Leven

‘ Een school waar alles klopt, is saai’

Hogeschool Inholland maakt weliswaar vrolijk reclame voor zijn open dagen, maar kampt intern met zware interne problemen. Vorige week stapte de raad van toezicht op, nadat eerder al het college van bestuur zich had teruggetrokken. Deel 2 van een driedelige serie waarin een oud-leraar terugblikt op zijn gevecht tegen een megalomane leerfabriek.

28/01 | 2011
door De Redactie
Leestijd 13 minuten
Afbeelding

In alle acht jaar dat ik voor Inholland in Rotterdam heb gewerkt, is nooit duidelijk geworden waarom de particuliere opleiding Journalistiek überhaupt bestaat. Het zou fijn zijn als er ooit iemand was opgestaan die vanuit een bepaalde visie of urgentie zou kunnen uitleggen wat Inholland - naast de reguliere journalistenopleidingen - ooit dacht te kunnen toevoegen toen ze in 2002 begonnen. Dan was er een kans geweest dat de opleiding een leidraad of ‘gezicht’ had kunnen krijgen en het curriculum een logische eenheid vormde. Het is slechts een symptoom van iets wat acht jaar voortduurt: totale radiostilte vanuit het college van bestuur.

De kreet die we als docenten introduceren om de desorganisatie te maskeren, is ‘ondernemend’. Wij leiden de ‘ondernemende journalist’ op. Dat sluit slim aan bij het imago van Rotterdam en bij het feit dat onze studenten, in alle fasen van hun studie, bijna overal achteraan moeten lopen: van correcte cijferlijsten tot snuffelstages tot beargumenteerde respons op hun werkstukken. Het spreekt een bepaalde groep (meestal bemiddelde) ouders nog aan ook: dat hun zoon of dochter het niet cadeau krijgt, maar voor 4000 euro aan het werk wordt gezet.

In 2005 verhuist de opleiding vrij plotseling naar het grote Inholland-gebouw aan de Zuidoever van de Erasmusbrug. Het verloopt chaotisch. Er moet op stel en sprong gereageerd worden op een onvoorziene situatie: roosters, lokalen, studiegidsen - de hele machinerie staat weer eens onder zware druk. Zelf herinner ik me helder het moment waarop ik voor het eerst onze nieuwe etage betreed en grote groepen studenten wegens een gebrek aan lokalen drijfnat op hun uitgespreide regenjassen op de grond zie zitten, geleund tegen de muur. Campingtaferelen. En dan te bedenken dat de studenten bij ons 4000 euro per jaar betalen. Sommigen werken zich krom met bijbaantjes om het jaarlijkse collegegeld bij elkaar te sprokkelen. Maar een eenvoudig lokaal om hen te ontvangen en te informeren over de consequenties van de verhuizing? Het is niet geregeld.


Een kind kan zien dat er geen toekomst is voor onze opleiding. Waar je als particuliere opleiding zou moeten uitblinken en extra’s zou moeten bieden, gaat bij ons de vlag uit als er tijdig nietjes door een paar A4’tjes worden gestanst. Het heet: studiegids. De docenten kunnen nóg zo hard proberen hun eigen vak zo leuk, aantrekkelijk en inhoudelijk mogelijk te maken, binnen de moloch Inholland - waar we nu letterlijk middenin zitten - is er nul aandacht en extra budget en kunnen we ons derhalve onmogelijk op een manier onderscheiden die duizenden extra euro’s aan collegegeld rechtvaardigt.

Alle docenten houden rekening met het nieuws dat het snel afgelopen is. We zijn het onderling eens: we zitten in een klucht. Een macabere klucht. Toch zal de opleiding nog jaren doormodderen. Waarom? Niemand van ons die het weet. Ook de nieuwe opleidingsmanager, een voormalig gymleraar, heeft geen idee. Hij vindt het wel een mooie functie: “Mijn moeder had nooit gedacht dat ik dit zou bereiken.”

Deze nieuwe opleidingsmanager, een zestiger, geniet zichtbaar van zijn status. Zijn belangrijkste kwaliteit? Als voormalig gymnastiekleraar en ex-student van de pedagogische academie weet hij hoe hij ‘verwende studenten’ een schop onder hun hol moet geven. Ik zeg bewust ‘onder hun hol’, want daar houdt hij van. Hij ziet het leven vooral in sporttermen. Ouwe jongens krentenbrood. Als ik opper dat wij organisatorisch gezien een soort hindernisbaan voor studenten journalistiek hebben opgetrokken, is dat in zijn ogen geen schande. “Prima. Daar word je hard van. Een school waar alles klopt, is saai.” Veel van zijn werk bestaat uit het gladstrijken van conflicten met studenten en ouders. Vaak als ik op school kom, is hij achter gesloten deuren met hen in gesprek.


