Ik heb een boek over honderd jaar VPRO geschreven, omdat ik vond dat iemand dat moest doen. De VPRO, als vrijmoedige omroep, verdiende domweg dat haar geschiedenis werd opgeschreven. Door een kritische fan. Een kardinale vraag in mijn boek is: welke programma’s en makers kwamen het dichtst bij de vrijzinnige idealen van ontregelen en ontraadselen, onderzoeken en ontmaskeren, vernieuwen en verkennen. Velen waren er goed in: Van Kooten en De Bie, Phil Bloom, Hans Verhagen, Germaine Groenier, Ad ‘s Gravesande, Ireen van Ditshuyzen, Pieter Verhoeff, Marjan Luif, Han Reiziger, Harmke Pijpers, Frank Zappa, you name it, maar eentje spande de kroon.
Hij overleed op 10 juni 2026, kort na de honderdste verjaardag van de VPRO. Zijn overlijdensadvertentie in de Volkskrant, precies een week later, kon niet kaler. Eerst het woord ‘dood’, zonder hoofdletter. Dan zijn naam met de data van geboorte en overlijden. En daaronder: ‘niks aan te doen’. Ook in de annonce van zijn verscheiden blijft Willem Theodoor Schippers (1942–2026) trouw aan zijn elementaire credo.
Dat laat zich samenballen in zeven korte zinnen. Geboren worden is onzin. Leven is onzin. Doodgaan is onzin. Kunst is onzin. Televisie, de grootste galerie ter wereld, is onzin. Onzin is onontbeerlijk en de moeite waard. Daarom moet je zelfs de grootste onzin met hart en ziel maken.
Het wemelt bij de VPRO van de humortalenten: Kees van Kooten en Wim de Bie, Hans Teeuwen, Arjan Ederveen, Arjen Lubach, Armando, Cherry Duyns en Johnny van Doorn, Herman Koch, Michiel Romeijn en Kees Prins, Hans Dorrestijn, dominee Gremdaat, Marjan Luif, Rembo en Rembo, Pieter Bouwman en George van Houts, de Toren C-vrouwen, Roel Maalderink, Pien en Bianca, Merijn Scholten. Ik vergeet vast nog mensen. Maar Wim T. Schippers is ze allen de baas. Hij is geen komiek. Hij is geen wereldverbeteraar, dient geen idealen. Hij vereffent geen rekeningen, bedrijft geen satire en zocht geen carrière.
Waar schuilt dan wel zijn brille? Hij is allereerst een anti-fanaticus. Een superbe ontregelaar. Een radicale mediavernieuwer. Schepper van nieuwe audiovisuele werkelijkheden. En pestkop par excellence. Het kostte mij geen moeite om hem blijvend te bewonderen. Hoewel hij, geheel in de geest van de VPRO, onvermoeibaar het onbedoelde opzocht en het officiële tartte, behoorde Schippers tot de meest bekeken en best beluisterde VPRO-makers. Het lukte hem jaren achtereen om miljoenen mensen te irriteren. Op een dag kreeg Schippers honderdduizend gulden uit handen van Prins Bernhard. Hij had de Jacob van Looyprijs voor multitalenten gekregen. Wim zag zijn vader denken: mijn jongen moet toch wel iets kunnen.
Denk bij Wim T. aan clichés en kitsch, kabaal, ravage, ruzie, geile dromen, omvallende decors, struikelpartijen, plastic bloemen en poepkleurige canapés, alles strak geregisseerd.
Bij Schippers betekent dat lawaaiige beelden, ontsporende logica, irritante spitsvondigheden en keten met taal, muziek en geluid. Barend Servet is de mislukte reporter, Fred Haché de stuntelende showmaster en Sjef van Oekel de kotsende poppresentator. Muziek is kabaal waaraan een idee ten grondslag ligt. Denk bij Wim T. aan clichés en kitsch, kabaal, ravage, ruzie, geile dromen, omvallende decors, struikelpartijen, plastic bloemen en poepkleurige canapés, alles strak geregisseerd.
