Cultuur

Nop Maas (1949-2026): de knecht van de grote schrijvers

Een halve eeuw lang tekende literatuurhistoricus Nop Maas, die op 76-jarige leeftijd is overleden, het leven van anderen op: Gerard Reve, wiens biografie hij in drie kloeke delen schreef, Hanny Michaelis, wier oorlogsdagboeken hij bezorgde, en de negentiende-eeuwers van wie hij hield. Zichzelf rekende hij niet tot de groten. ‘Literatuurhistorici zijn knechten die in stilte hun werk doen,’ zei hij in dit interview uit 2024.

22/05 | 2026
door Willem Pekelder
Leestijd 12 min
Nederland, Amsterdam , Bijenkorf . 20110312 . 12 maart 2011 . Feest der Letteren in de Bijenkorf in Amsterdam . Rond 25 bekende Nederlandse schrijvers gaven er tijdens het Feest der letteren voordrachten en signeerden hun werk. De Bijenkorf staat in de maand maart traditioneel in het teken van de literaire boekenmaand. Nop Maas . foto & copyright Amaury Miller
foto: ANP / Amaury Miller

Op het leestafeltje in de serre ligt De buik van Parijs van Émile Zola. “Het is niet zijn sterkste boek, hoor,” zegt Nop Maas. “Zola heeft een beetje de neiging om één aspect van het leven eruit te lichten. In dit boek bijvoorbeeld is dat de voedselvoorziening van Parijs. Pagina’s lang gaat hij door over de knollen, de vleeswaren, et cetera die worden verhandeld in de Hallen van Parijs. Moet ik dat allemaal weten, vraag ik mij bij herlezing af. Maar goed, Zola is natuurlijk een groot schrijver. Zijn plot is geweldig, en zijn stijl amusant.”

Gekleed in een zwarte broek, blauwgrijze trui en een rood shawltje ontvangt de literatuurhistoricus in zijn woning in een lommerrijke buurt te Haarlem. Hij woont er met communicatieadviseur Joep Jaspers, met wie hij al veertig jaar samen is. 

Ten tijde van het interview is hij juist een paar dagen terug uit het ziekenhuis, waar een stukje lever werd weggenomen. “Drie jaar geleden kreeg ik darmkanker en af en toe heb ik te maken met uitzaaiingen. Afgelopen december bijvoorbeeld is een stukje long geamputeerd. Maar op zich zaaien die uitzaaiingen weer niet uit, dus volgens de arts kan ik de honderd halen.”

In december wordt Nop Maas 75 jaar. Hij is dan tevens een halve eeuw literatuurhistoricus, met een speciale belangstelling voor de letterkunde van de negentiende eeuw. Zijn liefde voor dat literaire tijdvak ontvlamde op het Sint-Janslyceum in Hoensbroek. “Als gymnasiast was ik zo krankzinnig om uit de bibliotheek complete jaargangen van De Nieuwe Taalgids mee naar huis te nemen. Daarin las ik over Tachtigers als Willem Kloos en Jacques Perk. In de eindexamenklas maakte ik kennis met de roman Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants. Het boek dateert van 1894 en is voor die tijd zeer modern: in de ik-vorm geschreven met een dégénéré als hoofdfiguur. Nu zou je zeggen: een tobber, zoals je die kan aantreffen in het werk van naoorlogse auteurs als Gerard Reve en Willem Frederik Hermans. Emants liep met zijn ik-figuur, lijdend aan de zinloosheid van het bestaan, vijftig jaar voorop, zou je kunnen zeggen.”

Als gymnasiast was ik zo krankzinnig om uit de bibliotheek complete jaargangen van De Nieuwe Taalgids mee naar huis te nemen.

In 1988 promoveerde Maas op de naturalistische schrijver aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. “Zeker herkende ik mij als puber in de ontheemding van Emants’ ik-figuur. Niet voor niets heb ik Een nagelaten bekentenis wel een keer of vijftien gelezenDat gevoel buitenstaander te zijn heb ik mijn hele leven gehouden. Tot mijn grote tevredenheid, overigens. Ik ben niet iemand die in een voetbalstadion mee gaat zitten juichen met de massa. Integendeel, ik word er bang van.”