De negatieve publiciteit en het rondzoemen van onze gebrekkige organisatie doet zijn werk. Hebben we in 2002 nog drie klassen eerstejaars (met circa 65 studenten in totaal), in 2005 is dat terug gebracht tot één. Als we in het begin al verliesgevend waren, hoe erg moet dat dan in 2005 niet zijn? Maar in hbo-land is niets wat het lijkt. Dat land heeft een ondoorgrondelijke logica, en daarnaast een ondoorgrondelijke taal.

Jaren later zal Doekle Terpstra, voorzitter van de HBO-raad, zich opwerpen als de inspirator van een totaal mislukte anti-Wilders-beweging. In de naam van die beweging zit alle visieloosheid en het kromme denken van de hbo-wereld vervat: ‘Benoemen en bouwen.’ Gek hè, dat zo’n slogan niet aanslaat?

Hoewel ik de opleiding persoonlijk al vele malen ten grave heb gedragen en ik geen enkele toekomst zie, word me met klem gevraagd om tijdens die paar open avonden per jaar een praatje te houden. Kennelijk heeft niemand bij Inholland door hoe diep mijn reserve tegen de opleiding al in mijn ziel gebeiteld zit.

Ik zwicht en leg - vaak tegenover een handjevol geïnteresseerden - de nadruk op de groeiende freelancermarkt in de journalistiek en dat onze opleiding ten opzichte van de concurrentie ‘kleinschalig’ en ‘ondernemend’ van karakter is. Via eufemismen als ‘er gaat weleens iets mis’ en ‘Jantje moet weleens wat cijferlijsten aanpassen’ hint ik op de organisatorische gebreken.

Desondanks gaat het verhaal erin als koek. Ik krijg van velen complimenten over de duidelijkheid: niet alleen van collega’s, maar ook van geïnteresseerde ouders die vinden dat ze op andere hogescholen ‘een gelikt en nietszeggend verhaaltje’ voorgeschoteld krijgen. “Jij schetst tenminste helder de voor- en nadelen van deze opleiding.” Waar ik kennelijk ook mee scoor, is de ontbrekende sfeer van politieke correctheid: “Wij verketteren hier niemand om zijn of haar mening. Zolang je die mening maar goed kunt onderbouwen.”


Dat sfeertje blijkt een bescheiden gat in de markt, zeker bij ouders uit het ondernemersmilieu. Het voor Nederlandse begrippen belachelijk hoge schoolgeld - dat per jaar nóg weer hoger wordt - bewaar ik steevast tot het einde van mijn praatje.

Na de open avonden bijt ik doorgaans heel hard in mijn kussen. Ik weet niet welke emotie daarbij de boventoon voert. Euforie? Walging? Verbijstering? Alle drie?

Voor de goede orde: zijn mijn acht jaren bij Inholland een aaneenschakeling van negatieve ervaringen? Zeker niet. Ik herinner me dat ik, kersvers aangekomen, Hugo Borst wist te strikken om een masterclass bij Inholland Select Studies te geven. Tóp! Een twee uur durend optreden waar de studenten nog lang over na zullen praten. Het is het type elektriserende ervaringen waarmee je de kretologie van Inholland, die vaak hol en nietszeggend wordt ingezet, werkelijk zou kunnen ‘aankleden’. Maar het zal het enige bezoek van Hugo Borst blijven. Reden? Er is weinig of geen budget om deze professionals een gastcollege te laten geven.

Omdat we een particuliere opleiding zijn, hebben we meer speelruimte dan onze concurrenten bij het aannemen van studenten. Je hoeft niet per se een havo-diploma op zak te hebben, een bepaald type mbo-diploma volstaat. Naar buiten toe wordt gecommuniceerd dat je een taaltoets en een motivatiegesprek moet doorstaan alvorens je wordt aangenomen. In de praktijk vertegenwoordigt elke student zoveel duizend euro extra inkomsten, die we als opleiding maar al te graag binnenharken. Bijna niemand wordt afgewezen.

