Slotakkoord van een van de grootste popdichters van de Lage Landen.
Het is de zaterdag voor Pinksteren, half elf ’s ochtends. Er staat een grote touringcar op de Houtmankade in het westen van Amsterdam. De bus trekt veel bekijks: hij is van FC Utrecht, en van voor tot achter bedrukt met logo’s van de club en afbeeldingen van de spelers.
Een groep mensen verzamelt zich rondom het voertuig. Geen voetballers of aanhangers van de club, maar vrienden, kennissen en familie van The Scene, de band van zanger Thé Lau. De bus hebben ze voor een dag te leen gekregen. Thé’s vrouw Marijke grapt dat je opeens veel voor elkaar krijgt als je ziek bent. Thé zelf komt als laatste aangelopen, de gitaar op zijn rug, een zwart hoodie boven zijn pantalon. Hij begroet al zijn medereizigers.
De reis gaat vandaag naar het uiterste zuiden van het land: Pinkpop in Landgraaf. Thé Lau en zijn band treden er vandaag op. Het ziet ernaar uit dat dit hun laatste festivaloptreden is. De twee woorden die dat verklaren, ‘keelkanker’ en ‘uitbehandeld’, vallen vandaag even niet. Vandaag is het feest. Op de afgrond, maar die hoeft niet keer op keer benoemd te worden: iedereen in Nederland weet inmiddels hoe het zit, dus iedereen in deze bus al helemaal. En iedereen heeft al die opmerkingen over nu opeens wél op de radio, wél prominent op tv, wél op Pinkpop al vaak genoeg gehoord, of misschien zelfs zelf gemaakt. Allemaal waar. Maar nu wacht wat Thé Lau altijd heeft gedaan: optreden.
De bus vertrekt met enige vertraging, want Thé is zijn optreedtas kwijt. Waar de setlist in zit, en het boek dat hij momenteel verslindt: de autobiografie van The Who-gitarist Pete Townshend. Marijke gaat glimlachend op zoek naar de tas van haar man. Ze is wel wat gewend op het gebied van stress: zij is de grote organisator achter Thé.“Marijke is ook zijn eerste lezer,” zegt Oscar van Gelderen, sinds 2000 de uitgever van Laus literaire werk en dus ook van de roman die dit najaar verschijnt. “Thé hecht enorm aan haar oordeel. Je kunt zeggen dat haar leven in het teken staat van zijn creativiteit, maar óók dat hij zonder haar met die creati- viteit nooit zo ver was gekomen.”Iets voor elven rijdt de bus dan toch weg uit Amsterdam. De koelkast is gevuld met flesjes water en bier, en erbovenop ligt een grote fles champagne. Een cadeautje van RTL-programmadirecteur Erland Galjaard, die had geregeld dat Thé Lau twee dagen eerder uitgebreid werd geëerd in het programma RTL Late Night van Humberto Tan, dat voor de gelegenheid werd uitgezonden vanaf een groot podium op het Leidseplein. De reacties waren overweldigend en opmerkelijk positief, zelfs op het meestal zo zwartgallige Twitter. Positief over Laus openhartigheid, over zijn persoonlijkheid, over zijn bijdrage aan de Nederlandse kunst.“Thé is geen elitaire schrijver,” zegt uitgever Van Gelderen. “Zijn taal is poëtisch, lyrisch, en tegelijk heeft hij bijna iets socialistisch, in de zin van verheffend. Zijn voorkeuren voor mensen zijn vaak volks, terwijl zijn vader kunstenaar was in Bergen. Dat komt mooi samen in zijn werk: Amsterdam en Bergen, het biljart en het kunstenaarsdorp. En ik ken weinig mannen die zo goed over vrouwen kunnen schrijven als hij.”Lau zelf: “Ik heb ooit een verhaal geschreven over een vrouw waarvan Marijke na lezing zei: sorry, maar zo’n vrouw bestaat niet. Ik was het daar niet mee eens, dus ik liet het verhaal aan twee vrouwelijke schrijvers lezen. Die zeiden allebei: sorry, maar zo’n vrouw bestaat niet.”Na ruim een uur stopt de bus even ten noorden van Eindhoven bij een tankstation. Lau stapt als een van de eersten uit en steekt een sigaret op. “Ik was gestopt, drie jaar al,” zegt hij. “Toen ik het nieuws kreeg, ben ik weer begonnen. Ik heb er wel spijt van, zeg.” Hij trekt zijn schouders op, als een onuitgesproken ‘maar ja’.
