Cultuur

Cees Nooteboom (1933-2026): kluizenaar en kosmopoliet

Cees Nooteboom is gisteravond op 92-jarige leeftijd overleden. In 2019 sprak HP/De Tijd de schrijver en fotograaf Simone Sassen in hun Beierse buitenverblijf. Ze reflecteerden op hun gezamenlijke reisboeken, hun carrières en op de paradox die Nooteboom zijn hele leven vergezelde: in Italië, Duitsland en Spanje gevierd als grootmeester, in eigen land altijd een beetje buitenstaander. Remco Campert wist waarom: ‘Gebrek aan aandacht? Het is je eigen schuld, je bent er nooit.’

11/02 | 2026
door Ad Fransen
Leestijd 17 minuten
Schermafbeelding 2019-03-25 om 12.57.34
foto: Giorgio von Arb

De Poolnachtblauwe Saab 9000-automaat slingert soepel door de uitgestorven gehuchten in het wit bepoederde Beierse landschap. Aan het stuur fotograaf Simone Sassen, die zo aardig was om me af te halen op het treinstation van het plaatsje Hergatz. Op zich al een gat met amper tweeduizend inwoners, maar wij gaan nog verder het achterland in; we koersen af op Missen, een nietige vlek van twee huizen. Hier verschanst Cees Nooteboom zich jaarlijks met Simone Sassen op het landgoed Hofgut. De weldadige mediterrane warmte van hun domicilie op Menorca wisselen ze voor een aantal maanden af met de grimmige Alpenkou van het Zuid- Duitse boerenland. Hier kunnen ze ook ongestoord een boek afwerken, als vrucht van een gemeenschappelijke reis. Dit keer gaat het om Venetië – de stad, de leeuw en het water.

Aangezien Simone Sassen – ze zijn al veertig jaar bij elkaar – sinds jaar en dag de foto’s maakt bij Nootebooms reisboeken, leek het me een geschikt idee om de twee eens samen te spreken.

Voor Cees Nooteboom vormde dat geen enkel probleem. Maar Simone Sassen reageerde aanvankelijk terughoudend: “Ik hou helemaal niet van die kleffe echtparen-interviews die je vaak in damesbladen leest.” Maar vooruit, als het over fotografie gaat en over het reizen, wil ze best een duit in het zakje doen.

Voorlopig zijn we nog niet zover. “Eens even kijken of ik de goede afslag neem,” zegt Simone met trommelende vingers op het stuur.

Kan ze niet beter de Tomtom gebruiken? “Ja, die hebben we wel, maar Cees vindt het vaak maar niks, die zegt: ‘Zet dat ding toch uit.’ Hij houdt niet van uitgestippelde routes en slaat liever allerlei onbekende landweggetjes in.”

“Zijn jullie er nu al!” Nooteboom kijkt geschrokken. Met een fuga van Bach op de achtergrond zat hij nou net zo lekker verzonken in de drukproeven van Venedig, de Duitse editie van zijn nieuwste boek, die vrijwel tegelijkertijd met de Nederlandse uitgave uitkomt. Hij is er erg trots op, maar schuift de Duitse drukproef verontschuldigend terzijde: “Dat je niet denkt dat ik dat op tafel heb gelegd omdat er een Nederlandse journalist op bezoek komt.”

Simone: “Ik denk dat Cees had verwacht dat ik je eerst nog even iets zou hebben laten zien van de streek. Zelf had hij dat zeker gedaan.”

Cees: “Ja, Simone had je op zijn minst even naar dat prachtige middeleeuwse plaatsje Wangen kunnen rijden, waar wij altijd naar de markt gaan.”

Nooteboom is gelukkig gauw van de schrik de bekomen, als hij een exemplaar van de Financial Times in ontvangst neemt die ik op zijn vriendelijke verzoek bij een kiosk op München Hauptbahnhof heb aangeschaft.

‘Wat zou het toch heerlijk zijn om nog eens voor het eerst Parijs te zien.’

Hoewel, ook een tikkeltje argwanend: “Ik neem aan dat dit in je stuk terechtkomt en dat de HP-lezer wel weer zal denken: wat een snob, die Nooteboom, wat moet hij nou met de Financial Times? Maar ik ben nou eenmaal een ouderwetse papierfetisjist.”

