Archief

De grijze plaag

De vergrijzing is begonnen. Op billboards, in de collegebanken, op de golfbaan: nergens valt meer aan de (vitale) ouderen te ontkomen. Tot ergernis en jaloezie van velen. ‘Bejaarden? Daar hebben we toch bingo en geraniums voor uitgevonden?’

03/02 | 2025
door Jan Smit
Leestijd 12 minuten
Afbeelding

Elke week plaatsen we een actueel archiefstuk gratis op de website. Uit: HP/De Tijd, 2 maart 2007

Ouderen – Carolin Reichert heeft het even he-le-maal met ze gehad. En dan vooral met al die vijftigplussers op de golfbaan. Dat gezeur over de jeugd; dat ze geen plaggen terugleggen en deukjes in de baan laten voor wat ze zijn: daar moeten ze bij de Amsterdamse VWO-scholiere niet mee aankomen. Carolin legt elk grasmatje netjes terug in zijn bedje. Nee, dan de ouderen. Die domineren de golfclubs en intimideren de jeugd. Louter omdat zij geld hebben en de hele dag niets anders meer doen dan op een golfclub rondhuppelen, voor zover dat fysiek nog mogelijk is, sneert ze in een ingezonden brief in Golfers Magazine.

De aanleiding voor de ergernis? Carolin golft sinds een half jaar. Fanatiek. Ze speelt bij een club bij haar in de buurt, zo vaak als haar krappe budget het toelaat. Kosten per rondje: zestig euro. Korting zat er niet in. Jeugdleden moesten het volle pond betalen, zei de dienstdoende caddiemaster, een soort baancommissaris, in dit geval een al wat oudere vrouw. Door ’s avonds op tosti’s te leven, kon ze toch regelmatig een balletje slaan. Op de baan ontdekte ze dat andere jeugdleden wel korting kregen. Dus trok Carolin nog maar eens aan de bel. De caddiemaster – dezelfde – hield voet bij stuk; reductie was onmogelijk. “Check het dan even,” smeekte Carolin. Wat bleek? Jeugdleden hoefden slechts veertien in plaats van zestig euro te betalen, vertelde de vrouw met een stalen gezicht. Excuses? Die kon Carolin op haar buik schrijven. Het te veel betaalde geld kreeg ze niet terug.

Wellicht is het u ontgaan, maar de vergrijzing is nu dan toch echt begonnen. Niet alleen in de breinen van demografen, economen en politici die zich het hoofd breken over de vraag wie de vergrijzing moet gaan betalen. Op de golfclub, in het openbaar vervoer, op vakantie, in de collegebanken: overal zijn ouderen steeds prominenter aanwezig. Tot irritatie van sommigen, onder wie Carolin Reichert, en jaloezie van velen. Jaloezie waarop een taboe rust – wie misgunt ouderen na veertig jaar ploeteren een plezierige, rustige oude dag? Maar de frustratie is ook begrijpelijk en zou best eens de opmaat kunnen vormen tot een heuse battle of the ages.

Vooropgesteld: die jaloezie van jongeren (vijftigmin) heeft geen betrekking op 75-plussers, de échte ouderen van wie de gezondheid lichamelijk en/of geestelijk achteruit gaat. Zeker, die ouderen kunnen ook irritatie opwekken. Ze zijn niet meer zo kwiek, waardoor ze soms – aan de kassa, in het verkeer – meer tijd nodig hebben, of dingen vergeten. Maar die ergernis verdwijnt snel. Ouderdom komt met gebreken – cliché en dus waar. Daar is voor de meeste mensen geen ontkomen aan, eventuele klagers incluis.

De ouderen waar dit stuk over gaat, zijn de ruim twee miljoen vitale(re) ouderen. Vijftigplussers van wie de kinderen het huis uit zijn, die al ver voor hun 65ste met werken konden stoppen dankzij een riante vut- of prepensioenregeling. Krasse knarren die beschikken over een goede gezondheid, geld en – vooral – veel vrije tijd.

Dat maakt jaloers. Jaloezie die meestal wordt opgekropt of indirect wordt geuit. Op feestjes, in familieverband, met een lacherige ondertoon (“Daar gaat onze erfenis!”). Soms reikt de irritatie verder. Bekend is het voorbeeld van de hangouderen. In Almere werd ruim een jaar geleden een groep senioren verwijderd uit de McDonald’s omdat ze in de weg stonden, te veel lawaai maakten en de beste plekjes innamen. In Oude Pekela, waar winkeliers eveneens aan de bel trokken, maakten ouderen zelfs vervelende opmerkingen tegen andere klanten (“Ik zou weleens met jou in bed willen liggen”). Er moest een samenscholingsverbod aan te pas komen om de overlast van hangouderen in de Groningse gemeente te stoppen. 

