Elco Brinkman is dood. De oud-minister en voormalige CDA-leider overleed maandag in Leiden, na een kort ziekbed. Hij werd 78 jaar.
Leendert Cornelis Brinkman, geboren in Dirksland op Goeree-Overflakkee, was op zijn 34ste al minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in het eerste kabinet-Lubbers. Op die post bezuinigde hij op welzijnswerk en cultuur, wilde hij het Openluchtmuseum in Arnhem sluiten en weigerde hij de P.C. Hooftprijs uit te reiken aan Hugo Brandt Corstius, omdat die ‘het kwetsen tot kunst verheven’ zou hebben. In 1989 werd hij fractievoorzitter, in 1994 kroonprins van Lubbers en lijsttrekker. Hij speechte uit het hoofd, zonder katheder, en liep heen en weer over het podium. Het heette al snel de Brinkman-shuffle. Een paar dagen voor de verkiezingen liet Lubbers weten dat hij niet op Brinkman zou stemmen, maar op Ernst Hirsch Ballin. Het CDA verloor twintig zetels.
Brinkman werd voorzitter van de bouwlobby, later Bouwend Nederland, en bestuursvoorzitter van pensioenfonds ABP. Van 2011 tot 2019 keerde hij terug als fractievoorzitter van het CDA in de Eerste Kamer. Hij bleef al die jaren in Leiden wonen; in Den Haag had hij nooit zin gehad.
Op 18 maart 1994, zeven weken voor die verkiezingen, noemde HP/De Tijd hem nog ‘onze aanstaande premier’. Albert Reinders had zich door het verzamelde werk van Leendert Cornelis Brinkman gewerkt: de biljarthuizen voor jongeren, het papieren broodzakje dat ook vers houdt, de batterijoplader als nuttig sinterklaascadeau, het opgeplakte borsthaar van Prince, de spaardoos van Brabantia met zeven vakjes. Kees van Kooten had hem toen al nagedaan, met pukkels, een messcherpe scheiding en een deel van Jip en Janneke in de boekenkast, en Sonja Barend had de bandopname aan Brinkman zelf laten horen. De vraag die Reinders stelde: is deze man niet een persiflage in eigen persoon?