Door dit losbandige aannamebeleid trekken we zeer uiteenlopende studenten aan: zeer pientere en zelfstandige, maar ook zeer onwetende. Twee vragen uit al die jaren schieten me te binnen. De eerste, van een meisje: “Sorry meneer, maar wie is Angela Merkel?” De tweede, van een jongen die aan het eind van de les naar me toe komt: “Kunt u mij de namen geven van een paar opiniebladen? Dan ga ik die kopen.”


Nu we het toch over rare momenten hebben: op zekere dag zit ik aan bij een maatschappelijk initiatief van een Inholland-lectoraat. Studenten willen een krant en een weblog maken in een zwakke wijk te Rotterdam-Noord. Ik heb moeite mijn aandacht erbij te houden. Het gaat namelijk over subsidies en randvoorwaarden, en niet over de krant en het weblog zelf. Na afloop stelt een vrouw met een nogal artistieke bril zich aan me voor. Op haar kaartje staat ‘Ideeënfabrikant’. Ik kijk nog eens. Ja, het staat er echt: Ideeënfabrikant.

In de loop der jaren verandert Inholland van een serieuze bijverdienste in een duister experiment: ik kijk ernaar als naar een bijenkorf. Op het dieptepunt trekken we nog maar twaalf nieuwe studenten aan. Ik hoef derhalve maar één les ‘Formuleren’ per week te geven. De collega-opleidingen van Inholland Select Studies (onder andere Sportmanagement en Onroerendgoed Management) zijn al opgeheven. Die hebben de chronische desinteresse van het college van bestuur niet overleefd. Wij (nog) wel.

Dikwijls bekruipt me het idee dat ik in een hiernamaals bivakkeer: de stekker ligt eruit, maar we ademen nog.

Omdat ik bijna vanaf de eerste seconde weinig of geen fiducie heb in de logistieke organisatie bij Inholland, vertik ik het acht jaar lang om een Inholland-account aan te vragen. Daardoor mis ik hele reeksen vergaderingen, Blackboardtrainingen en andere bijeenkomsten. Toch functioneer ik als ‘stille dissident’ min of meer gewoon door. Ik verzorg mijn eigen lesmateriaal, ik laat opdrachten mailen naar mijn privé-adres en cijfers lever ik per e-mail aan.

Als een administratief medewerkster mij op een blauwe maandag luidkeels en vol verbazing vraagt of ik dit of dat ‘dan niet op de Inholland-mail heb gelezen’, zeg ik doodleuk dat ik ‘geen Inholland-mail héb’. Ze kijkt me langdurig en onderzoekend aan. Ik meen haar te zien trillen. Ik schat in dat ze twijfelt of ze mij een asociale hufter vindt of een eigenzinnige held. Ze keert zich om en druipt af.


Sinds ik lesgeef, ben ik doordrongen van het belang van een gefundeerde reactie op het werk van studenten. Ik zeg niet dat ik er altijd voldoende tijd voor heb vrijgemaakt, maar het feit dat studenten negen van de tien keer ontzettend blij zijn met mijn kanttekeningen (ook als ze kritisch van toon zijn) onderstreept voor mij het belang ervan. Toch kan ik alleen de lesuren en het nakijken en opstellen van tentamens declareren. Alleen die activiteiten passen in het systeem. Tip: wat zou de ‘praktijk- en competentiegerichte’-aanpak aan waarde winnen als docenten meer ruimte en een betere vergoeding zouden krijgen voor het fundamenteel becommentarieren van het werk.

Ik durf te wedden dat ik in acht jaar Inholland meer dan honderd keer de reactie heb gekregen dat ik ‘tenminste bruikbare tips geef hoe het beter kan’, of woorden van dergelijke strekking. Het is een even kernachtige als eenvoudige samenvatting van wat onderwijs zou moeten doen, lijkt me: tips geven over hoe het beter kan. Maar de studenten reageren steevast alsof ze een zeldzaamheid is overkomen.

Als de opleidingsmanager annex gymnastiekleraar door een zware operatie een half jaar uit de roulatie is, krijgen we te maken met een interim-manager. Deze vijftiger heeft zijn sporen verdiend in het bedrijfsleven (’in het Verre Oosten’), is afgestudeerd chemicus en krijgt een acute rolberoerte als hij ontdekt hoe dingen lopen (of beter: níet lopen) op onze opleiding. Door hem word ik voor het eerst op de hoogte gesteld van het bestaan van een OER: het Onderwijs en Examen Reglement, een niet onbelangrijk document waarvan de interim-manager meent dat we ons eraan moeten houden. En zo niet, dan moeten we het herschrijven.