Straks op Pinkpop krijgt hij versterking van drie collega-artiesten: dEUS-voorman Tom Barman, Bløf-zanger Paskal Jakobsen en Jacqueline Govaert, bekend van de inmiddels opgeheven band Krezip. Govaert is 32, Lau 61. “In het begin sprak ze me aan met ‘u’. Dat heeft ze gelukkig snel afgeleerd. Ik heb gezegd: “Op u-basis kunnen we niet samenwerken.”Lau kondigt aan dat hij even gaat slapen in de bus. Hij zit in het achterste gedeelte, op een grote ronde bank, met zijn vrouw en de rest van de band. The Scene bestaat al sinds 1979. De grootste hits dateren uit de jaren negentig, al is The Scene nooit echt een hitband geweest maar een groep die nadrukkelijk albums maakte, en bovenal live gehoord moest worden. Vanaf 2002 deed Lau het een paar jaar in z’n eentje. Hij trad veel op in theaters, en schreef romans en verhalenbundels. In een daarvan, In de dakgoot (2006), schemert iets door van de redenen dat hij even zijn eigen weg wilde gaan en afstand nam van het circuit van poptempels en feesttenten waarin hij over zijn eigen band heen moest loeien.“Hij wist niet waarom hij, een uur na het optreden, nog eenmaal het podium was opgelopen,” schrijft Lau. “‘De show’ noemden anderen het, maar hij had besloten dat dat woord afgeschaft diende te worden wilden ze met z’n allen beter worden. En beter moesten ze worden, dat stond vast. Het bereikte niveau stond geenszins garant voor eeuwig- heidswaarde. Naarmate de aandacht van het publiek de laatste jaren was gaan verslappen was het volume gestegen, zoals sprekers gaan schreeuwen wanneer ze voelen dat hun argu- menten geen gehoor vinden. Met de toename in volume was hun geluid – dat ooit door de pers was omschreven als ‘aangenaam jengelend’ of ‘karakteristieke honkytonk-sound’ – geleidelijk afgedaald tot in het riool dat hij zelf al eens had bestempeld als ‘heel vals’. En dat sloeg niet alleen op de klank. Er was een oppervlakkige gemaaktheid in geslopen. Iets wat thuishoorde in een andere wereld, een wereld van de mindere goden in het schnabbelcircuit, musicalsterren misschien. Hij schopte een bekertje van het podium. Nee, die waren tenminste serieus met hun vak bezig. (–) Het was zelfkwelling om oog in oog met zijn falen te staan. Hij had de aftakeling moeten voorkomen. Daarom stond hij hier, plotseling was het duidelijk. De anderen wilden of konden het niet zien, na al die jaren werd het onderscheid vager en vager.” Een paar jaar duurde die afzondering, en toen stond Lau weer met zijn vertrouwde bandleden op het podium en maakte The Scene een nieuwe plaat.
Van slapen komt het niet echt in de bus. Thé kijkt glimlachend naar een van zijn zoons, die voor de grap zijn kont laat zien aan de verbaasd naar de voetbalbus starende automobilisten.