Zijn angst voor groepen ervoer Maas voor het eerst op het kleinseminarie in Schimmert. “Er zat een jongen in de klas met uitslag achter zijn oren. Ik herinner mij dat op een gegeven moment de hele klas hem stond uit te jouwen. Schurft, schurft, schurft, riepen ze. Die jongen was in tranen. Ik nam niet deel aan de scheldpartij, was er alleen maar heel verbaasd over. Een paar jaar later deed zich iets soortgelijks voor. Ton Simons, een wat feminiene jongen, kreeg in de eetzaal plots een golf van gejoel over zich heen: Siem, Siem, Siem. Vanaf toen wist ik: groepen zijn gevaarlijk.”

Na het kleinseminarie en het Sint-Janslyceum volgde de Katholieke Universiteit Nijmegen, waar Maas Nederlandse taal- en letterkunde studeerde en later docent werd. “In het academisch milieu van toen heerste de idee dat literatuur een soort eigenstandig product was, dat weinig met de werkelijkheid van doen had. Het ging tijdens colleges vooral om tekstkritiek. Maar wat mij nou juist zo aansprak in die negentiende-eeuwse auteurs was dat ze zich van die idee niets aantrokken. J.J. Cremer, Conrad Busken Huet en Allard Pierson hielden er stuk voor stuk een kritische praktijk op na. Cremer bijvoorbeeld kaartte, net als Charles Dickens, sociale kwesties aan, ofschoon hij het niveau van zijn Britse inspirator nooit bereikte.”

Gefascineerd is Maas door de literaire trucs die schrijvers toepasten om een omstreden boodschap te verkondigen. “In Lidewyde van Busken Huet wordt de nihilistische dokter Ruardi veroordeeld door de alwetende verteller. Maar de goede verstaander begrijpt dat Ruardi precies de opinie van de schrijver verwoordt, al blijft de laatste, dankzij die verteller, veilig buiten schot. Een prachtig literair spel, nietwaar: zeggen wat je eigenlijk niet mág zeggen. Laten we wel wezen, literatuur die alleen maar literatuurt, daar heeft natuurlijk niemand iets aan.”

Ziet Maas pregnante verschillen tussen de negentiende-eeuwse literatuur en die van nu? Nadenkend draaiend met zijn duimen: “Een tendens die je kunt bespeuren is dat er in de naoorlogse literatuur in toenemende mate wordt gepsychologiseerd. Dat levert vaak wat navelstaarderige boeken op over problematische figuren met moeizame relaties. Arnon Grunberg doet daar gelukkig niet aan mee. Elk van zijn romans bevat een reeks statements die zó in de Succes Agenda van de weldenkende mens kunnen. Ik bewonder Grunberg daarom zeer. Hij lijkt in die zin op een negentiende-eeuwer als Busken Huet.”

Een andere schrijver voor wie Nop Maas veel bewondering heeft is Hanny Michaelis, ex-vrouw van Gerard Reve. Hij bezorgde enkele jaren geleden haar oorlogsdagboeken Lenteloos voorjaar en De wereld waar ik buiten sta, en is zeer onder de indruk van wat ze als jonge Joodse vrouw noteerde. “Het is ongelooflijk hoe uitgebreid en gedetailleerd ze de gevolgen van de oorlog in haar directe omgeving beschrijft. De foute leraren op het Vossius Gymnasium, de Joodse leraren die er worden weggevoerd en de daaruit voortvloeiende leerlingenstaking, die van harte door Hanny wordt ondersteund. En dan haar tijd als dienstmeisje bij schrijfster Jeanne van Schaik-Willing, die literaire salons organiseert waar Hanny zorgvuldig buiten wordt gehouden.”

Maas denkt dat de dagboeken van Michaelis voor het doorgronden van het lot van de Joodse onderduikers belangrijker zijn dan die van Anne Frank en Etty Hillesum. “In Een adres, een recent boek van Michal Citroen over de Joodse onderduik, wordt Hanny heel vaak geciteerd. En terecht. Er is in het genre geen tweede oorlogsgetuigenis zo uitgebreid en zo goed geschreven als dit. Bijvoorbeeld over de cultuurshock die Hanny ervaart tijdens haar onderduik bij een domineesfamilie in Leiden. Op zich een prima gezin, ze willen zelfs een piano voor haar kopen, en Hanny stemt uit dank voor haar onderduik de rest van haar leven op een van de kleine gereformeerde partijen. Maar ze hoort daar ook een groepje jongeren negatief praten over Joden. Dat soort schrijnende passages vind je nergens elders. De voortdurende onrust over wat er met haar ouders is gebeurd, is bijna tastbaar. Ze werden in 1943 omgebracht in vernietigingskamp Sobibor.”

