Door de decennia heen ontelbare dinsdagen zat ook Martin Schouten aan de ronde tafel achterin bij café De Pels, gelegen aan de Amsterdamse Huidenstraat. Het stevig innemende en op hoge toon orerende, dan wel schertsende, gezelschap van vooral (hoog)bejaarden kende elkaar van diverse loopbanen in de journalistiek, het weekblad Haagse Post (en het anno 1990 daaruit via een fusie met het weekblad De Tijd voortgekomen HP/De Tijd) in het bijzonder.
Martin, twee jaar voor de Tweede Wereldoorlog geboren in Apeldoorn, was de oudste van de vaste équipe. Hij was al niet de luidruchtigste aan tafel en in de jaren na dat gezamenlijke etentje ter gelegenheid van zijn tachtigste werd hij almaar stiller en bezonkener. Hij nam eigenlijk alleen nog deel aan het discours als een van zijn journalistieke en literaire specialiteiten hem tot een bijdrage noopten. Hij had het nog wel eens over zijn lievelingsauteur Franz Kafka en ook zijn met een zeker succes herdrukte biografie over Rinus van der Lubbe kwam nog wel eens voorbij. Hij was zichtbaar ingenomen met het plan van cineast Ben Verbong tot een Nederlands-Duitse productie naar zijn Van der Lubbe-boek dat in 1986 in een tweede, door Martin herschreven en aangevulde versie was verschenen. Verbong (1949) maakte in 1981 naam met Het meisje met het rode haar, over de Haarlemse verzetsstrijdster Hannie Schaft. Een film naar aanleiding van de biografie over Rinus van der Lubbe, de Leidse, halfblinde en daardoor werkloze metselaar die de Rijksdag in brand stak, leek wel bij diens oeuvre te passen. De film (werktitel: Brand) was ooit voor vorig jaar voorzien, maar lijkt er twee jaar later dan toch aan te komen.
Van der Lubbe vormde maar één van Martins passies. Jazz en dan in het bijzonder de blues, domineerden misschien nog wel meer zijn leven. Al jong was hij in de ban van de jazz geraakt via onder meer Michel de Ruyter op de Hilversumse radio en het American Forces Network van over de grens met Duitsland. Hij ging schrijven voor Jazzwereld en werd halverwege die ook voor hem allesbepalende jaren zestig jazz-medewerker bij het Algemeen Handelsblad. Daar trad hij in 1969 in dienst, een verband dat maar tot 1971 zou duren, omdat Martin niets zag in de toen aan de orde zijnde fusie tussen NRC en Handelsblad. Hij trad vervolgens in dienst van de Haagse Post, waar toen jazz-bekenden als Bert Vuijsje en Arend Jan Heerma van Voss al eerder tot de redactie waren toegetreden.
Net zo dominant in zijn leven als de jazz, maar dan anders, want compleet omgekeerd, was zijn complete afkeer van het christelijk-gereformeerde middenstandersmilieu waarin hij in 1938 ter wereld was gekomen. Zijn streng christelijke ouders dreven een manufacturenzaak. Ook toen hij al ver in de tachtig was, kon hij geëmotioneerd fulmineren tegen de benauwenissen van het geloof, zoals vooral door zijn moeder aan hem opgedrongen. Aan zijn in 1940 overleden vader had hij geen herinnering. Die had hij wel aan een vanwege verzet tegen de Duitse bezetters gefusilleerde lievelingsoom.
Martins journalistiek was vaak met een zekere mate van faction in hoge mate schatplichtig aan de fictieschrijverij
Een van zijn frustraties gold het gegeven dat hij van zijn moeder dan wel sociologie in het verre Amsterdam mocht studeren, maar dan slechts aan de op christelijke leest geschoeide VU. Die moeder vormde sowieso een frustratie waarover Martin zijn (lange) leven dan ook niet uitgesproken is geraakt. Het valt allemaal terug te lezen, niet zelden één op één, in romans als Studio Voorland (volgens kenners opgebouwd volgens de principes van de blues) en Hotel Terminus waaraan de onvermoeibare verslaggever zich ooit zette. De werkelijkheid van ‘waar gebeurd’ ging vloeiend over in de romans en vice versa. Martins journalistiek was vaak met een zekere mate van faction in hoge mate schatplichtig aan de fictieschrijverij. Grote voorbeelden waren onder meer, behalve de al eerder genoemde Kafka, Joseph Mitchell van The New Yorker, George Orwell (van wie Martin een essaybundel vertaalde, van een inleiding voorzag en wiens engagement hij bewonderde) en Studs Terkel, met wie hij belangstelling deelde voor zeg maar de gewone man.
