Wie een vluchtige blik werpt op de verkoopcijfers van boeken in het voorgaande jaar (43 miljoen), zou nog kunnen denken dat het niet slecht gaat. Wie echter een minder vluchtige blik werpt op de wekelijkse Bestseller 60-lijst, zal een zucht niet kunnen onderdrukken: naar een Nederlandse roman van enige kwaliteit is het lang zoeken. Het lijkt er soms op dat fictie stilaan aan het verdwijnen is, net als goedgevulde boekenkasten uit de interieurs van moderne mensen. Wat niet helpt, zijn de onderwijstypes die het belangrijker vinden dát jongeren iets lezen, dan dat ze iets goeds lezen. Op die manier breng je ze ook niet meer in contact met verhalen van vroeger, en raakt een groot deel van de literaire cultuur verweesd. De verbeelding als bron waaraan alles van waarde ontspruit, en de concentratie die een klassiek verhaal van een lezer vraagt, zijn in de verdrukking gekomen.
Aanleidingen te over om te vervallen in pessimisme. Maar een kunstenaar staat ook een andere weg open om op deze zorgelijke tendensen te reageren: met kunst, het bewijs dat er een vitale repliek mogelijk is. Romancière Marente de Moor is daarvoor de aangewezen persoon. Nadat ze met een aantal spannende en inventieve romans liet zien dat een historische roman ook van déze tijd kan zijn (De Nederlandse maagd, 2010), en dat een verhaal dat speelt in een uithoek van Rusland ook over óns kan gaan (Foon, 2018), laat ze in De bandagist (een vertrouwenwekkend oud en degelijk woord) haar spiedend oog los op hedendaags Amsterdam.
Ook dit keer blijkt haar specialisme het signaleren van contrasten: waar die botsen en knetteren, wordt een verhaal geboren. Direct bij aanvang blikt de verteller Joost (29) om zich heen: “Het is niet omdat ik niet fit ben dat het me niet meer lukt om van a naar b door de stad te racen. Het is gewoon stampend druk geworden. Een situatie die nog een beetje in goede banen wordt geleid dankzij de luxe die naar de inwoners wordt gegooid als pepernoten in een kleuterklas, maar er zit beleid achter. Let maar eens op de etalages van winkels en horeca, hoe die de rust proberen te bewaren met sobere en aardse kleuren en korte namen. Geen ruis, a.u.b. Blijf kalm, draag gevoerde slippers en neem plaats op een fluwelen bank voor onze gecapitonneerde wand, verwond uzelf niet, neem uw medicijn van kurkuma en chlorella, draag witte ruis in uw oordopjes en adem in, adem uit. En het werkt, griezelig genoeg. Ondanks alles kun je op veel plekken in deze stad een speld horen vallen. Waar zijn de schreeuwers gebleven? Vroeger stond er op elke straathoek wel iemand te raaskallen. Foetsie. Iets of iemand heeft ze verwijderd.”
Lezers hebben recht op dromen, fictie, wereldvreemdheid zelfs die hun redding is.
Die is iets op het spoor. Joost is de bandagist uit de titel, hij fietst de stad rond om oudjes ortheses en steunkousen aan te doen, en merkt dat zij dikwijls beschikken over enorme bibliotheken. Oud en eenzaam zijn ze, hun voeten willen niet meer, en daarom komen ze weinig buiten. Maar ze hebben kasten van huizen, beschikken over tijd, én over de literatuur van Dostojevski, Flaubert, Céline, Gogol en Elsschot die in Het been (1938), de opvolger van de klassieker Lijmen, al liet zien dat een opgezwollen en onwillig onderstel voor veel ontwrichting kan zorgen.
En dan nog iets: Joost was liever gitarist geworden, maar door corona (geen optredens) moest hij op zoek naar een ander baantje. Al heeft hij nu een beetje geld, een huis kan hij niet krijgen. Hier en daar past hij op andermans huis. Reizend van bejaarde klant naar klant, begint hem veel te dagen; de dementerende en gebrekkige ouderen staan ver af van de fatbikes, de drukte, en de permanente online-wereld van de generaties die de hele dag alles maar delen zonder ergens bij stil te staan. Maar intussen houden ze een beschaving van traagheid in stand, waar wij nog veel van kunnen leren.
