Hoewel veraf brengt de constante nieuwsstroom waarop we allen meedrijven de pijn dichtbij – maar toch, moet ik toegeven, zijn het vaak de kleine verhalen uit mijn nabije omgeving die me, nog meer dan het wereldleed, weten te raken. Een vriendin vertelde me eergisteren een verhaal dat meteen onder mijn huid kroop en daar sindsdien is blijven zitten. Een collega van mijn vriendin, een vrouw van zestig die ik H. noem, opende vorige week de deur voor een dame die ze niet direct herkende. De dame stelde zich voor en vertelde dat ze M. was, en tweeënveertig jaar eerder met H. in de middelbare school had gezeten. Ze waren toen goeie vriendinnen, maar sindsdien waren ze ieder hun weg gegaan en was het contact verwaterd. H. schrok maar was heel aangenaam verrast, en verwelkomde M. meteen in haar huis.
Eenmaal aan tafel met een kop koffie vertelde M. wat de reden van haar bezoek was. Tijdens haar studie aan de universiteit leerde ze een Nederlandse man kennen, die haar echtgenoot zou worden. Ze verhuisden samen naar zijn geboortestad in Nederland, waar ze hun leven opbouwden en drie kinderen kregen. Een jaar geleden echter kreeg M. te horen dat ze slokdarmkanker had. Er was geen hoop op genezing. Daarom besloot M. het beste te halen uit het jaar dat haar nog restte. Ze wilde nog wat tijd in België doorbrengen, waar ze zeker drie dingen wilde doen: H. bezoeken, die al decennia veraf was maar in gedachten toch nog regelmatig nabij; door de gangen van haar middelbare school wandelen in de stad waar H. nu nog steeds woont, en in de buurt van die stad, op het platteland, de heuvel beklimmen van waarop je hele horizon kan zien, tot aan de schilderachtige hellingen van de Vlaamse Ardennen.
H. en M. wandelden samen naar de berg. Ze begrepen elkaar na jaren zonder contact nog steeds. Ze keken naar de horizon. Ze lachten. Ze dronken een koffie. M. ging daarna alleen naar haar oude school en vertrok weer naar Nederland.
M. had de drie meest eenvoudige wensen die ik ooit van iemand hoorde die nog maar een paar maanden te leven heeft, en hoewel ik de vrouw niet ken, wil ik haar in het slot van deze column omhelzen, en zeggen dat, wanneer ik zelf die prachtige heuvel beklim waar ook ik zo van hou, nog vaak aan haar zal denken.