Erg succesvol waren ze trouwens niet, die romans, en dat kwam ook door critici die oordeelden dat we vanwege Jan Wolkers en Maarten ’t Hart nu wel eens klaar waren met de autobio-benauwenissen van het gereformeerdendom. Martins blik reikte ook wel iets verder, al bleef hij dicht bij huis: in Huize Nieuwstad ging het over een geschiedenisleraar die op zoek ging naar de Berlijnse sporen van Van der Lubbe.
Martin leek zich van dat wansucces van een beperkt deel van zijn oeuvre nooit veel te hebben aangetrokken. De nogal eenzelvige loner die hij was, heeft tot op het laatste moment zijn eigen koers aangehouden en even driftig als autonoom doorgetikt, bij voorkeur in de nachtelijke uren. Daarbij heeft hij een groot aantal genres moeiteloos met elkaar verknoopt en een imposante boekenplank vol geschreven. In een interview zei hij ooit: “Uiteindelijk is alles fictie, want wat is de werkelijkheid? De werkelijkheid is op zijn minst zeer ingewikkeld. Er is niet één geschiedenis die de waarheid vertelt.”
Van al zijn medische malheur maakte Martin aan tafel slechts bij uitzondering en alleen op expliciet verzoek melding. Maar zijn aftakeling sprong ook zo wel in het oog van het gezelschapje, hoe zeer dat ook vooral door de eigen gulle lach pleegde te worden gedomineerd. Op een gegeven moment moest Martin voorgoed verstek laten gaan omdat hij lichamelijk op was. We zagen elkaar nog één laatste keer in de vaste opstelling, maar dan bij café Wildschut, een gelegenheid aan het Roelof Hartplein in Zuid, hetgeen hem in staat stelde na een uurtje van hortende conversatie moeizaam schuifelend (en begeleid door een fittere oud-collega) zijn woonst in een dertiger jaren-appartement van De Samenwerking te bereiken.
En dan was er, een kleine twee jaar geleden, de begrafenis van collega Paul Damen, geen vaste aanwezigheid aan onze café-tafel, maar wel nogal dominant in de kroeg aanwezig. Martin was wel naar de begraafplaats Sint Barbara vervoerd, maar was nog zo weinig mobiel dat hij de plechtigheid slechts vanachter een autoruit kon gadeslaan.
Vanaf Martins thuisbasis bereikte ons het nieuws dat het met Martin almaar slechter ging. En, toch nog onverwacht, dat hij op 15 augustus was overleden, een maand nadat hij de 88 had aangetikt. De kaart waarop dat werd vermeld had als afzender zijn dochters Lulu en Barbara en Martins vriendin Frieda Pittoors (met wie hij niet samenwoonde). De Vlaamse Frieda (al jaren actrice bij Internationaal Theater Amsterdam) was op de uitvaart de eerste spreekster op de bijeenkomst waarop ook een kleine ITA-delegatie acte de présence gaf. Ze vertelde dat het motto van de rouwkaart (’Het was mij een genoegen’) een van Martins laatste (tot haar gesproken) zinnen betrof. De bijeenkomst, uiteraard omlijst door jazz (nee, niet het piep-piep-knor-genre) van onder meer Martins muzikale held Charlie Parker, en de vertoning van een lange fotogalerij met beelden van Martin, meestal met zijn dochters, verliep in min of meer dezelfde sfeer, dat wil zeggen zonder al te grote woorden en zonder al te zichtbare emoties. Martin en de dochters (in verschillende stadia op weg naar de volwassenheid) vielen in de fotogalerij in veelvoud te aanschouwen. De al lang overleden moeder van die dochters met haar Indische achtergrond, met wie Martin onder andere door haar drankgebruik een moeizaam huwelijk moet hebben gehad, ontbrak.