Hij slaat de krant meteen open. Het kersverse roze krantenpapier knispert in zijn oude handen die, zoals hij zelf schrijft, rijkelijk bespikkeld zijn met ‘kerkhofbloempjes’, oftewel levervlekken.

“Ik lees de Financial Times voornamelijk om zijn voortreffelijke columnisten zoals Gillian Tett. En natuurlijk vanwege het zaterdagse culturele bijvoegsel, Life & Arts. Dat is onovertroffen. Nederlandse kranten proberen dat op een treurige manier na te bootsen. En ik ben niet van de hogere economie, maar mijn motto is: je moet proberen te begrijpen wat je niet begrijpt. Door geregeld de Financial Times te lezen begrijp je bijvoorbeeld beter wat er allemaal rond de brexit speelt.”

De aanhoudende malaise in Europa houdt de internationaal georiënteerd auteur danig bezig. Zo sombert hij in zijn Venetië-boek nogal eens over de heersende tijdgeest; hij citeert met instemming de Franse schrijver Philippe Sollers, ‘dat het deze eenentwintigste eeuw niets wordt tenzij we de geest van de achttiende eeuw terugvinden’.

Cees: “Ik doel daarmee op de Verlichtingsidealen en wil maar zeggen: als er nu een tijdgeest is, is hij heel onprettig. De intolerantie voert de boventoon. Het hangt ook sterk samen met de macht van de sociale media. Daarmee is het tegenwoordig zo makkelijk om mensen op een grootscheepse manier te misleiden.”

Dat de wereld in rap tempo digitaliseert en daardoor vluchtiger, kortademiger wordt, zit de schrijver duidelijk niet lekker. Wanneer in Venetië Marcel Proust de revue passeert, merkt hij cultuurpessimistisch op: “Proust is de afgelopen eeuw al drie keer opnieuw vertaald in het Engels, terwijl de Fransen het nog steeds met een honderd jaar oude taal moeten doen – ik heb daar geen moeite mee, maar de generatie van smartphones en ipads vraagt om een ander tempo, minder woorden, minder versiering, en daarmee wordt de stad een andere, omdat een verandering van taal ook een verandering van zien inhoudt.”

Nu voegt hij daaraan toe: “Ik ga hier als oude man heus niet zitten mopperen dat vroeger alles beter was, maar mijn afkeer voor al die digitale apparaten zit ’m er ook in dat ik in Venetië groepen Chinezen zie die alleen maar foto’s van zichzelf nemen met de stad als achtergrond. Als je zo bezig bent, is je blikveld heel beperkt. En kijk naar de omgang van mensen met elkaar. Stap eens een restaurant binnen: stelletjes zitten tegenover elkaar en kunnen alleen nog maar turen op het beeldscherm van hun smartphones.”

Simone is weliswaar bijna twintig jaar jonger dan Cees – toen hij als ‘liftende snotneus’ de basis legde voor zijn debuut Philip en de anderen (1954), stond zij als peuter nog te trappelen in de box – maar ze denkt er niet anders over.

“Het object dat mensen waarnemen is vaak onbelangrijk. Iets bestaat pas als ze zelf op de foto staan.”

Cees: “Dat is heel goed gezegd van Simone. Amsterdam heeft dat ook, je moet eens zien hoe de mensen daar over straat lopen.”

Hij staat op van de eikenhouten tafel, dribbelt in zijn rode ribbroek door het vertrek en doet ostentatief voor hoe toeristen met een ipad of iphone voor hun gezicht blindelings langs hem heen scheren.

“Soms blijf ik gewoon staan. Dan lopen ze tegen me aan, schrikken ze en realiseren ze zich pas echt waar ze eigenlijk zijn.”

In zijn laatste boek probeert hij regelmatig naar overeenkomsten te zoeken tussen de verzakkende grachtenstad Amsterdam en de verzonken kanalenmetropool Venetië.