Op de jaloezie rust een taboe. Wie misgunt ouderen na veertig jaar ploeteren een plezierige oude dag? Maar de frustratie is ook begrijpelijk en zou best eens de opmaat kunnen vormen tot een heuse battle of the ages.

Incidenten, zo leek het, waar vooral met hilariteit op werd gereageerd – hangouderen: de naam alleen al. Toch stonden de middenstanders niet alleen. Dertig procent van de Nederlanders ergerde zich aan groepen ouderen in winkelcentra. Bij jongeren tussen 15 en 24 jaar was dit zelfs 42 procent, leerde onderzoek van het Nationaal Fonds Ouderenhulp (NFO).

Het surplus aan ouderen stuit jongere generaties vaker tegen de borst. Bijvoorbeeld bij het sporten – bij golf, maar ook bij nordic walking, de nog relatief nieuwe, intensieve manier van wandelen met behulp van skistokken. Nordic walking telt drie jaar na de introductie in Nederland 350.000 beoefenaars, van wie de helft ouder is dan 55 jaar. Die oververtegenwoordiging van ouderen bezorgt de sport een imagoprobleem. “Iedere keer als ik zeg dat ik aan nordic walking doe, word ik met schaapachtige ogen aangekeken. Ik heb al vaak de reactie gekregen: ‘Dat is toch voor ouwelui!’ zegt Chris Bekhuis op Nordicwalkingforum.nl. Bekhuis, zelf 36 jaar oud en sinds een jaar redelijk fanatiek aan het ‘droogskiën’, moet die critici gelijk geven. “Ik ben nog nooit iemand van mijn eigen leeftijd tegengekomen.”

Voor Bekhuis was de dominantie van jongbejaarden de reden om te stoppen met lopen in groepsverband. Door het leeftijdsverschil was er te weinig chemie. Op het forum krijgt de Twentenaar van verscheidene andere nordicwalking-liefhebbers bijval.

Zelfs in de collegebanken zorgen de nieuwe ouderen voor ongenoegen. De honger naar kennis en verdieping is groot onder 55-plussers. Op de Volksuniversiteit, op de Open Universiteit, op de gewone universiteit: overal zijn senior citizens rijkelijk vertegenwoordigd.

Voor een reguliere universitaire studie kunnen ouderen kiezen uit twee opties: studeren met leeftijdsgenoten aan het Hoger
Onderwijs Voor Ouderen (hovo) of tussen de – merendeels – twintigers aan de gewone universiteit. Veruit de meesten –25.000 ouderen – kiezen voor het hovo-onderwijs, dat speciaal is opgericht om irritatie tussen jonge en oudere studenten te voorkomen. Jongeren bleken zich nogal eens te storen aan de vele vragen van ouderen, die niet zelden uitmonden in ellenlange discussies met de docent.

Hovo-onderwijs geeft echter geen recht op een academische titel. Sommige ouderen willen juist wel een bul. Zij – een kleine tweeduizend momenteel – studeren aan een gewone universiteit. Dat wordt niet door iedereen geapprecieerd.

“Natuurlijk heeft iedere bejaarde recht op een verzetje. Maar daar hebben we in onze prachtige verzorgingsstaat bingo en geraniums voor uitgevonden; de universiteit dient voorbehouden te blijven aan hen die de arbeidsmarkt nog moeten trotseren,” fulmineerde geschiedenisstudent Peter Vanderberg een paar jaar geleden in het Leids universitair weekblad Mare. Slot van zijn ingezonden brief: “Gepensioneerde toehoorders lijken slechts geïnteresseerd in het luidkeels verkondigen van al opgedane inzichten en denkbeelden, waarmee kostbare tijd verloren gaat.”

Vanderberg kreeg veel steun. Patricia Doest, destijds eerste-jaars Portugees: “Van mij hoeven ze ouderen niet te weren uit de colleges. Maar ouderen zouden zich wel wat beter mogen aanpassen. Ze betrekken veel te veel hun eigen levenservaring bij de lessen en ze denken dat ze alles al weten.” Daan van der Lucht, derdejaars algemene letteren: “Er zitten bij elk college een of twee oudere mensen. Ze studeren heel hard en laten zien
dat ze van alles weten. Dan houden ze de lessen echt op.”