Maas schreef twee boeken over de dichter Michaelis. In 2002 Verst verleden over haar jeugdherinneringenafgelopen maart gevolgd door Vastgenageld aan de rand van het niets. Maas noemt zijn nieuwste schepping geen biografie, maar een verzameling herinneringen en opinies die hij tijdens talloze gesprekken met Michaelis opnam op de band.

Opvallend is hoe negatief Michaelis over zichzelf en haar poëzie spreekt (“De Anna Bijnsprijs? Die krijgen alle wijven als ze maar lang genoeg volhouden”). Terwijl die gedichten toch nog altijd door de ziel snijden. Je hoeft ‘Neem mij tot je’ of ‘Sinds’ maar te lezen om te voelen hoe eenzaam Michaelis was, ja hoezeer ze ernaar verlangde zelfs helemaal niet op aarde te hoeven rondlopen. Wat was toch die diepe pijn van de in 2007 overleden dichter? Maas: “Ze vond allereerst dat ze niet voldeed aan het schoonheidsideaal: klein, lelijk haar, enzovoorts. Verder werd ze steeds verliefd op mannen die al getrouwd waren of niet geschikt voor het huwelijk. Als een man haar slecht behandelde, was ze niet in staat hem ter verantwoording te roepen. U moet haar ongeluk tegen de spiegel van die tijd zien. Wanneer je in de jaren vijftig en zestig geen man had, was je als vrouw mislukt. Wat ze van jongs af aan heeft gedaan, is hunkeren vanuit de verte. Dat deed ze op het Vossius al. Ze was smoorverliefd op Martin, die een paar klassen hoger zat, maar ze wisselde nooit een woord met hem.”

Haar bitterheid over het bestaan uitte ze onverbloemd. Een tong als een slagzwaard, zo omschrijft Michaelis haar vermogen om anderen maar ook zichzelf genadeloos te kritiseren. In Vastgenageld aan de rand van het niets – een titel die slaat op haar idee van het leven: een akelig ravijn waar je machteloos boven bungelt – geeft ze een paar staaltjes van die verbale vaardigheid ten beste. Over burgemeester Ed van Thijn: “Hem zou ik het liefst persoonlijk kelen. Een vreselijke man is het. Ook het vleesgeworden opportunisme. En een slechte burgemeester.”

En over wethouder Han Lammers, haar baas op de afdeling Kunstzaken van de gemeente Amsterdam: “In het begin had ik een hekel aan hem, want ik kende hem van zijn grote bek bij Nieuw Links.” Later krijgt ze een verhouding met Lammers, maar ook dat loopt weer op niets uit. Maas: “Lammers was een enorme charmeur, die het met iedereen deed die een rok droeg. Daarbij was hij niet zo’n ster in het afhechten van misgelopen relaties, om het zo maar even te omschrijven. Alleen met Reve heeft Hanny een relatief prettige verhouding gehad. Ze voelde zich bij hem geborgen.”

Wat is de nalatenschap van Hanny Michaelis? “Haar poëzie,” antwoordt Maas zonder aarzelen. “Ze stopte in 1971 met dichten, maar haar verzameld werk, voor de eerste keer gepubliceerd in 1996, is al aan een zesde druk toe. Hanny’s poëzie is nog altijd zeer toegankelijk, ook al was ze er zelf, dat klopt, meestal niet tevreden over.”

Michaelis werd altijd uitgegeven door Van Oorschot. Maar, zo bleek bij de voorbereiding van dit artikel: Wouter van Oorschot heeft zich vóór de verkoop van de uitgeverij in 2015 persoonlijk meester gemaakt van haar auteursrecht. Waar is dát in hemelsnaam goed voor geweest? Er valt een lange stilte in huize Maas en dan: “Hanny heeft haar auteursrecht nadrukkelijk nagelaten aan uitgeverij Van Oorschot. Wouter heeft dat als directeur van de uitgeverij later overgeheveld naar zijn persoonlijke bv. Juridisch zal dat wel in orde zijn, maar moreel gezien is het dubieus: hij onttrekt inkomsten aan de uitgeverij en handelt absoluut tegen de bedoeling van Hanny Michaelis.” Wouter van Oorschot onthoudt zich desgevraagd van commentaar.