“Het water, de voorspoed als zeevarend volk, de bloei van de schilderkunst in de zestiende en zeventiende eeuw, dat zijn allemaal historische parallellen natuurlijk. Maar tegenwoordig gaat de vergelijking vooral op als je naar de plaag van het toerisme kijkt. Onze vicepremier mevrouw Kajsa Ollongren heeft zich, toen ze nog wethouder in Amsterdam was, enorm ingespannen voor de toename van het aantal toeristen. Zij was haar tijd niet bepaald ver vooruit, zal ik maar op zijn zachtst zeggen. Ze had beter eerst eens een kijkje in Venetië kunnen nemen, hoe het daar uit de hand is gelopen. De grootste ergernis voor zowel de Venetianen als voor bezoekers van die stad is dat je in een café nergens meer een Italiaan achter de bar ziet staan, dat oude winkeltjes plaats hebben gemaakt voor toeristische niches. Het verdwijnen van gespecialiseerde winkels, de uittocht van oorspronkelijke bewoners, dat zie je in Amsterdam allemaal ook gebeuren. Ik las een stukje in de NRC waarin de stadombudsvrouw letterlijk vreest dat Amsterdam naar de knoppen gaat.”

Wat hebben de twee zich dan voor een moeilijk karwei op de hals gehaald door juist ’s werelds meest platgetreden toeristische trekpleister als literair reisdoel te kiezen? Was het niet moeilijk om de geëffende paden, de clichés te vermijden? Zowel voor de schrijver als voor de fotograaf?

Cees: “Ik bezocht Venetië voor het eerst in 1964, samen met een Amerikaanse geliefde. Dat gaf me een enorm geluksgevoel. De keren daarna probeerde ik die sensatie van de eerste keer te herhalen. Zoals ik ook weleens heb geschreven: ‘Wat zou het toch heerlijk zijn om nog eens voor het eerst Parijs te zien.’ Uiteraard is dat onmogelijk, al probeer je dat gevoel als schrijver toch elke keer weer naar boven te halen.

En ik zweer je – dat kan de lezer hopelijk ook opmaken uit mijn boek – je hebt er als reiziger nog steeds heel veel aan als je Venetië bezoekt. Ik voel in ieder geval nog steeds dat oude mengsel van verrukking en verwarring. Je kunt je ook nu nog absoluut laten verdwalen in deze stad. Er zijn musea, pleinen, tuinen waar je geen Chinees tegenkomt. Geheimen genoeg, als je maar je best doet.”

En zelfs Nooteboom in eigen persoon kun je er een enkele keer als attractie aantreffen. Nog niet zo lang geleden moest hij tijdens een festival in de Dogestad een boek signeren en dat zorgde op Piazza Margherita voor een ware oploop, vertelt Simone.

Cees: “Zeg dat nou maar niet waar een Nederlandse journalist bij is, dan lijkt het weer alsof ik zit op te scheppen. Maar soms is het echt om kierewiet van te worden, niet alleen mijn Italiaanse uitgever, maar ook mijn Franse en Spaanse uitgevers publiceren mijn werk nog graag volop.”

Simone: “Er kwam toevallig een vriendin langs, die zei: ‘Goh, Cees is echt heel beroemd hier.’”

Cees: “Oké Simone, jij zegt het nu, maar in Nederland mag een schrijver dat nooit over zichzelf beweren, dat is een ding dat zeker is. Terwijl zulke zaken allemaal gebeuren zonder dat ik erom vraag. Recent is mijn dichtbundel Monniksoog in het Italiaans gepubliceerd, een prachtige tweetalige uitgave. Meteen daarna een groot stuk in de Corriere della sera en een uitgebreide bespreking in La Stampa. Maar nu zou jij voor de gekkigheid eens naar een kritiek moeten zoeken in de Nederlandse pers. Geen een! Alleen Arjan Peters van de Volkskrant heeft er in een column welwillend aan gerefereerd. Monniksoog verschijnt binnenkort in het Duits, het Engels, het Spaans en er komen nog veel meer landen aan die het willen. Dat is toch een fenomeen, dat zegt toch iets mijn appreciatie in Nederland. Ik denk weleens: ze hebben me op... ze hebben me gehad... laat maar zitten... wij vinden de boeken van Nooteboom niks meer aan. Af en toe mag ik dat toch wel opmerken?”

