Staat u nog steeds bekend als de grote kindervriend?
“Niet meer zo erg.”
Maar dat imago heeft u wel heel lang aangekleefd?
“Dat programma waar u op doelt, heette J.J. de Bom voorheen de kindervriend. Daarvoor speelde ik in de Stratenmakeropzeeshow, daarna in Het klokhuis. Je kunt zeggen dat ik in veel televisieprogramma’s heb gespeeld die óók voor kinderen waren. Wat toch weer iets anders is dan kinderprogramma’s.”
In de Stratenmakeropzeeshow, meer dan twintig jaar geleden, speelde u de rol van Erik Engerd. Dat moet u toch achtervolgd hebben?
“Dat is niet zo. Imago’s achtervolgen je als je ze gaat uitbuiten. Als je er de boer mee opgaat en er winkels mee gaat openen of mee optreedt op congressen: ‘Naast de serieuze lezingen, meneer Prinsen, zoeken wij ook een stukje entertainment.’ Dat heb ik nooit gedaan.”
U bent door die Engerd-rol anders wel bij een breed publiek bekend geworden.
“Erik Engerd heb ik maar vier jaar gespeeld. Daarnaast speelde ik ‘s avonds bij het serieuze toneel, met acteurs als Guus Hermus en Jan Retel. Dat het me achtervolgd heeft, is meer de mening van anderen.”
Was die rol u op het lijf geschreven?
“Nee. Maar toen ik als lange slungel gevraagd werd voor die rol zei ik: lijkt me wel iets voor mij. Had ik het maar niet gezegd.”
Vindt u het niet leuk dat u erop aangesproken wordt?
“Ik heb al zo vaak moeten zeggen: het is niet zo, ik heb er geen last van gehad. Ik zeg ook wel eens: geen interview als er over Erik Engerd gesproken wordt.”
U heeft altijd in kwaliteitsproducties gespeeld. Is het u wat dat betreft voor de wind gegaan?
“Daar ben ik zelf bij. Als ze me zouden vragen voor een of ander onzinprogramma, dan doe ik daar toch niet aan mee?”
Niet iedereen krijgt die kans toch?
“Je moet natuurlijk ook durven zeggen: ik doe het niet, hoewel ik geen alternatief heb. Maar dan kwam zo’n alternatief doorgaans een paar weken later alsnog. Wat dat betreft heb ik de wind altijd wel in de rug gehad.”
Maar u trekt uw grenzen?
“Als ik denk dat het stuk niks voor mij is, of de tegenspeler is niet goed of zo.”
Met Wieteke van Dort en Aart Staartjes speelt u ruim 25 jaar. Wanneer komt daar een eind aan?
“Ik neem me ieder jaar voor het rustiger aan te gaan doen; het is me nog nooit gelukt. Ik zit nog in de redactie van Het klokhuis, maar ik ben geen coördinator meer. Aart houdt er binnenkort mee op, hij trekt zich steeds meer terug in zijn huis op Patmos. En Wieteke begint ook al te zeggen dat ze op Bali wil gaan wonen.”
‘Ik merk dat u mij in dit gesprek diverse keren verdriet en ongeluk wilt aanpraten. Zo ervaar ik het niet, maar u vraagt erg vaak in die richting. Waar haalt u het vandaan? Ik voel mij een bevoorrecht iemand.’
Om dan echt tante Lien te worden?
“Zit iets in.”
U bent een veelzijdig mens?
“Ik ben een veelzijdig ventje. Maar de meeste mensen hebben vele belangstellingen, ga maar eens bij uzelf na. Ik ken mensen die veel verstand van sport hebben, maar ook veel van vogels weten.”
U weet veel van sport. Vanwaar die belangstelling?
“Dat heb ik altijd gehad. Toen ik merkte dat mijn vader bijvoorbeeld nooit de sportpagina las, was ik verbijsterd. Ik dacht eigenlijk dat de krant slechts een omhulsel was van de sportpagina’s.”
U leest ook veel literatuur. Bent u een intellectueel?
“Nee. Dat zijn mensen die theorieën ontwikkelen. Tussen acteurs ben je al gauw een intellectueel. Maar als er in dit café een kamer uitsluitend voor intellectuelen zou zijn, denk ik niet dat ik binnen zou mogen.”