Bij deze drie klagers bleef het niet. Een enquête van Mare leerde dat het merendeel van de Leidse letterenstudenten zich tijdens colleges regelmatig stoorde aan dominant gedrag van ouderen.

De irritatie is wel begrijpelijk. Ouderen zíjn ook steeds dominanter aanwezig. Er is sprake van een heuse pensioengolf. Nooit eerder verlieten zo veel ouderen tegelijk het arbeidsproces. Oorzaak: de naoorlogse geboortegolf, die in 1945 op gang kwam en het jaar daarop doorzette. Resultaat van deze babyboom: volgend jaar telt Nederland maar liefst 241.000 61-jarigen, tegen 174.000 dit jaar. Een belangrijk gegeven, want op hun 61ste stoppen werknemers gemiddeld met werken. Dit betekent dat het aantal vitale ouderen enorm gaat stijgen.

Deze jongbejaarden hebben geen klagen. Ze zijn bemiddeld. Met elkaar bezitten ze 65 procent van het totale Nederlandse
privévermogen. Geen wonder. Ze hebben flink kunnen sparen, een huis gekocht in de goede periode, een goed pensioen en ze hebben kunnen genieten van vut- en prepensioen.

Ze zijn bovendien vitaal, de nieuwe ouderen – door sommigen ook wel de novogeront, de nieuwe bejaarde, genoemd. Zoals Amerikanen graag zeggen: retirement is no longer God’s waiting room. Tot het 75ste levensjaar is het aantal mensen met beperkingen relatief gering, pas daarna gaat de gezondheid achteruit. De toenemende vitaliteit blijkt ook uit de veranderde woonsituatie. Woonden de meeste 65-plussers vroeger in een bejaardentehuis, tegenwoordig woont ruim 85 procent nog zelfstandig. 

‘Van mij hoeven ze ouderen niet te weren uit de colleges. Maar ouderen zouden zich wel wat beter mogen aanpassen. Ze betrekken veel te veel hun eigen levenservaring bij de lessen en ze denken dat ze alles al weten.’

Maar wat bij jongeren misschien nog wel de meeste jaloezie wekt: de nieuwe ouderen hebben zeeën van tijd. Daarvan maken ze volop gebruik – geef ze eens ongelijk. Bijvoorbeeld door veel te sporten; naast golf en wandelen zijn fietsen, zwemmen en racketsporten favoriet. En door veel te reizen. Aan mogelijkheden geen gebrek. De NS bieden voor 55 euro een voordeelkaart die, tegen geringe bijbetaling, ook nog eens zeven dagen per jaar recht geeft op gratis reizen. In sommige gemeenten, waaronder Amersfoort, mogen 65-plussers zelfs het hele jaar gratis met de bus.

Reizen doen de nieuwe ouderen ook veelvuldig naar het buitenland. Gemiddeld gaan ze 4,3 keer per jaar met vakantie. Van de vakantiegangers die in Nederlandse hotels verblijven, is 73 procent ouder dan 50 jaar. Tweede huisjes zijn ook populair. In de leeftijdscategorie 50 tot 65 bezit 2 procent een tweede huisje in het buitenland. Van diezelfde groep overweegt nog eens 20 procent zo’n huisje aan te schaffen. Een andere categorie jongbejaarden gaat nog een stap verder; zij resideren permanent in het buitenland. Volgens het CBS is het aantal AOW’ers dat in landen als Spanje en Frankrijk een AOW-uitkering geniet de afgelopen tien jaar gestegen van 100.000 tot 237.000.

Kortom, de novogeront is overal. Dat gevoel wordt nog eens versterkt door de media. Was reclame specifiek gericht op ouderen jarenlang not done – ouderen wilden niet als oudere worden aangesproken – ineens lijkt het roer om. Senioren vormen een doelgroep, met een speciale benaming: mokka’s (mondig, ouder, kapitaal-krachtig en actief), eigen bladen (Plus, Zin, Midi) en een eigen omroep (MAX). Er bestaat zelfs al een speciale blije doos voor vijftigplussers, de BoxVitaal geheten.

Jongste nouveauté: oudere fotomodellen. Nivea adverteert voor zijn gezichtscrème met drie mooie vrouwen op leeftijd. Dove gaat nog een stapje verder. In commercials en op reusachtige billboards gebruikt het Unilever-merk naakte vrouwen op leeftijd als model.