In interviews aan hoogwaardigheidsbekleders worden vreemde vragen gesteld, zoals: hoe word je dat, Excellentie, en wat schuift dat nou? Vraag Wim T. waarom er zoveel gevloekt wordt in zijn programma’s en hij zegt: ‘iemand moet het doen’. Vraag hem: waarom hangt die stoel aan de muur? en hij zegt: ‘Dat schiet me dan zo te binnen’.
Door zijn bedwelmende veelzijdigheid duikt hij overal in mijn boek op. Als beeldend kunstenaar maakt hij de Verzonken toren van Drienerlo (1979), die voor mij de overgang van domineesomroep naar avant-garde verbeeldt. De religie gaat ten onder in een campus voor technische wetenschappers en industriële ontwerpers. In het hoofdstuk over de vernieuwing figureert hij, met radio-icoon Peter Flik, als ontregelmaniak. Hij schrijft voor Fred Haché een interview met God dat door Jan Blokker verboden wordt. Ten onrechte, want als God bestaat kan Hij zelf zijn boontjes doppen, en als Hij niet bestaat kan er ook niets ontsporen. Godsbewijzen wisselt hij bij voorkeur af met blote vrouwen in broodjeszaken. Ronflonflon is Frans voor lawaaierige overpopulaire popmuziek. Omdat programma’s op Radio 3 voor tachtig procent uit muziek moeten bestaan, zet hij de muziek op een laag pitje om vervolgens door alle ‘kutplaten’ heen te praten. Ronflonflon krijgt niettemin een cultstatus en eindigt als negende op de top-100 van honderd jaar radioprogramma’s in Nederland. Voor de liefhebbers van nauwkeurig georganiseerde chaos. Als televisiemaker, scriptschrijver, regisseur, acteur, zanger en decorontwerper schittert hij met twaalf televisieseries en -shows in het hoofdstuk over humor. In het hoofdstuk over de documentaire komen we Wim T. met Wim van der Linden tegen als vertegenwoordigers van de nieuwe lulligheid. Natuurlijk kan hij niet ontbreken in het hoofdstuk over grensoverschrijdingen. Tv-columnist Bert van der Veer noemt Barend is weer bezig van 14 december 1972 de meest aanstootgevende show uit de Nederlandse televisiegeschiedenis. Niet alleen maakt een koningin er spruitjes schoon, maar er wordt ook met eten gegooid en in drollen gestapt en een lange man in wit gewaad kondigt het einde der tijden aan. Negen jaar presenteerde Schippers de Nationale Wetenschapsquiz. Moeilijke wetenschap wordt veelbekeken televisie. Sinds 2011 ligt er een vier meter hoge drol van Wim T. Schippers in de achtertuin van de VPRO. In de jaren tachtig maakte Schippers voor de VPRO-gids twee covers, één over Ramp Ahead (1980) en één over zijn eigen programma De lachende scheerkwast (1981).
Iedereen kent de onzin van deze originele beeldende kunstenaar. Zijn bij Petten in zee uitgegoten flesje Gazeuselimonade uit 1963, eerder een manifestatie van feit- dan van verfkunst. Zijn glasscherven en zoutvlakten uit 1963. Zijn elkaar tegensprekende klokken op het Rembrandtplein. Zijn hoge paarse stoel in het Vondelpark. De zes toneelspelende Duitse herders, Going to the dogs uit 1986. Zijn zwevende steen, getiteld Het is me wat, uit 1999. De pindakaasvloer, in de klassieke kunstbeschouwing van Gombrich geen kunst, maar decadentie. De enorme fraaie drol, Stationnement gênant uit 2008. Het kunstwerk op de Tefaf, getiteld egeling acht, restant van het in woede doormidden geslagen verkeersbord ‘wegsleepregeling van kracht’.
Wim bracht ons bij Fluxus, popart en conceptuele kunst, Boymans, Tefaf, Stedelijk en Centraal Museum en bij Marcel Duchamp, Kurt Schwitters en de dadaïsten. Want daar begon en ontwikkelde zich zijn kunstenaarschap. Dankzij zijn Kringlidmaatschap wist Wim Mimi Kok los te rukken van haar fruitmachine en te casten als Gé Braadslee, de onvergetelijke gade van nachtclubeigenaar Waldo van Dungen, wie kent hem niet?