Is er een passie waarin u uitblinkt?
“Ik hoop toneelspelen. Als dat niet zo zou zijn, valt de bodem toch wel onder mijn bestaan weg.”
Maar dat is uw werk. Of beschouwt u het niet als zodanig?
“Het is zeker een passie zonder dewelke ik moeilijk zou kunnen leven. Dus als iemand tegen me zou zeggen: ik zal je iets verklappen, jij kunt helemaal niet acteren, dan zou ik toch aardig instorten.”
Is dat ooit tegen u gezegd?
“Nee. Wel natuurlijk: ‘Wat sta jij verdomd slecht te spelen.’ Dat wordt vaak genoeg gezegd, zeker op repetities. Maar je kunt toch niet een jaar of dertig aan het toneelspelen zijn en dan tot de conclusie komen dat je het eigenlijk niet kunt?”
U bent via de televisie beroemd geworden, maar had u niet liever via het toneel beroemd willen worden?
“Het is een misvatting te denken dat het een en hetzelfde publiek is. Bij het toneelpubliek ben ik voldoende bekend als theateracteur. Bij het televisiepubliek als televisieacteur. Naar een aflevering van Het klokhuis kijken waarschijnlijk meer mensen dan er in een heel jaar in de schouwburg komen.”
Vindt u dat niet jammer?
“Wat kan ‘t me nou schelen? Ik speel graag toneel, zowel voor de televisie als in het theater. Mart Smeets zegt het zo aardig: ‘Nee, u kent mij niet van de televisie, u herkent mij van de televisie.’ Van die mensen weet ik: die gaan nooit naar het theater. Mensen die naar theater gaan zeggen: ik zag u nog in Elektra vorig jaar. Of in dat stuk van Brecht.”
Is het gevoel beroemd te zijn u vreemd?
“Ik ben niet beroemd. Ik word herkend. Picasso was beroemd.”
Maar in Nederland bent u toch beroemd?
“Nee! Ik denk dat een groot aantal mensen mijn naam niet kent. Ik denk dat de namen Pablo Picasso, Joost van den Vondel, Wim Kok en Frits Bolkestein aanzienlijk bekender zijn dan Joost Prinsen.”
Zegt dat iets over uw status als acteur?
“U stelt steeds vragen waarop het antwoord me geen fluit interesseert. In hoeverre ik minder bekend ben dan Bolkestein interesseert me helemaal niets.”
Wat is uw ambitie dan?
“Ik zeg dit alleen om aan te geven: ik ben niet beroemd, ik word herkend. C’est tour.”
Waarom bent u bij het toneel gegaan?
“In mijn jeugd waarschijnlijk vanwege Hollywood-idealen, of omdat bleek dat dat het enige was waarin ik echt uitblonk. Ik ben in de jaren vijftig opgegroeid. Toen had je allerlei voordrachtswedstrijden die ik steeds won. Ik had altijd de hoofdrol in het schoolstuk. Ik dacht: dit kan ik, dat moet ik maar gaan doen. Later moet je andere impulsen vinden. Dan merk je dat je heel hard moet werken, heel consciëntieus moet zijn, niet aan de drank moet raken en een soort aangeboren geilheid om je te manifesteren moet hebben.”
En dat had u?
“Je ontdekt pas waarom je aan het toneel wilt, als je al vele jaren aan het toneel bent.”
Uit wat voor milieu komt u?
“De gegoede middenklasse. De dokter, de notaris, de burgemeester, de advocaat.”
KVP-milieu?
“Mijn vader was een van de laatste burgemeesters van een grote stad die geen lid was van een politieke partij.”
Wanneer werd hij burgemeester?
“In 1932 in Roosendaal. In de oorlog was hij gegijzeld in St. Michielsgestel, en vanaf ‘46 tot zijn dood in ‘52 zat hij in Breda. Hij is al 46 jaar dood. Hij stierf toen ik negen was.”
Was het lastig om zonder vader op te groeien?
“Wij hadden een groot gezin. Mijn vader was er toch al veel niet, en de laatste jaren van zijn leven was hij heel vaak ziek. Ik ben eigenlijk van begin af aan meer door mijn moeder, mijn zussen en de dienstbode opgevoed dan door mijn vader. Veel later ben ik hem pas gaan missen.”
