Archief

Kardinaal Simonis: ‘Ik sta bepaald niet te popelen om dood te gaan’

07/04 | 2006 Leestijd 8 minuten
Afbeelding

Over een jaar denkt Adrianus kardinaal Simonis (74) ermee op te houden. Een gesprek over de kerk, Pasen en dolende zielen. ‘Als mensen van de Matthäus Passion houden, weet je dat zij ergens ongeneeslijk door zijn aangeraakt.’

Volgende week is het Heilige Week; wat bekoort u daarin nou het meest?

“Allereerst geniet ik ervan als u spreekt van Heilige Week. Velen zeggen Goede Week of Stille Week, maar voor mij is het inderdaad een heilige week. De heiligste week van heel het jaar. Om op uw vraag terug te komen, er zijn zoveel momenten die mij bekoren dat ik geen keus zou kunnen maken.”

Is Pasen indrukwekkender dan Kerstmis?

“Pasen is het hoogtepunt van het kerkelijke jaar. Bij Kerstmis begint het allemaal en Pasen is de voltooiing. Voor veel mensen betekent Kerstmis kaarsjes in huis, lichtjes in de duisternis, want buiten is het allemaal zo troosteloos. We romantiseren het kerststalletje, zodat we er haast naast zouden willen gaan liggen, zo knus en gezellig maken we het. Maar Pasen blijft het hoogtepunt.”

Legt u eens uit waaruit dat hoogtepunt dan bestaat?

“Heel vierkant gezegd: dat het dode lichaam van Christus is herschapen tot nieuwheid van leven.”

Pasen is het verhaal van de opstanding, maar dient dat letterlijk te worden geno- men? Dood is dood, en of Jezus daadwerkelijk uit zijn graf is opgestaan, mag worden betwijfeld.

“Niet door mij. Voor mij is dat een realiteit. Het gaat om de grootheid van God, die een scheppende God is die uit

dru_HP14_v&a.indd

het niets alles voortbrengt en uit de dood het leven. Weet u, ik word ieder jaar weer getroffen door Pasen. Dat heb ik van huis uit meegekregen, van de vastentijd, de lijdensmeditatie waarbij het ging over het verlossende lijden van Jezus Christus. In de loop van de jaren is steeds helderder geworden dat we verlossing nodig heb- ben, verzoening. Ieder mens is geschon- den aan alle kanten, door omstandighe- den, door mankementen.”

Welke mankementen heeft u?

“Ik span me niet voldoende in voor de derde wereld bijvoorbeeld. Ik heb mijn ta- lenten onvoldoende aangesproken. Daar- voor heb ik verlossing nodig, en die kan ik mezelf niet geven. Om een beeldspraak te gebruiken: ik kan mezelf niet aan de ha- ren omhoog uit het moeras trekken. Dat moet iemand anders doen. God.”

Pasen staat met Goede Vrijdag ook voor de dood. Kijkt u dezer dagen anders tegen de dood aan?

“Ik heb met de dood, eh... Ja, ik mag dat niet zeggen. Ik wou zeggen: ik heb ermee leren leven. Nee, ik probéér ermee te leren leven. Hoe ouder je wordt, hoe dichterbij het komt. In de dood schuilt een enorme paradox: het is een natuurlijke zaak, want je hoort tot de natuur en de natuur is nu eenmaal vergankelijk; anderzijds beleef ik het, zie ik het en denk ik bij dierbaren die me ontvallen: de dood had er niet moeten zijn. Ik klamp me vast aan het woord van de graankorrel uit Johannes 12, dat zegt: als de graankorrel niet in de aarde valt

en sterft, dan blijft-ie alleen. Als-ie sterft, brengt hij rijke vrucht voort.”

Anders gezegd?

“Bij het ouder worden moet je een le- vende graankorrel zien te blijven. Dat je geestelijke spankracht behoudt en dat je niet als een dode graankorrel in de aarde wordt gestopt. Dus ik zou zeggen: ga le- vend de dood in en sterf om levend terug te keren.”

Verzoent u zich met de dood?

“Dat probeer ik, en het lukt het enejaar beter dan het andere. Het is voor- gekomen dat er in de Heilige Week iets vreselijks gebeurde met een mij dierbare priester. Dat was echt heel erg en het was voor mij zeer moeilijk om mijn devotie op peil te houden.”

Heeft u iets met doodsverlangen?

“Nee. Daarvoor hou ik te veel van het leven. Ondanks alle mitsen en maren en beproevingen, is het leven ontzettend levenswaard. Kijk eens, in dit dal van tranen, om het zo maar eens te zeggen,

dru_HP14_v&a.indd

zijn er mensen die ontzettend veel ver- driet hebben en die ontstellend veel pijn moeten meezeulen. Bij hen kan ik me indenken dat het einde niet vlug genoeg kan komen. Maar voor mij is dat niet van toepassing. Ik ben te zeer gehecht aan het leven.”