Overdrijft hij niet een beetje? “Ik ben het met Ad eens, ik geloof niet dat het zo ernstig is gesteld, Cees,” beaamt Simone. De schrijver is niet helemaal gerustgesteld, maar bindt in. Hij wil ook liever niet de indruk wekken dat hij miskend is in eigen land: “In Duitsland introduceren ze me vaak met: ‘ist im eigenen Land nicht beliebt’. Dan moet ik weer zeggen: dat is niet waar, want in Nederland heb ik alle belangrijke literaire prijzen gehad. Hans van Mierlo zei eens tegen me: ‘Cees, klaag nou toch niet, daar word je zo’n zeikerd van.’ Hij had gelijk, ik kan weleens te lang doorzeuren. En Remco Campert heeft eens gezegd: ‘Gebrek aan aandacht? Het is je eigen schuld, je bent er nooit.’ Daar heeft het wel iets mee te maken, vermoed ik.

Een substantieel deel van het jaar verblijf ik buiten Nederland, ben ik niet beschikbaar voor de pers. Anderzijds, dat een man van mijn leeftijd af en toe eens een beetje zeurt, is toch logisch, mag toch?”

‘Je kunt je ook nu nog absoluut laten verdwalen in deze stad. Geheimen genoeg, als je maar je best doet.’

Vooruit, maar nu we het toch over literaire erkenning en prijzen hebben: aangezien er vorig jaar sprake was van fraude, wordt de Nobelprijs voor Literatuur dit jaar tweemaal uitgereikt. Ziet hij daarmee zijn kans op deze onderscheiding der onderscheidingen groter worden?

“Haha, krijgen we dat ook weer. Twee keer nul is nul hoor.”

Maar zijn naam gonst toch elk jaar serieus rond bij de Zweedse Academie. Doet hem dat dan helemaal niets?

“Die prijs is maar om één reden belangrijk: dat er over de hele wereld nog meer boeken van je worden gelezen en verkocht. Verder is het een hersenschim. Hugo Claus heeft eens met een voortreffelijke grap opgemerkt: ze moeten de Nobelprijs nu aan mij geven uit humanitaire overwegingen.”

Terug naar het laatste boek, naar Venetië – de stad, de leeuw en het water. Hij kan gerust zijn: het is opnieuw gelukt. Zonder dat het meteen een doorsnee-reisgids is, dompelt Nooteboom de lezer op een weldadige wijze onder in de rijkdom en historie van de lagunestad. Op nabijgelegen eilandjes weet hij je zelfs naar nauwelijks ontdekte plekken te voeren; soms leest het boek als een roes, een tijdreis waarop de ene na de andere verborgen parel wordt opgevist. Maar ook een ordinaire gondeltocht schuwt hij niet.

“Eerst zie je vanaf de kade al die toeristenkoppen dezelfde kant opkijken of naar de gondelier luisteren die verplicht is om O sole mio te zingen, anders krijgt hij geen fooi. Je denkt: dat ga ik nooit doen. Maar daar moet je je overheen zetten, er valt altijd iets bijzonders waar te nemen.”

Maar ja, zie Venetië dan nog maar eens op een verrassende en originele manier te fotograferen. Het maken van bijzonder beeld, dat moet voor Simone toch een hele toer zijn geweest?

Simone: “Als het niks was geworden, had ik ook niets ingeleverd. Maar ik hou gelukkig van het abstraheren van de werkelijkheid, ik zoek naar kleuren, vlakken, details, niet zozeer naar een totaalsituatie of een algemeen overzicht.”

Hoe moeten we dat trouwens zien als het echtpaar op reportage is? Even kort door de bocht: maakt Simone de plaatjes bij zijn praatjes?

Simone, resoluut: “Nooit. We zijn samen, maar we werken niet samen en...”

Cees, onderbrekend: “... dat zal ik je vertellen.”

Simone: “Oké, zeg jij maar hoe het werkt, jij vertelt het altijd beter.”

Cees: “Soms maakt Simone een foto en dan denk ik later: ja heel goed, die heb ik zelf al gezien.”

Simone, schaterend: “Ha, ha, dat is een goeie, copyright Cees Nooteboom!”

Cees: “Dat bedoel ik niet, maar vaak heb jij precies de goeie foto gemaakt bij een beeld dat ik al in mijn hoofd had.”

Simone, weer tegen de interviewer: “Ja, maar Cees kan soms ook dwingend zijn, dan sta ik echt te stampvoeten. Dat klinkt nu heel beladen, maar dan word ik verstoord in mijn gedachten, ik wil het beeld zelf veroveren. ‘Maak daar eens een foto van.’ Van zo’n vraag krijg ik het heel benauwd. Misschien wil ik er wel eerst drie keer omheen lopen.”