U was te jong om hem te missen of omdat hij er nooit was?
“Naar mijn idee was mijn vader altijd aan het vergaderen. Dat vond ik wel: als ik dat ooit eens zou bereiken, dat ik ook naar een vergadering mocht een keer, dan had ik het echte leven wel bereikt. Het klonk mij chic in de oren.”
U heeft twee geadopteerde, inmiddels volwassen dochters. Was u een goeie vader?
“Eerste regel voor een goede vader: hij moet er zijn. Dus al mijn goeie bedoelingen en de momenten dat ik er wel was, wegen niet op tegen dat ene: ik was er veel te weinig.”
‘Wie is die man die bij ons op zondag het vlees komt snijden?’
“Dat is een beetje overdreven, hoor. Maar in die richting.”
Maar u bent wel een lieve vader?
“Ik ben een lief ventje. Daarom is mijn vrouw nog steeds bij me. Op school zei Ank van der Moer tegen mij: jouw zwakke punt als acteur is dat je te goedmoedig bent. En dat is voor sommige rollen lastig.”
Is daar een verklaring voor?
“De verklaring van Ank van der Moer.”
Wat zei zij dan?
“Dat zei ik net. U moet wel een beetje opletten, hoor, meneer Kellerhuis. Zij zei: je bent te goedmoedig. Ik heb u al drie keer betrapt op het stellen van dezelfde vraag.”
Nee, ik snap niet waarom je als je goedmoedig bent, sommige rollen niet zou kunnen spelen. Legt u dat eens uit?
“Dat is een heel andere vraag. Omdat je bijvoorbeeld een bad guy niet zo makkelijk uit jezelf kunt laten komen.”
Wordt u wel eens kwaad?
“Ik kan zeer driftig worden.”
Waarop?
“Op volstrekt incompetente mensen. ‘Wat doe jij hier?’ Je kan er helemaal niks van, lazer op.’ Vroeg of laat kan ik mijn afkeer niet verbergen.”
Ook op het toneel?
“Ook wel ja. Ik heb wel eens een driftaanval gehad. Dat ik een acteur in de coulissen bijna wilde vermoorden. Zo slecht vond ik hem. Andere acteurs moesten me tegenhouden. Zo iemand die dacht dat toneelspelen een wedstrijd in aandachttrekken was.”
Bent u als u kwaad bent altijd echt kwaad?
“Ik ga toch niet in het dagelijks leven zitten spélen dat ik echt kwaad ben?”
Is er veel haat en nijd in de toneelwereld?
“Ik heb er meer vriendelijkheid en collegialiteit ondervonden dan haat en nijd. Mensen die zoiets roepen, zijn bijna altijd talentloos. Als je een beetje talent hebt, is er werk zat. ‘Ik ben er toen mee opgehouden, het is allemaal haat en nijd.’ Dan denk ik, nee, jij bent er niet mee opgehouden vanwege de haat en de nijd, je kón niks. je kon niet spelen, je kon geen televisieprogramma presenteren. ‘Ja, dat hele Hilversum is één groot matras.’ Ik ben nog nooit naar bed geweest met iemand uit Hilversum en ik werk er al jaren.”
Wanneer heeft u de zuidelijke contreien verlaten?
“Na afloop van het toelatingsexamen voor de toneelschool in Maastricht zei de voorzitter van de examencommissie: ‘Onze spraakleraar wil nog even met je spreken.’ Zegt die man met een Limburgs accent: ‘Mag ik u misschien even in de mond kijken?’ Ik dacht: die is gek, hier moet ik niet naartoe. Toen ben ik examen gaan doen in Amsterdam.”
Ver weg dus van het vertrouwde Brabant?
“Ik dacht: als ik naar Maastricht ga, dan kom ik aan het toneel terwijl ik nog nooit een stap boven de rivieren heb gezet, uitgezonderd een misdienarenreisje of een keer met de school naar het Rijksmuseum.”
Werd u met uw Brabantse accent meteen in het Amsterdamse toneelwereldje geaccepteerd?
“Ik heb niet zo’n enorm accent. Ik was wel geloof ik de eerste Brabander die ze daar ooit hadden gezien. De directeur vroeg me tijdens het aanmeldingsgesprek: ‘Meneer, waarom gaat u niet naar Maastricht?’ ‘Ik ben wel eens hartelijker,’ antwoordde ik. ‘U heeft volkomen gelijk,’ zei hij toen.”