Dat had ik eigenlijk niet van u verwacht.

“U had verwacht: hij is kardinaal en draagt van tijd tot tijd de rode toog om zichzelf eraan te herinneren dat hij zijn leven moet geven voor de Heer, maar zo- ver ben ik nog niet. Ik sta bepaald niet te popelen om dood te gaan.”

Maar als u Gregoriaanse muziek hoort of, toepasselijker voor deze tijd, de Matthäus Passion, dan voelt een mens toch geen doods- angst meer?

“Dat is een ander punt. Als ik de Mat- thäus hoor, komt er een geweldige vrede over me heen. Laatst hoorde ik weer een nieuwe uitvoering van enkele aria’s en ik dacht: hoe is het mogelijk dat een mens dit heeft gemaakt? Het is volstrekt hemels.”

Wat gebeurt er als u de eerste tonen hoort?

“Ja, vooral dan schiet ik vol. Het is een van de aller-, allermooiste inleidingen. En wat dacht u van ‘Oh hoofd vol bloed en wonden’? Die melodie is zo grenzeloos mooi. Zoals gezegd, dan komt er een vrede over me heen, een zekere berusting ook, want ik weet dat ik word opgevangen door Gods barmhartigheid. Maar dat is niet hetzelfde als dat ik wil dat mijn einde komt. Nee, nee. Ik ben 74 jaar en hoop nog een paar jaar te leven.”

In welke staat laat u volgend jaar de r.-k.-kerk achter?“In zorgwekkende staat. Er is veel ver-

loren gegaan in de afgelopen veertig jaar. Zaken van geloof en levensbeschouwing zijn gemarginaliseerd in Nederland.”

Hoe komt dat?

“Wellicht door de arrogantie. Wij weten het allemaal beter. Misschien is de kerk vroeger te eenzijdig dogmatisch geweest, te eenzijdig moralistisch en te eenzijdig autoritair, maar de reactie die erop volgde in de jaren zestig is doorgeslagen. Dat werd naderhand versterkt door de eco- nomische boom en het materialisme dat met de auto, vakantie en met seks nieuwe vormen van afgoderij voortbracht. Later is daar de secularisering overheen geko- men.”

Toch ontwaar ik veel dolende zielen om me heen.

“Ik zie veel mensen die zich katholiek noemen omwille van de esthetiek. Dat is

dru_HP14_v&a.indd

me toch te vrijblijvend. Als je werkelijk gelooft, ga je ook iedere week naar de kerk, want alleen daar ontvang je de Heer, in zijn woord en in de sacramenten.”

Maar die esthetiek kan een beginnetje zijn?

“Ik zeg het Dostojevski na: ‘Alleen de schoonheid kan de wereld redden.’ En als mensen de Matthäus horen en er- van houden, dan weet je dat zij ergens ongeneeslijk door zijn aangeraakt. De riten en de liturgie moeten schoon zijn om ons boven onszelf uit te tillen. Dat is een weg, maar uiteindelijk gaat het om de persoon van Christus, om de levende persoonlijke band met Hem.”

Had de r.-k.-kerk met de wijsheid achteraf niet meer coulantie moeten betrachten je- gens het celibaat, kwesties van leven en dood, jegens priesteressen of intercommuniteit?

“Ik vind dat een reële vraag. Stel dat de kerk had gezegd: het gebruik van con- traceptiven is geoorloofd, de deugd van kuisheid verdwijnt, echtscheiding accep- teren we en de vrouw komt in het ambt – denkt u dan dat de kerken waren volge- lopen? Nee, op geen enkele manier.”

‘De vragen verdiepen zich en mettertijd vind je her en der wat antwoorden. Maar rond de kern blijf je het antwoord schuldig.’

Waarop baseert u dat?

“Kijk naar de Protestantse Kerken Nederland, verenigd in de PKN. Dat zijn kerken die er principieel een meer sub- jectieve moraal op na houden; let wel, ik zeg niet: van God los, maar minder aan regels gebonden. Zij kennen de vrouw in het ambt, zij hebben geen last van een paus of van bisschoppen. Maar de crisis in die kerk is even erg als die van ons. Vrijzinnigheid leidt tot niets, zei mijn voorganger kardinaal Willebrands. Wat echt body en identiteit heeft, is veel at- tractiever.”

Waarom?

“Omdat in die body de geest van de waarheid spreekt. De Heilige Geest die

al tweeduizend jaar bezig is om de waar- heid in de kerk uit te kristalliseren.”

En daarmee, zegt u, valt niet te marchan- deren?

“Exact. Geloof is geen supermarkt waar mensen kunnen kiezen en pakken wat ze willen.”