Deze manager is na al die jaren de eerste persoon die ik kan betrappen op ambitie, intellectuele belangstelling en een realistische kijk op hoe je een opleiding ordentelijk zou moeten runnen. Maar wat ik realistisch pleeg te noemen, hoeft in de context van Inholland niet realistisch te zíjn. Integendeel. Marchanderen, handjeklap en onderhandse akkoordjes zijn de norm. De interim-manager wil bijvoorbeeld dat er vaste tijden komen voor vast overleg tussen vaste personen. Hij beseft echter niet of onvoldoende dat de ontbinding allang heeft ingezet: docenten, studenten en ander personeelsleden lopen in en uit wanneer ze daar zin in hebben en bedisselen onderling wel wat hoort en niet hoort. De weerzin tegen structuur en inzichtelijkheid is ongeneeslijk.

Ik ontwikkel een vriendschappelijke band met de interim-manager, die in Overijssel woont maar doordeweeks in een hotel te Rotterdam bivakkeert. We koesteren een gedeelde liefde voor de Franse auteur Michel Houellebecq. Tijdens een etentje filosoferen we over de tijdgeest, de pervertering van het onderwijs en het instituut Inholland. Voor het eerst durf ik mijn diepgewortelde schizofrenie tegenover de school op te biechten: enerzijds mijn afkeer van de totale desinteresse van bovenaf, anderzijds mijn waardering voor collega-docenten, hardwerkende ondersteuners en studenten die ondanks de wanorganisatie doorgaan. Door hen blijft het romantische beeld van een vitale journalistenopleiding in mijn geliefde Rotterdam levend. “Voorlopig houd ik deze gekte nog in stand,” beken ik. “Twee keer per jaar praat ik mensen om die het beste willen voor hun zoon of dochter.”


De interim-manager betuigt zijn medeleven en laat me vervolgens op zijn beurt delen in zijn grootste frustratie: dat het college van bestuur - de machthebbers op afstand, waarvan je nooit een schim opvangt - te ver weg is om hem in zijn hervormingsdrang te steunen.

Als we klaar zijn met het diner zegt hij: “Kom, we gaan terug naar school. Ik wil je iets laten zien. Het mag niet, maar ik kan het toch niet laten.” Met een enorme sleutelbos maakt hij een aantal gangdeuren open, waarna we via een kleine dwaaltocht in zijn kantoortje belanden. Hij start de computer op. “Kijk,” zegt hij. “Hier zie je waar het college van bestuur de hele week over vergadert.” Ik staar naar een Excel-sheet waarvan elk blok gevuld is met een serie Engelse termen die me onbekend voorkomen. Je verwacht ze eerder aan te treffen bij Lehman Brothers dan bij een onderwijsinstelling. “Hier houden de dames en heren aan de top zich dus mee bezig,” zegt de interim-manager met onderdrukte wrok in zijn stem. “Snap jij er iets van?”

Er is een allochtoon meisje dat ik al drie of vier keer heb laten zakken voor mijn vak. Ze is gemotiveerd, dat zie ik, maar ze schrijft beroerd. In de eenvoudigste zinnen zitten grammaticale blunders en een logische opbouw zit er niet in.

Op mijn advies en met de ruimhartige steun van de hogeschool neemt ze extra lessen Nederlands. Maar ook na die bijlessen blijft het mijns inziens helaas onvoldoende. Dan begint het spel vanuit school, in allerlei ‘ja, maar’-varianten. Eén: “Ja maar, in de andere vakken doet ze het goed.” Twee: “Ja maar, op de stageplek waren ze tevreden over haar.” Drie: “Ja maar, ze kan al een baan krijgen bij de VPRO.”


Ik leg uit dat ik blij ben voor háár, maar dat je daarmee grammaticale fouten niet rechtbreit of een warrige argumentatie vervangt. Ik hoor een hele tijd niks. Misschien wel een half jaar niet.

Dan, op zomaar een werkdag, vind ik haar zoveelste poging in mijn mailbox. Ik meen een ander lettertype te zien en ook de vlekkeloze lay-outtechnische indeling wekt mijn argwaan. Zeker als ik me vervolgens in het stuk verdiep en louter klinkende maar levenloze zinnen lees.

Is dit stuk wel door haar geschreven? Eerlijk gezegd geloof ik er geen barst van. Ik kan natuurlijk een onderzoek starten; de allochtone student aan een verhoor onderwerpen, met het gevaar dat ik me door een reeks vermoeide dan wel wanhopige blikken van de schoolleiding heen moet boren en haar prachttoekomst bij de VPRO in gevaar breng. Het is tijd voor de waarheid: ik heb daar geen zin in.