Heeft u nooit meer naar Brabant terug gewild?
“Dat nog wel, maar mijn vrouw, die uit Groningen komt, wil dat niet. Bovendien is er in Brabant niet zoveel te verdienen. Dan zit je erg aan het Zuidelijk Toneel vast. In mijn beroep is de Randstad de beste plek om te wonen.”
En viel u toen ook van uw katholieke geloof.
“Ik ben niet van mijn geloof gevallen. Ik ben van die poespas eromheen gevallen.”
Zegt u nu dat u eigenlijk wel gelovig bent?
“Ik sta er op dit moment ambivalent tegenover. Ik vind dat ik de verplichting heb op deze elementaire vraag eens een duidelijk antwoord te geven. Ik heb het nu alleen niet pasklaar.”
U bent er nog niet uit?
“Nee. Maar ik vind wel dat hier een standpunt op zijn plaats zou zijn.”
Maar u gelooft niet in de simpele voorstelling van hemel, hel en aarde?
“Nee. In de katholieke wereld heb je van die retraites. Drie dagen lang lezingen en discussies. Misschien zijn er over het bestaan van God ook wel retraites. Waarschijnlijk ben ik na drie dagen even wijs als toen ik binnenkwam. maar dan heb ik tenminste eens een poging gedaan.”
Heeft u het vaak moeilijk met uzelf?
“Nee.”
Uw gezicht staat toch wat somber. Klopt dat?
“Over mijn kop krijg ik al 55 jaar klachten, maar zelf heb ik dat gevoel helemaal niet. Als je mijn stem aan iemand laat horen die mij niet ziet en mij ook niet kent, zal hij denken: wat een vrolijke jongen. Daar wil ik wel een uurtje mee doorbrengen.”
Is er zo over uw hoofd gezeurd?
“Niet echt. Maar wel: wat een lelijke Erik Engerd-kop.”
Vindt u dat zelf ook?
“Ja. Maar ik heb er geen last meer van. Al lang niet meer.”
Maar u maakt niet echt een heel vrolijke indruk.
“Dat treurige of bozige komt bijna altijd voort uit het eerste kwartier van het interview, realiseer ik mij nu. Want alle interviewers beginnen over de kindervriend, over Erik Engerd. Daar word ik treurig van en dan denk ik: het is nu al 25 jaar geleden, alsjeblieft niet weer.”
Het moest echt even, meneer Prinsen. Dat snapt u toch wel?
“Nee. Waarom zou het moeten? Het is alsof je aan Johan Cruijff vraagt: u was toch voetballer bij Ajax? En later bij Barcelona?”
U bent in de ogen van een hele generatie beginnende dertigers een legende. Is dat nou zo erg?
“Die ogen zijn niet goed. Het aardige van toneel is dat je je iedere keer opnieuw bewijzen moet. Je kunt niet in een stuk gaan staan en zeggen: ‘Ik was zo leuk als Erik Engerd, jullie moeten de rol die ik nu neerzet ook maar leuk vinden.’ Daar heeft een regisseur geen boodschap aan.”
Je mag toch wel trots zijn op dingen die je in een ver verleden hebt gedaan?
“Het is lief van u gezegd, ik bestrijd ook niet dat u het met goede bedoelingen doet, maar ik begin er niet meer aan. Laat ik maar trots zijn op dingen die ik ga doen.”
Kijkt u nooit terug op uw successen?
“Ikke niet.”
Waarom niet?
“Je hebt er geen pest aan! Het enige dat het je geeft, is een beetje troost: toen heb ik immers best succes gehad met die rol. Maar dat had ik ook in De misantroop van Molière bij Gerardjan Rijnders, of in de Drie zusters of op de televisie met dit of dat.”
Heeft u nog steeds het gevoel dat u zich iedere keer moet bewijzen?
“En als dat gevoel weg zou gaan, wordt het pas linke soep.”
Houdt u nog steeds veel van toneel?
“Het staat in mijn paspoort: ik ben dat. En ik houd er meer dan ooit van. Mijn ambities zijn gerichter dan vroeger. Toen wilde ik naar Hollywood en de beste acteur van de wereld worden.”
Waarom bent u nooit naar Hollywood gegaan?
