Vorig jaar kwamen 401 slachtoffers van arbeidsuitbuiting in beeld, tegen 356 een jaar eerder. Dat blijkt uit het jaarrapport dat Nationaal Rapporteur Mensenhandel Conny Rijken vandaag publiceert. In de horeca verdubbelde het aantal meldingen ruimschoots, in de land- en tuinbouw en de visserij werd het bijna drie keer zo hoog.
De slachtoffers in de horeca komen vooral uit Bangladesh, Turkije en Syrië. In de landbouw, bosbouw en visserij zijn Roemenen de grootste groep, gevolgd door Polen. Rijken wijst op het patroon: het gaat om werk dat zich aan het zicht onttrekt. ‘In de horeca hou je mensen makkelijk uit zicht,’ zegt ze. Keukens, achterkamers, nachtelijke uren waarin nauwelijks wordt gecontroleerd. Op het land en op zee is het de afgelegen locatie die hetzelfde doet.
De scherpste kritiek van de rapporteur gaat niet over de aantallen, maar over wat ermee gebeurt. De Arbeidsinspectie kreeg 308 signalen binnen, registreerde er 128 als melding en begon 57 opsporingsonderzoeken. Daarvan gingen er tien naar het Openbaar Ministerie; negen verdachten kwamen voor de rechter. Volgens NRC vervolgde het OM vorig jaar in totaal vijftien verdachten voor arbeidsuitbuiting, het laagste aantal in vijf jaar. ‘Dit aantal blijft dramatisch laag,’ aldus Rijken.
De meeste zaken worden bestuursrechtelijk afgedaan, met een boete voor de werkgever, meestal wegens onderbetaling. Dat lijkt handhaving, maar het heeft volgens Rijken een prijs. Wie met een boete wordt afgedaan, geldt niet als slachtoffer van mensenhandel en krijgt de bijbehorende bescherming niet. ‘Dan krijgen ze ook niet de bescherming die ze nodig hebben.’ En de boete schrikt niet iedereen af: ‘We weten dat sommige bedrijven die boetes incalculeren.’
In de horeca verdubbelde het aantal meldingen van arbeidsuitbuiting ruimschoots, in de land- en tuinbouw en de visserij werd het bijna drie keer zo hoog.
Het Openbaar Ministerie en de Arbeidsinspectie noemen het beeld vertekend. Onderzoeken zijn ingewikkeld en tijdrovend, de bewijslast is hoog en onderbetaling alleen is juridisch nog geen uitbuiting. Waar strafrechtelijke vervolging niet lukt, legt de inspectie boetes op onder de Wet minimumloon of de Wet arbeid vreemdelingen, en die ingrepen tellen in de cijfers van de rapporteur niet mee.
Dat Polen nog altijd in de top twee van de landbouwslachtoffers staan, is opmerkelijk. De Poolse seizoenarbeider werkt hier al ruim twintig jaar en is in de fruitteelt allang geen uitzondering meer.
In april 2004, drie weken voor de Poolse toetreding tot de EU, reisde een Zeeuwse fruitteler voor HP/De Tijd af naar Nowe aan de Wisla, het dorp waar zijn perenplukkers vandaan kwamen. Kees van Oosten trof er dertig procent werkloosheid aan en een pastoor die zei dat zijn parochianen het land uit werden gedreven. Een jong echtpaar, hij econoom, zij fysiotherapeute, sliep in Nederland in schuren en caravans en draaide werkweken van zestig uur. In Kapelle zei fruitteler Ad Slabbekoorn dat de Oost-Europeanen precies hetzelfde verdienden als Nederlanders en dat zwartwerk een uitzondering was.
Tweeëntwintig jaar en drie golven arbeidsmigratie later draait de discussie niet meer om de vraag of het uitzonderingen zijn, maar om de vraag waarom er van 57 onderzoeken tien bij de rechter belanden.
Lees hieronder de reportage uit 2004: ‘De beschaafde wanhoop van Nowe aan de Wisla’, door Kees van Oosten.