Ik geef haar een dikke voldoende en wens haar alle succes. Tijdens een herfstige avondspits op de Ring Rotterdam zet ik de radio aan en komt me via het Radio 1-journaal het bericht ter ore dat ‘het aantal hoger opgeleiden in Nederland de afgelopen jaren fors is gestegen’. Ik geef een keiharde klap op mijn stuur en schiet in een onbedaarlijke lach die minutenlang aanhoudt. Inholland ‘verrijkt’ je leven op manieren die je vooraf niet voor mogelijk houdt. Tot vette buikkrampen aan toe.

Telkens als ik het Inholland-gebouw uitloop, ben ik blij terug te zijn in de gewone wereld, waar een half brood godzijdank een half brood is en een zak aardappelen een zak aardappelen. “De wereld van Inholland is een soort surrealistische game,” zeg ik in de kroeg tegen een collega. “En wij, de docenten, zijn obstakels die door de studenten zo snel en zo behendig mogelijk omzeild moeten worden. Hoe eerder je bij de finish bent, hoe beter je je competenties beheerst.” De collega slaat met zijn vlakke hand op tafel en schiet in een lachstuip. “Hahaha! Die houden we erin. Een game...’


Op een goede dag nodigt een collega me uit mee te gaan naar een docentenbijeenkomst van de reguliere hogeschool Inholland. Ik stem toe. Ik wil weleens weten wat een levenslang dienstverband bij Inholland met je psyche doet.

Tijdens de lunch schuif ik aan bij een tafel met een stuk of zes, zeven fulltime Inholland-docenten. Ze keuvelen honderduit. Ogen opgetogen. Ze noemen namen van studenten die zich ‘heel leuk ontwikkelen’ en ‘dingen proactief aanpakken’.

Net als ik begin te concluderen dat ik een ongeneeslijke zuurpruim ben - die niet wil inzien dat Inholland een soort veredelde jongerenopvang is waar ze en passant een vrijblijvende poging doen studenten iets bij te brengen - daalt er plotseling een diepe stilte aan tafel neer. Een vrouwelijke docent spreekt schande van het feit dat het college van bestuur al jaren het gezicht niet laat zien en geen flauw benul heeft wat er op hun opleidingen ‘allemaal speelt’. Ik denk aan mijn verboden inzage in het Excel-document met de Engelse termen. Mijn tafelgenoten slaken een zucht.

Ook de rest van de dag zal iedereen, zodra het college van bestuur ter sprake komt, verzinken in een mismoedige blik. “Het zijn uiteindelijk die studenten die je erdoor slepen,” zegt een docente. “Hun energie. Hun enthousiasme. Dat geeft je spirit. Van de leiding hoeven we niets te verwachten. Voor hen zijn we inwisselbare namen op een Excel-sheet.”

Conclusie: de nabijheid en de voortdurend nieuwe aanvoer van vers bloed verzacht voor het docentencorps de structurele ellende aan de top van Inholland.

Mijn e-mailadres van Inholland mag bij de hogeschool dan onbekend zijn, mijn postadres is dat helaas niet. Zo’n tien tot vijftien keer per jaar hurk ik naar mijn deurmat om een envelop van Inholland van de grond te rapen. Doorgaans betreft het de aankondiging van een regeling of een nieuwe manier van werken die mij als freelancer niet aangaat. Speciale vermelding verdienen de hilarische afschriften waarop van boven tot onder een hele reeks nullen prijkt. Soms ben ik in de verleiding er eentje in te lijsten, om zo de kafkaëske machinerie van Inholland te illustreren.


Maar het pièce de résistance van de poststroom is zonder meer de aankondiging van het eindejaarsfeest. Elk jaar krijg ik een kaart met een gestandaardiseerde tekst toegestuurd waarin de bazen van Inholland - hoe zijn ze erachter gekomen? - mijn inzet van het afgelopen jaar roemen en me uitnodigen op een feest dat jaarlijks in afschrikwekkend grote hallen wordt gegeven. Vaak voel ik de neiging de kaart in duizend stukjes te scheuren, maar meestal houd ik me in, vouw ik ‘m netjes dubbel en gooi ik ‘m in de prullenbak.

Volgende week in deel 3 (slot): hoe de studenten over de eindstreep worden geloodst, de opleiding een accreditatie verwerft en Inholland een vierjarig hbo-traject stript tot tweeënhalf jaar.