En vergeet zijn taalonzin niet. Het enkelvoud van schoen is schoe. Het meervoud van rum is ra. 171 april valt op 18 september. Als er lengte en dikte zijn, waarom dan geen gekte? Nieuw sterk werkwoord: zij biek een taart. Klanken vullen met betekenissen: ‘Pollens, ik word een peu nerveux.’ Rare namen: Otto Kolkvet, Simon Raaspit, Gerrit Dekzeil. Het Willy Dobbe Plantsoen, het bestaat echt, in Olst aan de IJssel. De Niersteenstraat in het Ziekenhuiskwartier in Rochelte. Flauwe woordspelingen: ‘Bombardement valt verkeerd.’ ‘Dieven pikken het niet meer.’ ‘Ik dacht dat die boenwas van bijenwas was.’
Vermaard zijn ook zijn catch-22’s, waarbij je opgesloten wordt in tegenstrijdige regels of voorwaarden. Dan roept hij: ‘Kunnen jullie iets harder praten? Op deze manier kan ik er niets van verstaan.’ Of: ‘Ik vind je een slechte schrijver.’ ‘Heb je mijn boeken dan wel eens gelezen?’ ‘Nee, ik ga toch geen boeken van een slechte schrijver lezen.’ Nog een laatste: ‘Groenteman, gelooft u in een leven na de dood?’ ‘Nou mevrouwtje, ik denk het wel, maar ik geloof niet dat ik het nog zal meemaken.’
Opheffer, zoals iedereen weet is dat Theodor Holman, betrok in De Groene van 5 februari 2026 de stoutmoedige stelling dat er zonder Wim T. Schippers geen Van Kooten en De Bie was geweest, geen Jiskefet en geen Hans Teeuwen. Ik zie de directe verwantschap tussen Wim T. en Hans T. onmiddellijk. De Jiskefet-makers zullen zeker ook van Schippers geleerd hebben. Maar de clichémannetjes waren er al ver voor Hoepla, en als het meesterschap van Kees en Wim school in het betrappen van de tijdgeest en het aanvoelen van maatschappelijke en culturele trends, dan stammen zij niet van Wim T. af, voor wie elke vorm van maatschappelijk engagement irrelevant was. Het absurdisme van Theo en Thea zie ik veel duidelijker in het kielzog van Wim T., die om interviews te frustreren wegen liet aanleggen dwars door studio’s. De nieuwe witte kalkstrepen liepen over de gepoetste schoenen van de interviewgasten. Er zijn serieus mensen die niet begrijpen wat daar leuk aan is, ook niet als je erbij vertelt dat Wim T. fantasieloze tv-wetten wilde doorbreken.
‘Ooit komt er een tijd,’ zei Wim T., ‘dat niemand meer weet dat de mensheid bestaan heeft. Mijn hele oeuvre kan beschouwd worden als een demonstratie van hoe dat verpletterende feit sportief op te vatten.’ Ik herhaal de zin, hij verdient het. Het is dit superieure inzicht dat Wim T. Schippers, veel vrijzinnige dominees zullen ermee instemmen, tot hoofdpersoon in mijn VPRO-geschiedenis maakte. Hij werd de protagonist van mijn boek.
Schippers en ik waren beiden oorlogskinderen, van de stille generatie. In 2001 promoveerden we in HP/De Tijd met Cherry Duyns, Wim de Bie en Henk van Hoorn en nog heel wat andere dikke ikken naar de lawaaigeneratie. Intiem ben ik nooit met hem geweest. We kwamen niet bij elkaar over de vloer, ook niet toen we allebei op de Wallen woonden. In het kinderkoor van de NCRV heb ik hem nooit horen kwelen, want de radio stond bij ons thuis verzegeld op zolder. Van Hoepla kende ik wel Gied Jaspars en Willem de Ridder, maar niet Wim T.
Als Philip Freriks hem een keer vraagt: hoe kan ik je in één woord vangen? Antwoordt hij: waarom zou je dat doen? Heb je niks beters te doen?