“Wacht nou even! Ik ben antwoord aan het geven op een vraag. Sommige vragen kun je niet in tien seconden beantwoorden, meneer Kellerman. U doet het steeds als ik een antwoord wil geven, waardoor ik vrees dat we die honderd vragen letterlijk moeten opvatten. Namelijk: honderd vragen en geen antwoorden.”
Bent u nou een beetje verveeld?
“Nee, ik ben niet verveeld. Eerder denk ik: de man laat me niet uitspreken. Ik ben amper halverwege de eerste omvat mijn antwoord en de volgende vraag komt al weer. Ik ben verbaasd.”
Ik vind dat u best antwoorden geeft. U niet?
“Omdat ik ze erdoor druk. Anders zitten we hier morgen nog en pas bij vraag dertien. Terwijl wij er toch naar streven om over een uurtje klaar te zijn.”
Goed, naar Hollywood gaan we zo. U zei: mijn ambities zijn nu gerichter dan vroeger?
“Ik stop in bijna iedere rol enige charme en humor. Stel voor dat ik dat weghaal, hoe zou het dan zijn? Zou het dan niet beter worden? Ik ben mezelf nog steeds aan het uitvinden op het toneel. Met dat soort dingen houd ik me bezig. Ik ben op dit moment ambitieuzer dan ooit. En Hollywood heb ik nooit echt overwogen, daarvoor moet je een beau garçon zijn.”
Ziet u uzelf als een belangrijk acteur?
“Nee. Ik heb mijn ambitie zo-even vrij goed omschreven, vind ik zelf. Ik ben benieuwd hoe het met mij loopt.”
Bent u een man van de bijrollen?
“Als ik een wielrenner was, zou ik een subtopper zijn. En zoals alle wielrenners weten: subtoppers winnen op goeie dagen grote koersen. Die worden een keer wereldkampioen, winnen Luik-Bastenaken-Luik of de Ronde van Vlaanderen. Kleine rollen heb ik echt zelden gespeeld.”
Bent u een matig mens?
“In eten en drank. Ik geef steeds minder om alcohol.”
Vroeger wel dan?
“Toen ik op de toneelschool zat dronk ik vrij veel. Maar ik ben steeds minder gaan drinken.”
Een echte drinker bent u nooit geweest?
“Op school wel. Maar op een bepaald moment dacht ik. het is niks, die katers. Dat heb ik er niet meer voor over. Als ik een glas wijn in de week drink, is het veel.”
Heeft u die rauwe stem dan door het roken gekregen?
“Zonder enige twijfel. Ik rook nog zo’n achttien sigaretten per dag. Op oude grammofoonplaten kun je horen hoe helder mijn stem was toen ik een jaar of dertig was. Niet dat ik een natuurlijke zanger ben, maar ik heb er eindexamen in gedaan.”
Toch meer kleinkunst dan toneel?
“Ik wilde ook cabaretier worden, maar je had toen nog geen kleinkunstacademie. Anders was ik daarnaartoe gegaan.”
Hoe is die cabaretcarrière gefnuikt?
“Eigenlijk doordat op school bleek dat ik meer aanleg voor toneelspelen had, dat ging me makkelijker af. Maar ik heb ooit een avondvullend cabaretprogramma gemaakt: De firma List & Bedrog. Het was een oud ideaal dat ik een keer moest verwezenlijken. Maar het heeft me zoveel tijd en moeite gekost dat ik er niet mee door moest gaan.”
Bent u rijk geworden van het vak?
“Welnee man, sodemieter op. Van werken word je niet rijk. Dan had ik het anders moeten doen. En ik ben administratief ook te slordig. Aart en Wieteke hebben het wat dat betreft beter gedaan.”
Jaloers?
“Maar ik ben niet arm, hoor. Ik beklaag me niet.”
U deed ook wel eens reclamewerk, dat is toch aardig verdienen?
“Daar kun je in één keer meer verdienen dan in een heel jaar toneelspelen. Dat levert niks op.”
‘Ik zou nog eerder vertellen over geld dan dat ik mijn huwelijksbekentenissen prijsgeef. Ik ben wel eens een weekje naar mijn broer gegaan, ja. Maar niet naar een andere vrouw, nee. Ik ben al blij dat ik überhaupt een meisje heb kunnen krijgen.’