Maas kwam voor het eerst met Michaelis in contact, toen bij hem een kwarteeuw geleden het idee rijpte om een biografie te schrijven over Gerard Reve. Dat voornemen kwam min of meer uit de lucht vallen. Maas maakte al de annotaties bij de brievenboeken van Reve, waarbij het hem hinderde dat hij alleen beschikte over de brieven die de auteur zelf had geschreven en dus niet de antwoordbrieven. Eind jaren negentig kwam hij tot zijn grote vreugde in het bezit van vier metalen koffers met binnengekomen post van Reve. De kisten stonden toch maar in de weg in Machelen-aan-de-Leie, waar Reve woonde met zijn vriend Joop Schafthuizen.

Maas kon verder met zijn annotaties. Maar veel meer dan dat. “Ik zag die schat aan informatie als een impliciete opdracht voor een biografie. Ik was ongelooflijk opgewonden over die brieven. Op de terugweg van Machelen naar Nederland heb ik er al verschillende uit de doos gegrist en gelezen. In die tijd ben ik voor het eerst in gesprek geraakt met Hanny. We konden het erg goed met elkaar vinden, en werden vrienden. Ik was ook wel een beetje een luisterend oor voor haar. U hoort dat ik het steeds over Hanny heb, en niet over Michaelis. Maar ik spreek doorgaans wel van Reve en Schafthuizen. Met hen was geen duurzame vriendschap mogelijk.”=

In de naoorlogse literatuur wordt in toenemende mate gepsychologiseerd. Dat levert vaak wat navelstaarderige boeken op.

De totstandkoming van die driedelige biografie, getiteld Kroniek van een schuldig leven, verliep moeizaam, met name het laatste deel. Maas beschrijft het wordingsproces en dat van andere Reve-projecten in zijn boek Uren met Joop Schafthuizen (2021). De partner van Gerard Reve was, volgens dat boek, een bron van problemen die keer op keer beloften verbrak, blokkades opwierp, nachtelijke scheldkanonnades insprak op Maas’ antwoordapparaat, en hem bedreigde met de dood. 

Hoe hield Maas het vol? Een diepe zucht en dan: “Het was áltijd moeilijk. Toen Dick Gubbels van uitgeverij Veen mij vroeg annotaties te maken voor de brievenboeken, hadden Reve en Schafthuizen juist Sjaak Hubregtse weggestuurd, die zich eerder met dat karwei had beziggehouden. Dick waarschuwde mij daarom: houd afstand, anders krijg je geheid mot. Met Reve, die in een later stadium ging dementeren, heb ik nooit problemen gehad. Integendeel. Ik voelde me geïmponeerd dat ik ineens aan tafel zat met een schrijver die ik zeer bewonderde. De last kwam altijd van Schafthuizen. Hij was voortdurend bang dat Reve-vorsers als ik er met de familiejuwelen vandoor zouden gaan. Verschillende Reve-biografen sneuvelden vroegtijdig. Journalist Tom Rooduijn als laatste. Het probleem is dat Schafthuizen er nogal wonderlijke ideeën op nahoudt. Zo wilde hij vooraf een synopsis van de biografie. Maar hoe moet je in hemelsnaam een synopsis schrijven als je nog niks hebt onderzocht?”

Over deel één en twee van de biografie deed Schafthuizen niet moeilijk, omdat hij, zo vertelt Maas, daar niet in voorkwam. De problemen ontstonden pas bij deel drie, dat wél deels over Schafthuizen handelde, en waarover Maas in Uren met Joop Schafthuizen uitgebreid rapporteert. Er ontspon zich een bijna twee jaar durende rechtszaak, waarin Schafhuizen de publicatie van het derde deel probeerde te verbieden, met als argument dat zonder zijn toestemming gebruik zou zijn gemaakt van niet eerder gepubliceerd materiaal van Reve. 

Uiteindelijk verscheen het slotdeel in juni 2012 alsnog. Maar wel met de nodige coupures. Onder meer een aantal passages over Schafhuizen was geschrapt. “Deel drie is door de rechtsgang in zeker opzicht geschaad,” vindt Maas. “Zo mocht ik allerlei bedragen van voorschotten niet noemen. Schafthuizen was als de dood dat de Belastingdienst zou komen met navorderingen. Wat onzin is, want die financiële kwesties waren allang verjaard. Maar goed, het slotdeel laat door die hele voorgeschiedenis wel vragen open.”

Met Schafthuizen kwam het nooit meer goed, wat misschien niet zo verwonderlijk is als men bedenkt dat hij Maas meermalen met de dood bedreigde. “Ik heb daar destijds aangifte van gedaan en ik geloof dat Schafthuizen nog eens is veroordeeld tot een boete van 75 euro of zoiets. Of ik bang was in die tijd? Nou, in die zin dat ik vreesde dat Schafthuizen voldoende contacten had om een hitman op me af te sturen.”