Het is drukker dan verwacht op de weg, en hoe dichter we bij Landgraaf komen, hoe meer bezorgde telefoongesprekken Marijke voert. Achter een geïmproviseerd gordijn van kleding aan haakjes kleden de bandleden zich alvast om. Als het moet, kunnen ze rechtstreeks vanuit de bus het podium op. Uiteindelijk blijkt dat niet nodig, maar de bus arriveert nog geen drie kwartier voor het begin van het optreden. Op het grasveld backstage rookt Thé weer een sigaret. Hij zal straks nog een paar interviews geven. Interviews waarin hij opnieuw, en niet altijd subtiel, vragen zal krijgen naar wat volgens hem inmiddels ‘een sleets verhaal’ begint te worden. Of het niet zuur is dat hij op de valreep voor het eerst op Pinkpop staat. Wat er door hem heen ging toen hij het slechte nieuws kreeg. Of hij weleens denkt: waarom nu pas al die lof? Et cetera. Lau kan ze inmiddels dromen, die vragen, en de antwoorden eveneens, maar hij geeft ze niettemin met welwillendheid van de doorgewinterde artiest. Hij begroet zijn muzikale gasten, die al op hem staan te wachten. Tom Barman vertelt dat hij Thé zeven jaar kent, ‘en zijn muziek vanaf mijn negentiende’. Toen speelde Barman als straatmuzikant het Scene-nummer Rigoureus. “Mooie, ogenschijnlijk simpele, uitgepuurde liedjes zijn het, die Thé al die jaren heeft geschreven.”“In de songs van Thé vallen de bladeren,” zegt Rick de Leeuw, de ex-Tröckener Kecks-zanger die enkele albums van The Scene produceerde (en Lau op zijn beurt een paar platen van de Kecks). Eigenlijk, zegt De Leeuw, is het hele oeuvre van Thé Lau ‘één groot voorschot op wat er nu met hem aan de hand is’. “Thé is een herfstmens; hij heeft het ronkende herfstgevoel dat een dichter als Rilke ook had. In die zin verbaast het me niet dat hij nu zo productief is, omdat de intensiteit van deze periode van zijn leven zo groot is. En dat is precies waar hij altijd naar heeft verlangd: intensiteit. Zijn hele oeuvre schreeuwt daar om.”Het is bijna vier uur. De bandleden van The Scene staan in de coulissen van de tent waar ze zullen spelen. Marijke tikt Thé liefdevol op zijn billen. Presentator Marco Roelofs, ex-zanger van punkband de Heideroosjes, begroet Thé en zijn bandleden en loopt dan het podium op. Tegen zijn gewoonte in doet hij de aankondiging niet uit zijn hoofd, maar van een briefje. Al snel blijkt waarom: hij heeft een gedicht samengesteld uit licht bewerkte teksten van Lau.“Dit is géén eind, geen eind van het feest We gaan nog niet naar beneden Pinksterzaterdag, heldere zon De strijd is nog niet gestreden Het feest gaat door omdat hij het begon Het is mooi, nog niet verleden Rauw, hees, teder, zingt hij zijn lied Rauw, hees, teder, anders kan hij niet Hij doet wat hij moet doen in deze wereld Met een groot en mooi lawaai Hij doet de dingen die hem drijven Niet naïef en zeker nooit saai De klok zegt tik-tik Voor wie wacht komt alles steeds te laat Rij rij rij, rij zingt hij In de lange lange nacht Tot het keren van het tij Open, open, open moet het zijn Dus deze is voor jou en mij, maar dit is zijn moment Ik hef het glas op zijn gezondheid, hij staat niet alleen.”
Dan kondigt Lau aan dat hij een nieuw album heeft gemaakt, en daar nu graag wat van wil spelen.
Een paar dagen voor Pinkpop heeft Lau in zijn woonkamer op speciaal verzoek die nieuwe plaat opgezet. Het intro knalt door de grote speakers aan weerszijden van zijn apparatuur. Uit de speakers klinkt een tikkende klok. Het intro is lang en spannend. “Ik heb tijdens mijn behandeling eindeloos vaak naar de Britse serie Tinker Tailor Soldier Spy gekeken. Steeds als de hoofdpersoon over straat loopt en er gevaar dreigt, hoor je het geluid dat ik nu gebruik.”Pas na een kleine twee minuten zet Lau in: “Ik ga nu slapen/mij wacht de nacht/Ik kan niet wachten/op wat me wacht.” Zijn stem klinkt knarsend en rauw. Het hele album bestaat uit één nummer, met terugkerende muzikale motieven en steeds de zin: “De dood maakt jacht op mij.” Platina Blues is waarschijnlijk het beste album dat hij ooit heeft gemaakt. Een hartekreet van veertig minuten, op de meest filmische muziek die hij in zijn leven heeft geschreven. Donker gekleurd, soms ronduit grimmig, voortgestuwd door een tikkende klok, een dreigende cello en het mooiste gitaarspel uit zijn loopbaan, fel en rafelig. Alsof nu alles mocht en kon, zonder dat hij met iemand rekening hoefde te houden. Niet dat hij daar ooit echt goed in is geweest, samenwerken. “Ik nog nooit zo productief geweest ben dat altijd lastig blijven vinden; ik blijf een enig kind.”