Martin had de begrafenis zoveel mogelijk beperkt gehouden tot de familiekring en had dan ook geen behoefte gehad aan andere sprekers.
Aan het slot van Martins Haagse Post-verleden lag een conflict ten grondslag. Geïnspireerd door Studs Terkel, een journalistiek fenomeen uit Chicago, die ook zulke thematische boeken met quote-unquote interviews had gemaakt, bundelde Martin in 1978 zijn serie interviews in Werk. Een van de geïnterviewde werkers was zijn toenmalige vriendin, Carlien. Ze kwam uitputtend aan het woord over de hoofdrol die ze had gespeeld in een conflict over zeg maar arbeiderszelfbestuur bij haar werkgever Uitgeverij Van Gennep.
Het respect voor zijn talenten overschaduwde de scepsis over zijn soms wat naar starheid neigende ‘alles moet kunnen-achtige’ stokpaarden
Die vermenging van belangen en relaties viel slecht bij HP, waaraan het gegeven dat ook het weekblad onderhevig was aan met zelfbestuur onderhevige spanningen niet vreemd moet zijn geweest. Martin begreep in zijn queeste naar grenzeloze openheid niets van de zijns inziens benepen bezwaren van de collega’s. Hij ging in zijn verbolgenheid freelancen, maar in de persoonlijke Pels-sfeer deed de gerezen kwestie nauwelijks afbreuk aan het contact. Daarbij zal het een rol hebben gespeeld dat er aan tafel niet eenduidig werd (en wordt) gedacht over links dan wel linksistisch journalistiek engagement. Het respect voor Martins talenten overschaduwde de scepsis over zijn soms wat naar starheid neigende ’alles moet kunnen-achtige’ stokpaarden.
Met vriendin Carlien liep het treurig af. Ze verdween compleet van de aardbodem waarbij het tot de dag van vandaag onduidelijk is geworden wat er met haar was gebeurd. Ook zij ontbrak die maandag in de fotogalerie op Martins uitvaart.
Uiteindelijk bij de Volkskrant, waar hij na een aantal jaren vooral over toneel ging schrijven. Begin jaren tachtig had hij voor het toenmalige toneelgezelschap Centrum twee toneelstukken, Ermelo en Welkom in Sjanghai, geschreven die ook werden opgevoerd. Na zijn loopbaan bij de Volkskrant bleef hij freelancen, onder meer voor HP/De Tijd, waar hij van de toenmalige hoofdredacteur Henk Steenhuis een ’weekboek’-achtige kroniek voorin het blad kreeg toegemeten. Hij deed er op hoogst persoonlijke wijze verslag van zijn eigen omgeving. Het was, zoals alles bij Martin, goed geschreven, maar het grensverleggende school (althans voor deze lezer) vooral in het tamelijk rücksichtlose, schrijnende, in het hanteren van een gebrek aan grenzen in de verslaggeving van die eigen besognes. Maar het las wel lekker weg. In hoeverre prevaleerde schrijversdrift boven privacy? Bij gebrek aan zoiets als een ombudsmanachtige taakopvatting werd aan de Pelstafel vooral wat ongemakkelijk gekeken en gezwegen.
In een in memoriam op Facebook herinnert Steenhuis zich hoe Martin verslag deed van een tijdelijk gebrek aan relatie met een van zijn dochters. Ze was van de radar verdwenen en de voortekenen waren ongunstig: “Iemand had geroepen dat ze op de Wallen werkte. Was ze aan de dope? Moest voor het ergste gevreesd worden? Als bezorgde vader maar ook als verslaggever toog Schouten naar de poel des verderfs om te zien hoe het zijn lieve dochter verging.”
Nee, over Martin zijn we op die dinsdagse Pels-sessies Deo Volente nog lang niet uitgepraat.