Maar televisiewerk immers wel?
“Dat is een misvatting. Dat is gewoon een baantje als onderwijzer.”
Wat is het hoogste bedrag dat u voor een reclameproductie heeft gekregen?
“Dat vertel ik u niet. Het is trouwens al weer op. Zoveel naar de belastingen, zoveel naar een nieuwe keuken, zoveel naar een studieverzekering voor de kinderen en nog wat extra pensioen storten voor mezelf; drie maande later was het weg.”
Bent heel lang met dezelfde vrouw getrouwd?
“Bijna 25 jaar. Over anderhalve maand.”
Altijd gelukkig getrouwd geweest?
“Natuurlijk niet. Wie is er nou altijd gelukkig getrouwd? Dat lijkt mij een saai huwelijk.”
U heeft uzelf nooit even bij een andere vrouw geparkeerd?
“Kijk, ik zou nog eerder vertellen over geld dan dat ik mijn huwelijksbekentenissen prijsgeef. Ik ben wel eens een weekje naar mijn broer gegaan, ja. Maar niet naar een andere vrouw, nee. Ik ben al blij dat ik überhaupt een meisje heb kunnen krijgen.”
Was u als jongeman een verleider?
“Ik had op dat gebied veel geduld. Veel jongens missen dat en verknallen het daardoor. Zo ongeduldig als ikzelf ben, zo geduldig was ik met de meisjes. Maar ik ben nooit een Don Juan geweest. Welnee.”
En toch zie je veel mannen van uw leeftijd scheiden en er met een jongere vrouw vandoor gaan. Dat is niets voor u?
“Wij Prinsens zijn alimentatieschuw. Prinsens scheiden niet. Ik heb een zeer uitgebreide familie maar ik ken er geen die gescheiden is.”
U heeft dus een leuke vrouw?
“Zeer.”
Heeft u een prettig leven?
“Ik zou minder hard moeten werken.”
Bent u ongelukkig?
“Absoluut niet.”
U heeft geen hypochondrische trekken?
“Of ik die wel of niet heb, weet ik niet, maar ik voel me absoluut niet ongelukkig. Ik voel mij een gezegend iemand. Ik ben 25 jaar getrouwd, ik heb twee kinderen met wie ik goed omga, en ik doe werk dat ik altijd leuk vind. Alleen, ik werk te hard. Ik ben steeds beschuldigd van luiheid, door mijn moeder, de leraar op school, in militaire dienst, noem maar op. Dus ik wist niet wat ik hoorde toen iemand op de toneelschool tegen mij zei dat ik een workaholic was.”
Geniet u wel eens van andere dingen in het leven?
“In deze tijd van het jaar niet. Om ergens van te genieten moet je er tijd voor nemen.”
Heeft u dan misschien een zwaar leven?
“Ik merk dat u in de loop van dit gesprek mij diverse keren verdriet en ongeluk wilt aanpraten. Zo ervaar ik het niet.”
Ik praat u niks aan, ik vraag het u; dat mag toch wel?
“Maar u vraagt erg vaak in die richting. Waar haalt u het vandaan? Ik voel mij een bevoorrecht iemand.”
En gaat het lichamelijk ook nog allemaal goed met u?
“Minder dan vroeger, natuurlijk. Maar een goede gezondheid is voor een acteur belangrijk. Ik ben wel eens duizelig omdat ik geopereerd ben aan mijn oor, ik heb wel eens kramp in mijn been. Ik klaag regelmatig tegen mijn broer. Hij zegt: ‘Man, als wij ‘s ochtends wakker worden en we hebben geen pijn, dan zijn we dood. Wees blij.’ Als je rond de twintig sigaretten per dag rookt vanaf je dertiende, dan gaat het als je 55 bent, ik garandeer het u, niet zo goed met je.”
Huilt u wel eens?
“Mij kunt u moeilijk triestheid aanpraten. Wat een Rémi van der Elzen-vraagl U wilt een antwoord? Ik ben erg goed in huilen. Sterker: ik kan het op commando. Toch raad ik u dringend aan deze vraag weg te laten.”
U bent dus gewoon een redelijk tevreden mens?
“Jazeker. En dat maakt mij buitengewoon oninteressant voor de honderd vragen.”