Cees: “Soms kan het lastig zijn met mij. In Duitsland heb ik niet voor niets de bijnaam Der Augenmensch, ik ben op zich al een schrijvende camera.”

Hij pakt er maar eens foto bij van Simone: een haarscherpe foto, bijna een schilderij, waarop onder de oppervlakte van het azuurblauwe lagunewater zeewier rond kronkelt. Werkelijk een plaat om in te lijsten.

Cees: “Dan sta ik aan een kade, zie ik dat wier heen en weer wiegen en denk ik: het boek heet niet voor niets Venetië – de stad, de leeuw en het water, met dat water moet qua beeld wel iets speciaals gebeuren. Ik heb Simone er echt van moeten overtuigen om die foto met dat zeewier te maken.”

Simone: “Het moet uit mezelf komen, dus eerst wou ik dat niet.”

Cees: “Simone weigert vaak genoeg, zij is de fotograaf, maar het kan ook zijn dat ik later zie wat een foto nog meer aan mogelijkheden heeft, dat ik denk: dat moet je zo en zo aansnijden.”

Intussen hebben ze samen al een groot aantal boeken op hun naam, maar op het omslag staat meestal alleen maar Cees Nooteboom. En binnenin, in de tekst, kom je zijn trouwe reisgenoot sporadisch tegen.

Cees: “Gerrit Komrij heeft eens geschreven: ‘Nooteboom liegt al bij voorbaat in zijn reisboeken, want hij schrijft: ‘ik... ik... ik’. Terwijl iedereen weet dat hij altijd op stap is met zijn vriendin, de fotograaf Simone Sassen.’ Maar moet ik dan voortdurend ‘wij’ schrijven? Ik observeer toch in mijn eentje. Het is belachelijk om te doen alsof je alles samen ziet.”

Simone: “Dat zou ook een vreselijk slecht boek opleveren. Ik hoef niet genoemd te worden. Ik zie het zo: als ik als onafhankelijke lezer later in zo’n boek van Cees ineens een of andere trut voorbij zie komen die hij toevallig bij zich heeft, dan zou ik dat alleen maar ontregelend vinden.”

Zou Simone er dan niet een keer helemaal alleen, in ieder geval zonder Cees, op uit willen trekken als documentair fotograaf? Cees, opnieuw alvast antwoord gevend: “Er is iets merkwaardigs aan Simone: zij is niet ambitieus.”

Simone: “Nou, wel in het maken van sterke beelden, maar inderdaad niet in het zelf eropuit gaan.” Cees: “Ook niet in eigen exposities, of ’n heel eigen fotoboek, dat hoeft voor haar niet zozeer. Dat mag ik zo toch wel zeggen, Simone?”

Simone: “Ja hoor. Ik fotografeer alleen als ik op reis ben met jou en dat vind ik prima zo. In mijn eentje op pad gaan zou voor mij nergens op slaan. Ik ben voordat ik Cees ontmoette ook nooit zo’n backpacker geweest. Cees is de tank, hij stippelt de reizen uit. En voordat ik hem veertig jaar geleden leerde kennen, werkte ik in musea, was ik weliswaar constant met beeld bezig, maar nauwelijks met fotograferen.”

Cees: “Ik heb dat op deze manier nog nooit zo uitgesproken, maar ik vraag me nu af: als ik dood omval, ga je dan nog door met de fotografie?”

Simone: “Gelukkig is het zover nog lang niet, maar ik kan bij dezen zeggen: ja, absoluut, het boeit me enorm, ik zit nu helemaal verdiept in mijn archief. Er is nog zoveel, ik ben eigenlijk nu pas goed op dreef.”

Het gesprek kabbelt richting een verlate lunch. Op het vuur staat een pan stevige soep te geuren. Simone dekt de tafel, stopt een paar sneetjes Duits zwartbrood in de toaster en Nooteboom voelt ineens de dringende behoefte zich terug te trekken met zijn Financial Times. “Ik heb voorlopig wel weer genoeg gezegd, ik ga eens lekker de krant lezen, dan kun jij, zonder mij erbij, eindelijk alles aan Simone vragen.”

