Op het eerste gehoor is het een onschuldige vraag. Vier woorden, een vraagteken, doorgaans ingetypt tegen het einde van de middag, het moment waarop de gemiddelde Nederlander voor de open koelkast staat. Maar wie hem wat langer laat hangen, hoort er iets anders in. Niemand stelt deze vraag als het antwoord vanzelfsprekend is. Niemand vraagt aan een zoekmachine wat er op tafel komt als hij thuis een ouder, partner of huisgenoot heeft die het al weet.
Een halve eeuw geleden zou de vraag betekenisloos zijn geweest. In de naoorlogse decennia was het weekmenu in de meeste Nederlandse huishoudens een onuitgesproken liturgie. De dagen hadden hun gerechten, de gerechten hadden hun dagen, en de huisvrouw, want het was vrijwel zonder uitzondering een vrouw, had haar repertoire uit het hoofd. De aardappel-vlees-groente-formule overheerste, met op vrijdag vis of een eenvoudige vleesvervanger. Elke avond opnieuw bedenken wat er gegeten zou worden was net zo vreemd als elke ochtend opnieuw bedenken hoe je je veters strikt. Het ging vanzelf, omdat het altijd al zo ging.
In de loop van de jaren negentig veranderde dat. De supermarkten breidden hun assortiment uit met Italiaanse, Aziatische en Mexicaanse ingrediënten die voorheen alleen in toko’s en delicatessenzaken te vinden waren. De kookboekenmarkt explodeerde. Televisiekoks werden bekende Nederlanders. En de manier waarop de keuze viel op het avondmaal verschoof: van een gewoonte naar een dagelijkse beslissing.
Daar zit een groot deel van de verklaring voor de meestgestelde vraag van Nederland. Hoe meer keuze, hoe groter de aarzeling. Het mechanisme staat in de psychologie bekend als choice overload, naar het beroemde jam-experiment van de Amerikaanse onderzoekers Sheena Iyengar en Mark Lepper uit 2000. Zij zetten in een chique supermarkt in Menlo Park twee proefopstellingen neer: één met zes soorten jam en één met vierentwintig. De grote tafel trok meer publiek, maar de kleine tafel verkocht aanzienlijk meer potten. De conclusie, gepubliceerd in het Journal of Personality and Social Psychology, luidde dat meer keuze leidt tot minder beslissing. Latere meta-analyses, onder meer van Scheibehenne en collega’s uit 2010, nuanceerden dat resultaat: het effect blijkt niet altijd op te treden en is sterk afhankelijk van context. Maar voor wie elke dag iets nieuws op tafel wil zetten, voelt het mechanisme herkenbaar. Te veel mogelijkheden verlammen.
Daar komt iets anders bij, dat in de demografie ligt. Het aantal eenpersoonshuishoudens in Nederland is de laatste decennia spectaculair toegenomen. In 1950 bestond ongeveer tien procent van de huishoudens uit één persoon. In 2000 was dat een derde. Op 1 januari 2025 was dat veertig procent: ruim 3,4 miljoen van de in totaal bijna 8,4 miljoen huishoudens, blijkens cijfers van het CBS. Het Bureau verwacht dat dit aandeel oploopt tot tweeënveertig procent in 2035 en vierenveertig in 2070. De gemiddelde huishoudensgrootte daalde tussen 1965 en nu van 3,5 naar 2,1.
Wie alleen woont, kookt niet alleen voor zichzelf. Hij moet ook in zijn eentje bedenken wat hij gaat eten, en heeft niemand om de vraag aan te stellen. Ook in meerpersoonshuishoudens is de rolverdeling veranderd: waar de zorg voor het avondmaal tot in de jaren tachtig vrijwel uitsluitend bij vrouwen lag, is die taak nu in een meerderheid van de huishoudens gedeeld of wisselt per dag. Een vooruitgang, maar het betekent ook dat er minder vaak iemand is die het simpelweg weet.
De vraag wat eten we vandaag? is daarmee meer dan een uiting van praktische onzekerheid. Ze is een symptoom van een veranderde keuken. Recepten werden vroeger doorgegeven van moeder op dochter, vaak zonder dat ze werden opgeschreven. Wie wilde weten hoe je hutspot maakte, vroeg het thuis. Wie nu wil weten hoe je hutspot maakt, vraagt het aan een zoekmachine en krijgt een lawine aan resultaten, waarvan de eerste pagina wordt gevuld door foodblogs en supermarktsites met affiliate links.
De recepten die Google bovenaan zet, vertonen bovendien een opvallende eenvormigheid. Pasta voert de boventoon, gevolgd door kip en gehakt. Traditionele Nederlandse gerechten als boerenkool, zuurkool, snert of hachee zijn naar de marges van de zoekresultaten verschoven, ook al duiken ze in seizoensgebonden weekmenu’s nog op. De zoekmachine versterkt wat al wordt gezocht en duwt de eetcultuur zo in een steeds smallere bedding, ondanks de schijnbaar oneindige variatie van het aanbod.
Dat het Voedingscentrum op de eigen site een uitgebreide Wat eten we vandaag?-pagina aanbiedt, naast een wekelijks Menu van de week dat een compleet weekrooster aanreikt, zegt iets over de ernst van het probleem. De rijksoverheid is, op haar manier, begonnen het verloren gegane weekritme te reconstrueren. Wie zich aanmeldt, krijgt elke week zeven voorstellen toegestuurd. Een digitale wederopstanding van de moeder die het al sinds 1962 zo deed.
Of dat helpt, valt te bezien. De zoekvraag wordt door geen enkele recept-app overstemd. Wat eten we vandaag? blijft de eerste zin die in Nederland aan een machine wordt gericht, tegen het einde van de middag, met een telefoon in de hand en een leeg hoofd.






