verliezers zich van excuses bedienen, hebben winnaars een plan. Niets moet je aan het toeval overlaten. Dat sluit verrassingen niet helemaal uit, want onverwachte situaties kunnen altijd ontstaan. Maar als alle betrokkenen beseffen dat alles is gedaan voor een zo perfect mogelijke voorbereiding, komt zo’n verrassing minder hard aan en kun je vanuit relatieve rust en vertrouwen naar een geschikte oplossing zoeken.
Een coach hoort die regels met de spelers af te spreken, en ze niet op te leggen. Door die afspraken in overleg met de spelers te maken, geef je ze verantwoordelijkheid en creëer je eenheid. Ook kun je een speler erop aanspreken en ter verantwoording roepen als hij zich niet aan een afspraak houdt. En, misschien wel belangrijker, onderling kunnen en mogen ze dat ook doen. Dat bereik je als het een gezamenlijk plan is en niet voorgekauwd en opgelegd door de coach. Die is ook niet de baas van het team, maar een onderdeel. Dat heb ik moeten leren van mensen uit mijn begeleidingsteam. In mijn begintijd als coach waren passie - en daaronder reken ik ook fitheid en doorzettingsvermogen - en perfectionisme, en dus ook volledige toewijding, mijn kernwaardes. Die zijn inderdaad heel belangrijk, maar dat geldt ook voor onderling respect en sfeer. In een team moet iedereen een ander in zijn waarde laten en beseffen dat je elkaar nodig hebt.
Dat betekent niet dat iedereen dikke maatjes moet zijn. Ook de assistenten hoeven geen vriendjes van de coach te zijn. Assistenten moeten de coach vooral aanvullen. Ik heb flinke ruzies gehad met de mijne, maar dat heeft mijn blik alleen maar verbreed en mijn inzichten en opstelling verbeterd. Daardoor weet ik nu dat de waarden van het team belangrijker zijn dan de waarden van de coach. Heel belangrijk is teammanager Hans Jorritsma. De teammanager is de stille, drijvende kracht die als een helikopter boven de groep hangt en zo veel mogelijk hoort en ziet.
Bij het samenstellen van de selectie zijn balans en diversiteit belangrijk. Daar heeft Bert van Marwijk goed op gelet. Ik zie een goede en duidelijke hiërarchie en een mix van ervaren spelers die in de basis staan en van spelers die vooral hard zullen werken in dienst van het team. En dan zijn er nog de jonge honden, die een verfrissend effect op de rest hebben. Het is verstandig dat Van Marwijk die heeft meegenomen, en niet Ruud van Nistelrooij en Clarence Seedorf. Dergelijke ervaren en gelouterde spelers hebben vaak moeite met een eventuele rol op het tweede plan. Die jonkies vinden het al geweldig dat ze mee mogen en zullen niet moeilijk doen, wel hun stinkende best.
Bij de opstelling begin je met je sterspelers en om hen heen bouw je de rest van het team. Om je key players te laten excelleren, zet je spelers in hun buurt die completerend zijn en in hun dienst kunnen spelen. Met elf sterren in je team word je geen wereldkampioen. Waarom won Nederland in 1988 het EK? Omdat het spelers had als Berry van Aerle en Adri van Tiggelen, die zichzelf konden wegcijferen.”