Samenvattend: ouderen die nu met werken stoppen, zijn spekkoper. Geld, een goede gezondheid en plenty vrije tijd maken hen tot een bevoorrechte groep. Het is ze gegund, de senioren. Maar er zijn grenzen. Ieder mens heeft rechten en plichten, vitale ouderen incluis. De afgelopen decennia vervulden ouderen die plichten graag en trouw. Vrijwilligerswerk leunde voor een groot deel op de schouders van ouderen. Veel verenigingen en stichtingen zouden het loodje hebben gelegd zonder de inzet van ouderen. Ook voor tal van andere hand-en-spandiensten draaiden (vroeg)gepensioneerden hun hand niet om. Oppassen op de kleinkinderen, koffie schenken in het verzorgingstehuis, mantelzorg: niets was ze te veel, de traditiegetrouwen geboren voor 1945. De nieuwe ouderen, de babyboomers, geboren na 1945, zitten anders in elkaar. 

Babyboomers vormen de generatie die een grote mond heeft gehad en het begrip jong heeft uitgevonden. Een generatie die is opgegroeid in welstand – de enige revolutie was de seksuele – en die zo lang mogelijk midden in het leven wil staan. Forever young. Mondig. Kritisch. Hedonistisch. Een generatie die graag geld uitgeeft, zich omringt met mooie dingen. Eigengereider, rijper en provocerender – de protestgeneratie – dan welke voorgaande vijftigplusgeneratie ook. Een hoogst irritante, zelfingenomen groep, die nog héél lang vijftigplus wil blijven. Niet voor niets spreken sociologen dikwijls over de tweede adolescentiefase.

Een bestuursfunctie bij de plaatselijke tennisvereniging is voor deze puberpensionado’s niet meer vanzelfsprekend, op de kleinkinderen passen evenmin. Hetzelfde geldt voor de erfenis. Legden traditionele ouderen geld opzij om de kinderen iets na te laten, babyboomers steken het geld liever in een mooi jacht of een kekke oldtimer.

“Jonge ouderen voelen zich minder moreel verplicht,” meent directeur Jan Romme van het Nationaal Fonds Ouderenhulp (NFO). “Ze willen best vrijwilligerswerk doen, maar dan op ad- hocbasis. Sociaal contact, het blijven deel uitmaken van de maatschappij, vormt het motief. Ze vragen zich bij alles wat ze doen: what’s in it for me? Het moet leuk zijn. Bij 75-plussers speelt meer het plichtsbesef.”

Leuk, zo’n tweede adolescentie, maar ouderen zonder verantwoordelijkheidsbesef, daar zit de rest van de samenleving niet op te wachten. Zeker nu niet. De vergrijzing zorgt voor grote problemen. Op de arbeidsmarkt dreigt krapte, helemaal in de zorg. Vitale ouderen zijn hard nodig om deze problemen te tackelen, hetzij door bijvoorbeeld te zorgen voor oppas, zodat jongeren zo veel mogelijk kunnen werken, hetzij door zelf langer deel te nemen aan het arbeidsproces.

Oppassen is voor nieuwe ouderen niet langer vanzelfsprekend, kan ook niet als opa en oma grote delen van het jaar in het buitenland vertoeven. Langer doorwerken is voor de meeste ouderen onbespreekbaar. De overheid, politici, werkgevers, vakbonden: alle spelers in het sociaal-economische spectrum mogen dan hun stinkende best doen om langer doorwerken te stimuleren – goed voor de economie – oudere werknemers voelen daar niet voor. Cijfers illustreren dit. In 2005 telde Nederland 2,2 miljoen ouderen van 55 tot 75 jaar. Van deze groep wil slechts 7 procent (160.000 mensen) werken. Deze ouderen kiezen in zeven van de tien gevallen voor een deeltijdbaan. Een derde van die 160 duizend zoekt daadwerkelijk actief naar werk. 

Dat klinkt paradoxaal. Immers, stoppen met werken, de angst voor het Zwarte Gat, was toch iets waar menigeen huizenhoog tegen opzag? Je verloor status, de verveling zou toeslaan, je gezondheid ging achteruit. Niets is minder waar, blijkt uit recent onderzoek van de Universiteit Utrecht. Van de ouderen die zijn gestopt met werken, is 85 procent na een paar jaar juist zeer tevreden met de nieuwe situatie.

Eigengereide, hedonistische babyboomers versus werkenden en studenten die hard moeten aanpoten, willen ze de globalisering en de vergrijzing het hoofd kunnen bieden: genoeg stof voor een generatieconflict. Is een dergelijk battle of the ages nabij?