Is er nog leven voor uw kerk?

“Het wordt een kleine kerk. Klein maar robuust.”

En al die dolende zielen?

“Het klinkt misschien paternalistisch, maar met hen heb ik medelijden. Ikvind het treurig dat zij hun geestelijke armoede onderkennen maar er geen ant- woord op kunnen vinden

.

Waarnaar zij ook niet dúrven te zoeken. Oudere gene- raties komen meteen met allerlei schrik- beelden van vroeger – al dan niet terecht en aangepraat – over de kerk die hel en verdoemenis predikte en de gelovigenop het rechte pad hield door hun allerlei angsten aan te jagen. En de jongere ge- neraties laten het voor een groot deel af- weten. Ik zie het bij de vormelingen, jon- gens en meisjes van rond de twaalf jaar. Op die leeftijd zijn ze ongeschonden en leggen ze een grote belangstelling aan de dag voor geloofszaken. Maar zodra ze in de puberteit en de adolescentie komen, verdwijnt het onder je handen vandaan. Afschuwelijk is dat, afschuwelijk.”

Hoe komt dat dan?

“Een algeheel gebrek aan geloofsop- voeding, en ook aan discipline. Ze ken- nen weinig maat, kunnen zich moeilijk beheersen. Maar ooit, op een dag, zullen zij, zoals wij allen, verantwoording moe- ten afleggen over goed en kwaad, over wat wij met ons leven hebben gedaan.”

Kan de kerk daartegen iets ondernemen?

“We zouden ons moeten bekeren, moeten uitleggen dat geloven betekent dat je je overgeeft. Dat je je zwaartepunt van jezelf verlegt naar Onze Lieve Heer. Maar ja, dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan.”

Heeft u daarom vorige week de musical ‘Jesus Christ Superstar’ bekeken en na afloop met de cast gesproken?

“Dat was een idee van mijn voorlich- ters.”

Wat vond u ervan?

“Een mooie voorstelling, al plaats ikde nodige vraagtekens bij een aantal rol- len en het verhaal. De voorstelling dieik bezocht, was afgeladen. Daaruit blijkt volgens mij toch een geestelijke honger. Ik hoop alleen dat de bezoekers na thuis- komst het evangelie ter hand nemen. Als

ze het met deze Jezus uit de voorstelling moeten doen, zou dat jammer zijn.”

A

ls u terugkijkt op uw religieuze leven,

welke zaken verbazen u dan nog steeds?

“De vraag: wie is God? Dat is een einde- loos mysterie. Dan denk ik aan de vader van Jezus, maar God is veel groter dan wij kunnen indenken. Zoals het Kwaad en het Lijden voor mij ook grenzeloze mysteries zijn. Ik vraag me af hoe het mogelijk is dat sommige mensen, in- en ingoeie mensen, zoveel leed krijgen te verstouwen in hun leven. Hoe is het mogelijk dat zij dat kunnen dragen?”

En de antwoorden?

“Het zijn geen vragen in de zin van twijfel. De vragen verdiepen zich en met- tertijd vind je her en der wat antwoorden, maar rond de kern blijf je het antwoord schuldig.”

Is dat niet frustrerend?

“Het is frustrerend als je je niet bewust bent van je eigen beperktheid. Wij zijn ontzettend gelimiteerde wezens. Ik heb het leven niet gemaakt, maar gekregen. Wie ben ik dan om antwoorden op alles te eisen?”

U heeft overal een antwoord op.

“U zegt het, maar ik zie dat niet zo.”

Komt u in de hemel?

“Daar bid ik iedere dag voor.”

Waaruit bestaat uw gebed, als ik vragen mag?

“Ik beveel me iedere dag heel nadruk- kelijk aan in Gods barmhartigheid. On- der meer bid ik dan: ‘Ik loof u, dank u, prijs u, aanbid u, geloof in u, hoop in u en ik bemin u.’ Iedere dag sta ik biddend daarbij stil.”

Komt er een biografie van u?

“Dat zou verkapte hoogmoed zijn. Mijn leven is niet belangrijk genoeg om er een boek aan te wijden. Ja, van kardinaal Alfrink bestaan meerdere biografieën, onder andere van Michel van der Plas

en oud-De Tijd-journalist Ton Oostveen. Maar Alfrink was een veel groter, intel- ligenter iemand dan ik. Toen ik kardinaal werd, heb ik eens gezegd: in het land van de blinden is éénoog koning. Zo is het.”

Hoe gaat u de geschiedenis in?

“Daar denk ik niet over na.”

Nu dan even, op verzoek.

“Nou goed. Eh, hij was een van de bis- schoppen die aartsbisschop van Utrecht was en die er in een heel moeilijke tijd van maakte wat ervan te maken viel. Ach, het kon slechter, denk ik.”