Hoe zal Gerard Reve, overleden in 2006, in onze herinnering blijven voortleven? Vooral als een briljant stylist, niet zozeer als een groot romancier, denkt Maas. “In feite heeft Reve maar één echte roman geschreven, het onderschatte meesterwerk Bezorgde ouders. Voor de rest bestaat zijn oeuvre vooral uit gebundelde losse verhalen. Op die wijze debuteerde hij met De avonden in 1947en zo ging hij zijn hele carrière voort.”

Koffie inschenkend: “Hermans was in feite een veel grotere romancier, ofschoon je van Reve dan weer kunt zeggen dat hij een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de bevrijding van homo’s. Hij durfde over homoseksualiteit te schrijven op een manier die we, voorzichtig uitgedrukt, in Nederland niet gewend waren.”

Niet alleen met Gerard Reve, ook met zijn broer Karel van het Reve hield literatuurhistoricus Maas zich intensief bezig. Zo was hij mederedacteur van diens verzameld werk, dat tussen 2008 en 2011 bij Van Oorschot verscheen. “Persoonlijk heb ik Karel nauwelijks gekend, want er is slechts één ontmoeting geweest, zo’n drie weken voor zijn dood in 1999. Maar uit zijn werk blijkt een groot analytisch en essayistisch vermogen. Karel was in staat een nieuw licht te werpen op zaken en, zij het soms wat simplificerend, bestaande ideeën onderuit te halen. Een eenvoudig voorbeeld: de eeuwig brandende gloeilamp zou nooit op de markt komen, omdat Philips daarmee zijn eigen voortbestaan op het spel zou zetten.”

Karel was als man van de ratio beter te ‘proeven’ dan Gerard met zijn ‘religieuze strapatsen’, meent Maas. “Kijk, ik ben als Limburgse jongen natuurlijk katholiek opgevoed, maar ik heb de kerk verlaten en zal er nooit meer in terugkeren, tenzij ik gaga word. Dat neemt niet weg dat ik Gerards katholicisme serieus nam. En ik kon er soms ook wel in meevoelen. Wanneer ik terugdacht aan mijn studententijd op het kleinseminarie, zo’n mis van Palestrina kon je helemaal optillen.”

Er bestond een grote rivaliteit tussen de gebroeders Reve. In Maas’ biografie is te lezen hoezeer Gerard zijn broer dood wenste. Wat was dat toch voor rare vete? Maas: “Gerard heeft zich altijd de mindere gevoeld van zijn oudere broer. Karel was intelligenter, maakte makkelijker vrienden en was bovenal het lievelingetje van zijn vader. Toch werd Gerard vanaf de publicatie van De avonden beroemder dan Karel. Van Hanny Michaelis weet ik dat Karel dat moeilijk te verteren vond. Tussen de broers heeft nooit een harmonische relatie bestaan, ofschoon Karel dat wel graag had gewild. Maar ja, dan had hij in een interview met Henk Terlingen van Nieuwe Revu gezegd dat hij niets begreep van Gerards homoseksualiteit, en dan was het weer helemaal mis.”

Ik vreesde dat Joop Schafthuizen voldoende contacten had om een hitman op me af te sturen.

Wat de twee broers postuum gemeen hebben is dat ze allebei vergeten zullen worden. Karel misschien nog eerder dan Gerard, denkt Maas, vanwege de tijdgebondenheid van diens essays. “Karel heeft slechts twee romans geschreven, beide min of meer mislukt. Ach, het is ’t lot van de meeste Nederlandse schrijvers: eenmaal overleden begint de vergetelheid. Wie leest Vestdijk nog? Toch werd hij in 1965 genomineerd voor de Nobelprijs voor Literatuur. Couperus kennen we nog en Multatuli, Vondel en Hooft. Daarmee hebben we het wel zo’n beetje gehad.”

En wat zal Maas’ eigen literaire nalatenschap zijn? Bescheiden: “Literatuurhistorici zijn knechten die in stilte hun werk doen. Wij zijn op zich niet van belang. Het gaat om de schrijvers en dichters die we portretteren. Wel, als ik dan naar mijn eigen werk mag kijken, denk ik dat de oorlogsdagboeken van Hanny Michaelis historisch van groter belang zijn dan de biografie van Gerard Reve.”