Poffertjes
Vergeef mij,
dat ik nergens anders meer aan kan denken dan
aan De Wedstrijd
die een hele zomer moet redden,
en huwelijken,
levens.
Om mij heen wordt alleen nog Duits gesproken
op straat lijken alle mannen op Löw,
rijdt alles in Audi en VW
en ik droomde vannacht van Angela,
in wier décollete ik mijn gezicht stopte
en waar het rook naar poffertjes.
Vergeef mij,
dat ik zo’n verdwaasde idioot ben.
Mijn collega zegt: ‘grow up man,
kijk om je heen en schaam je’.
Ik doe mijn best maar het wil niet.
Hoeveel uren resten ons nog, fluister ik,
hoeveel minuten?
Een vinger voor een zege,
zover kan het gaan,
m’n onderarm voor de beker
die anderen dan voor mij omhoog moeten houden.
J. F. M. van Deyssel





