Twee plakjes kots
Het is ochtend, de straat is van de werkmannen, de bierbrouwers, de vuilnismannen. Af en toe klikklakt er een meisje op hoge hakken langs, op weg naar het station. Aktetas in de hand, muziek in de oren. Ik kleed me aan en loop naar buiten, de straat op, het leven in. De serveersters van de Neude-cafés vegen de dauw van de tafeltjes, bij het filmhuis zit een kok op een vuilniscontainer een sigaret te roken, en overal fietsen mensen. Het plein is leeg, schoongespoeld door de frisheid van de ochtend. Her en der vind je nog de resten van de vorige avond. Donderdagavond. Stapavond. Wat scherven in de goot. Een bierflesje. Een vernielde paraplu. Twee plakjes kots. Bij het café aan de overkant staat de eigenaar zijn tafels en stoelen naar buiten te slepen. Af en toe pauzeert hij, werpt met toegeknepen ogen tegen de zon in een blik op het plein en vervolgt zijn werk. Ik ga naar binnen. Vanachter een tafeltje aan het raam zie ik de bussen en de fietsers van en naar de Uithof racen. Een zwerver klopt op het raam. Hij heeft een fiets te koop.
Alles rustig
Na de koffie wandel ik door winkelstraten die de slaap uit hun ogen wrijven. De cd-rekken van de Plato staan al buiten – twee voor vijftien euro. Vlak bij mijn huis fietst een bekende voorbij. Goede pedaalslag, behoorlijke versnelling. Er zit snee op. “Goed, hè!” roep ik, opgewonden. “Ja hoor, alles goed!” roept de bekende en scheurt de hoek om, op weg naar iets waarvan ik niet weet wat het is.
Over anderhalf jaar staan hier een miljoen mensen te kijken als 190 wielrenners voorbij racen. Voorlopig is alles echter nog rustig.