Tussen 1972 en 1974 werkte ik bij opinieweekblad de Haagse Post in Amsterdam en kwamen wij elkaar praktisch dagelijks tegen in journalistencafé Scheltema. Meer gelachen in mijn leven dan daar heb ik nooit meer. We zongen luid psalmen, schoffeerden dagjesmensen uit de provincie en als Wim vond dat het te druk werd ging hij stoelen op tafel zetten. ‘Wij gaan sluiten’, riep hij dan, waarop eigenaar Wim de Lange Wim T. over zijn schouder legde en buiten op straat gooide. In 1984 was ik directeur van de VPRO-radio en ging hij op Radio 3 Ronflonflon maken, we hebben het er al over gehad. Na een aantal jaren brak hij zijn programma midden in een seizoen abrupt af. Ik zei niet: hoezo de laatste? Maar ik verzin wel iets anders en ik hoor weer van je.
Ik vermoed dat Wim mijn VPRO-boek niet meer gelezen heeft. Ik heb hem ook niet geïnterviewd voor mijn boek. Ik kende zijn werk door en door en ik wist dat Wim niet kan interviewen en niet is te interviewen. Hij heeft er geen zin in, hij is er te ongeduldig voor, hij denkt te snel. Zo gauw iemand zijn humor probeert te doorgronden trekt hij, zoals Jaap Mulder zei, de ophaalbrug op. Als Philip Freriks hem een keer vraagt: hoe kan ik je in één woord vangen? Antwoordt hij: waarom zou je dat doen? Heb je niks beters te doen? Zijn drijfveren zijn ook te ongewis. De ene keer wil hij de Nederlandse televisie die steeds verder afwaarts gaat stevig onder handen nemen en dan weer breekt hij een lans voor de slapte en saaiheid in de kunsten, of hij roept: waarom zou je iets willen maken? In zijn toneelstukken is hij met denkbeelden bezig en past hij ontroering toe.
Ik had al snel door dat er bij Wim T. maar één ding opzat. Niet te snel er zelf iets van gaan vinden. Proberen hem te volgen in zijn genialiteit. Goed kijken en luisteren en letterlijk nagaan wat er in zijn programma’s gebeurt. Schippers kon erop vertrouwen dat ik niet met zijn bedoelingen op de loop zou gaan, maar zijn werk altijd zou proberen te duiden in de precieze bewoordingen van de maker zelf. Zo onvoorwaardelijk hield niet iedereen van de manieren waarop hij met kunst- en mediawetten aan de haal ging. Veel mensen blijven je glazig aankijken als je vertelt hoe leuk het was dat zijn shows ontaardden in gevloek, instortende decors en blote danseressen.
Veel van zijn opdrachtgevers zeiden na een paar seizoenen: nou weten we het wel, met die Schippers. Maar daarmee rekenden ze buiten de waard en deden ze hem tekort. Want De lachende scheerkwast, hij heeft echt bestaan, leeft nog en heet Bob Ris, lijkt in niets op Op zoek naar Yolanda, en het televisiespel De ondergang van de Onan, goeie naam voor een schip, wijkt in alles af van de dramedy We zijn weer thuis. Ik ken niemand die zo virtuoos tussen radio, televisie, toneel en beeldende kunst kon schakelen als Wim T. Schippers. Zijn scheppende en uitvoerende talent was zoveel rijker dan dat van de bazen die het wel met hem gezien hadden.
Maar wie was zijn antagonist? Waren dat zijn bazen? Zijn concurrenten? De mensen die dozen met drollen naar hem stuurden? Orthodoxe politici? Adriaan van Dis doet niet mee, want die kwam in de privésfeer te dichtbij en was vooral aan het eind van zijn leven een fatale stoorzender. Iemand roept Harry Mulisch. En dan zegt iemand: misschien was er niemand tegen hem opgewassen, had hij geen antagonist.
Dit is een ingekorte versie van de toespraak die Jan Haasbroek hield bij de presentatie van zijn boek over honderd jaar VPRO in Arti et Amicitiae, op 21 juni 2026.


![Artis, Amsterdam (1971)[Register] Amsterdam, Artis](https://storage.pubble.nl/4d6032c2/content/2026/6/ba84ef4c-2a7c-4d35-85f2-f4b2e9763733_thumb1024.jpg)