Terwijl Simone in de pan met soep roert, vertelt ze over hun reizen naar Japan, Latijns-Amerika en de Verenigde Staten: “We zijn een geweldig team, maar ik ga altijd mijn eigen gang, ik ben nooit met Cees op reis gegaan uit aanbidding voor het grote genie. Ik ben niet geschikt om me helemaal te laten leiden, onmogelijk, dan zou ik al na één week gillend zijn weggerend. Toch krijg ik van vooral vrouwen nog weleens te horen: ‘Simone, ik begrijp niet hoe jij het uithoudt met Cees, ongelooflijk wat jij je als vrouw allemaal laat aanleunen.’ Ik snap dan niet waarover ze het hebben en antwoord altijd: ‘Als ik een probleem heb, hoor je het wel.’”

‘Dat rare leven van mij, dat uitwaaiert in alle windrichtingen, zijn wortels heeft in allerlei landen en talen – ga er maar eens aanstaan. Daar hoef ik zelf echt niet meer bij te zijn.’

Natuurlijk is er onderweg weleens onenigheid tussen de twee, waren er situaties waar zij zich niet zo senang bij voelde. Komt omdat Cees een tikkeltje onverschrokkener is, zegt ze. “Cees gaat vaak net een stap verder. Ik weet nog goed dat ik met hem door een achterbuurt van New York liep, dure camera’s om m’n nek. Ik dacht: als ik hier maar levend uitkom. Op een gegeven moment zei ik: dit kun je beter alleen doen, zonder een vrouw erbij. Toen heeft Cees keurig een taxi voor me besteld en daarna maakte ik me dan weer zorgen om hem, haatte ik mezelf dat ik veilig in het hotel zat, hem alleen had achtergelaten. Maar achteraf was er niets aan de hand; hij kwam fluitend terug. Cees bezit een natuurlijke rust, beschikt over een wonderbaarlijke kalmte.”

Als de soep is opgediend en de schrijver weer is aangeschoven, blijkt etenstijd bij de Nootebooms ook literaire anekdotentijd te zijn. Voor een sappig verhaal uit de knetterende letteren kun je rustig bij hem aankloppen. Zoals deze, over journalist, ontwerper en oud-D66-politicus Edo Spier, die in 1962 trouwde met voormalig Miss World, Corine Rottschäfer. Cees: “Weet je wat die gemene Jan Hein Donner toen tegen Edo zei: ‘Nu heb je eindelijk een vrouw met een titel.’”

Schaakgrootmeester Jan Hein Donner gedroeg zich weer als de tovenaarsleerling van Harry Mulisch, met wie Nooteboom bevriend was en het lidmaatschap van de vermaarde Herenclub deelde. Een genootschap dat inmiddels zwaar is uitgedund.

Met weemoed in zijn stem: “Als ik in Nederland ben, probeer ik nog trouw te komen, maar dan zitten we daar hooguit nog met z’n viertjes.”

Inderdaad heeft er een fikse kaalslag plaatsgevonden: Henk Hofland, Boebi Brugsma, André Spoor, Coen Stork, Martin Veltman, Gerrit Komrij, Hans van Mierlo, ze zijn er allemaal niet meer. En het zelfbenoemde opperhoofd Mulisch zal ook node worden gemist.

Tussen Mulisch en Nooteboom sluimerde altijd artistieke rivaliteit, vooral als het om succes in het buitenland ging. In 1993 besprak de Duitse literatuurpaus Marcel Reich-Ranicki in zijn tv-programma Das Literarische Quartett zowel de Duitse vertaling van Mulisch’ De ontdekking van de hemel als Nootebooms Rituelen. Mulisch kwam er veel slechter vanaf dan hij.

Nooteboom: “Harry was zwaar teleurgesteld en zei tegen mij: ‘Ik had altijd gedacht dat jij Frankrijk voor je rekening zou nemen en ik Duitsland.’”

Mulisch had zelfs een militaire pikorde voor ogen. “Harry wordt vaak geroemd om zijn ongegeneerde ijdelheid, maar ik betwijfel of dat nou zijn beste eigenschap was. Op een gegeven moment zei hij tegen mij: ‘In de Nederlandse literatuur ben ik een veldmaarschalk en jij een overste.’

Maar ik ken ook mijn klassieken, dus toen we elkaar later weer zagen, wierp ik tegen: ‘Harry, heb jij er weleens over nagedacht hoe het met de meeste veldmaarschalken is afgelopen? Laten we eens beginnen met Keitel of Pétain.’ Maar dat kon hij prima hebben. Harry genoot ervan.”