Deskundigen aarzelen. “Tussen de generaties is nog steeds sprake van een hoge solidariteit,” meent Jolande Sap, directeur van Expertisecentrum LEEFtijd, voorheen het Landelijk Bureau Leeftijdsdiscriminatie. Dick Knook, emeritus hoogleraar gerontologie en auteur van het boek Met pensioen – wat te doen?: “Hoe je het ook wendt of keert: jong en oud blijven op elkaar aangewezen.” Jan Romme van het Nationaal Fonds Ouderenhulp noemt nog een andere reden waarom een generatieconflict volgens hem uitblijft. “De meeste jongeren kijken positief naar de toekomst. Gelijk hebben ze: tot nu toe is iedere volgende generatie er in welvaart op vooruitgegaan,” relativeert de NFO-directeur.

Hebben de deskundigen gelijk? Zijn zij, uit angst er van te worden beticht het vuurtje op te poken, niet een beetje te genuanceerd? De strijd voor behoud van vut- en prepensioen in het najaar van 2005 beloofde weinig goeds. Het Museumplein kleurde grijs van de oudere werknemers die staakten voor behoud van deze goudgerande regelingen. Met het oog op de vergrijzing was dat massale protest asociaal, vonden jongeren. Als tegenreactie richtten zij een eigen vakbond op: Alternatief Voor Vakbond (AVV).

Vut- en vroegpensioenregelingen zijn inmiddels kaltgestelt, maar de AVV is nog springlevend. Nieuw mikpunt van de bond die zich sterk maakt voor de rechten van freelancers, flexwer-
kers en jonge werknemers: een eind maken aan de senioren-dagen, de extra vrije dagen voor ouderen waarin veel cao’s voorzien, en aan de aangepaste werktijden voor ouderen. Wensen waarmee de AVV zich bij oudere werknemers bepaald niet populair maakt.

Stoppen met werken, de angst voor het Zwarte Gat, was toch iets waar menigeen huizenhoog tegen opzag? Niets is minder waar, blijkt uit recent onderzoek. Van de ouderen die zijn gestopt met werken, is 85 procent juist zeer tevreden.

Ook is de angel nog niet uit de discussie over de financiering van de AOW. Het nieuwe kabinet legt de rekening deels neer bij 65-plussers die vut- of vroegpensioen hebben genoten. Maar dat is niet afdoende om de rekening van de vergrijzing in de toekomst te kunnen betalen. De bulk moet worden opgehoest door de werkenden: dertigers die deel uitmaken van de zogeheten generatie X, en millennials, de generatie geboren na 1981, die nog maar moeten afwachten of zij nog wel een AOW- of pensioenuitkering krijgen als het hun beurt is. Vroegpensioen kunnen zij in ieder geval op hun buik schrijven.

De jongere generaties moeten het doen met de levensloopregeling: een sigaar uit eigen doos. En met de wetenschap dat zij, tegen de tijd dat zij 65 jaar zijn, veel langer moeten doorwerken. Dan hebben we het nog niet eens over de werkdruk. Die is de afgelopen jaren flink toegenomen. Een ontwikkeling waaraan, zo het zich nu laat aanzien, vooralsnog geen eind komt.

En last but not least: het aantal babyboomers dat de arbeidsmarkt verlaat, zal de komende jaren explosief toenemen. Voorlopig hoogte-/dieptepunt: 2010. Dan bereiken de eerste babyboomers de leeftijd van 65 jaar. Door diezelfde naoorlogse geboortegolf zal het aantal 55-plussers de komende dertig jaar met 63 procent toenemen tot zes miljoen. Tegen die tijd vormen de ouderen een groep die niet meer valt te negeren. Ook niet op het Haagse Binnenhof, waar de opkomst van ouderenpartijen al in de jaren negentig zorgde voor grote paniek bij het politieke establishment.

Nieuwe ouderen kunnen de morrende jongeren wel tegemoet komen. Door niet álle dagen op de golfbaan rond te huppelen, vakantie te vieren in de Provence of de wiseguy uit te hangen in de collegebanken, maar zich te realiseren dat de maatschappij het zonder hun hulp niet redt.

Doen ze dat niet, dan zullen de jongeren steeds vaker openlijk tegen hen ageren. Met als resultaat een babyboomerangeffect: in de jaren zestig eisten babyboomers meer vrijheid van hun ouders; nu ze die hebben en zélf jongbejaard zijn, willen hun nakomelingen hun die verworvenheden weer afpakken. Desnoods met de blanke sabel of de bullepees – de nozems, pleiners en dijkers van weleer welbekend.