Als je het verband ziet, kun je het ook zelf aanbrengen. Dat is het mooie van De Moors vondst: haar hoofdpersoon is in letterlijke zin ‘een man van verwikkelingen’, een Joost die het mag weten, pendelaar tussen werelden, die bij een voormalig mannequin met een klapvoet en een tekort aan aandacht – mevrouw Swarovski (pseudoniem), die niet gewoon woont maar resideert aan de Herengracht – ontdekt dat er intrigerende geheimen zijn, in dat gigantische huis en in haar verleden. Ze begint dingen door elkaar te halen, zoals veel bejaarden, maar Joost vraagt zich af wie er nou verstrooid is, zij of wij? “Ik bedoel, wij kunnen nergens onze gedachten bij houden en laten ons de hele tijd onderbreken. Maar zij! Die generatie concentreert zich op dingen die ons verstand te boven gaan. Ze hebben kennis. Belangrijker nog: ze hebben context. Ze plukken niet snel een quote van het net die in hun straatje past, ze kennen de hele redenatie.”
De contrasten gaan nog aangenamer knetteren als Joost op een avond clandestien via het souterrain het pand van Swarovski nader inspecteert, en een zolderetage aantreft die blijkbaar door wijlen haar man werd bewoond: bureau, boekenkast, bed, pijp, pantoffels. Stiekem neemt Joost hier zijn intrek, en vraagt zijn vriendin Umay om erbij te komen. Aangezien de dame des huizes aan het schemeren is, hebben ze vrij spel, en begint de bandagist serieus werk te maken van de keuken en de badkamer die zijn nieuwe appartement zouden completeren. Intussen leest hij Dostojevski, en begint zijn lezer te vrezen dat hij in een hedendaagse Raskolnikov verandert, de arme voormalige student die in Misdaad en straf zijn rijke hospita (en haar zus) met een bijl ombrengt.
Op dat punt in De bandagist heeft De Moor haar lezer een weldadig schemergebied in gedirigeerd: het ontoegankelijke Amsterdam is weer een oord geworden waar je markante personages kunt aantreffen, bruine kroegen nog nét bestaan, waar niet alle wegen worden verstopt door protestmarsen van verongelijkte activisten met hun humorloze leuzen, en waar nog niet alle aantrekkelijke panden zijn opgekocht door vastgoedlui voor wie de realiteit het evangelie is en die nog nooit van verbeelding hebben gehoord.
Concentratie, daar gaat het om. Je hoeft niet op reis te gaan, mits je boeken om je heen hebt. Of zoals een wat zweverige vriendin tegen Joost zegt, over dementerenden: “Misschien gaan zij niet achteruit, maar verstrijkt onze tijd gewoon te snel. Heb je daar wel eens bij stilgestaan?”
Daar denkt hij over na, als hij thuis niet op zijn telefoon kan kijken (geen bereik), maar onder invloed van een joint het uitzicht tot zich neemt: “De stroom van de vergetelheid weerkaatste de schittering van de straatlantaarns, gevelverlichting, terraslampen. Hoog daarboven hing een kleine sikkelmaan in een verder hoogbejaard heelal, dat met troebele ogen neerkeek op de stad.”
Niks meer aan doen. Lezers hebben recht op dromen, fictie, wereldvreemdheid zelfs die hun redding is. Vakvrouw Marente de Moor is een bandagiste die ons gebroken wereldbeeld in de windselen van een zinderende vertelling hult. Zolang we ons door een roman kunnen laten vervoeren, is er hoop op genezing van de realiteit. Hoe lang moge ongewis zijn; maar nu kán het nog.
Marente de Moor
De bandagist
Prometheus
€24,99