Aangezien Nooteboom een van de laatste der Mohikanen is, krijgt hij veel interview verzoeken van biografen. Inlichtingen verstrekt hij schoorvoetend: “Hugo Claus, Boudewijn Büch, Sylvia Kristel, Henk Hofland, noem maar op, al die biografen komen naar mij toe. Maar ik wou er liever geen beroep van maken, want als het zo doorgaat, word ik binnenkort uitgeroepen tot de lijkbezorger van de Nederlandse literatuur. Daar pas ik voor.”

En een biografie over hemzelf, wordt dat zo langzaamaan niet eens tijd? Nu kan hij immers zelf nog een biograaf aanwijzen. Op deze vraag trekt de schrijver een bedenkelijk gezicht. Hij wil niet dat de mensen gaan denken: wat verbeeldt die Nooteboom zich wel, dat hij bij leven al een biografie verdient. Om ten slotte met een zachtaardige grijns te antwoorden: “Bovendien, dat rare leven van mij, dat uitwaaiert in alle windrichtingen, zijn wortels heeft in allerlei landen en talen – ga er maar eens aanstaan. Daar hoef ik zelf echt niet meer bij te zijn.”

Nooteboom over schrijven & leven

Is schrijven een beroep, kunt ervan rondkomen?

“Ja. Moet je je voorstellen: voor de Zuid-Koreaanse vertaling van Philip en de anderen heb ik zojuist voor de derde keer een contractverlenging gekregen. Ik schreef aan een vriend: ‘Daar heeft een jongen van 21 maar mooi in 1954 geld verdiend voor deze oude schrijver.’”

Wat wilde vroeger worden?

“Niets. Er is ook niets waarover schrijvers zo liegen als over hun pre-existentie als schrijver.”

Waarmee schrijft u?

“Tot en met Allerzielen (1998) bezit ik nog alle handschriften van mijn romans. Tegenwoordig schrijf ik op een computer. Nee, het is niet zo dat Simone mijn manuscripten uittikt, zoals de vrouw van Vladimir Nabokov of Adri van der Heijden. Simone zou mijn handschrift niet eens kunnen ontcijferen.”

Luistert naar muziek tijdens het schrijven?

“Ik ben helemaal gek van bepaalde componisten. Het volgende verhaal (1991) heb ik geschreven bij de preludes en sonates van Sjostakovitsj.”

Wanneer schrijft het liefst?

“Het klinkt misschien raadselachtig, maar het best op een dag waarop ik met een boek kan beginnen. Er bestaan geen voorkeurstijdstippen.”

Gelooft in inspiratie?

“Ja. Ik dacht dat mijn poëtische ader was opgedroogd, dat ik met T.S. Eliot moest concluderen: ‘There is an age when poetry no longer happens.’ Maar twee jaar geleden, tijdens een verblijf op Schiermonnikoog, vloog de inspiratie me aan en schreef ik vrijwel in één ruk de dichtbundel Monniksoog.”

Drinkt of rookt tijdens het schrijven?

“Ik neem weleens een glas wijn als het schrijven lekker gaat, maar overdag drink ik liever niet. Met roken ben ik in 1989 gestopt. Ik woonde in Berlijn. Daarvoor was ik een straffe paffer. Toen viel plotseling de Muur en moest ik voor de Volkskrant een stuk schrijven. Ik dacht: ik kan dit artikel niet schrijven zonder te roken. Maar het is toch gelukt. Mijn gedachten gingen destijds uit naar Jan Hein Donner, die rookte voordat hij een hersenbloeding kreeg zestig Camels per dag en zei tegen mij: ‘De wilskracht, idioot, die ik nodig heb om ooit nog één sigaret op te steken, daar heb jij geen idee van!’”

Wat doet om te ontspannen?

“Veel wandelen of uit eten gaan. Als ik al mijn werk bij elkaar zie staan, begrijp ik niet hoe ik het ’m heb geflikt.”

Houdt rekening met de lezer?

“Niet echt, maar als ik iets voorlees, voel ik wel een aangename spanning, een verbinding met de zaal.”

Heeft u een idee over uw nalatenschap?

“Je weet tegenwoordig absoluut niet hoeveel je boeken na je dood nog zullen betekenen.”