Vul het zoekvakje van YouTube in met ‘Piet Keizer’ en je krijgt geen filmpje van belang te zien. Afgezien van een haastig in elkaar gezet in memoriam heeft nooit iemand de moeite genomen een fatsoenlijke herinnering aan Keizer te uploaden. De dribbels van Johan Cruijff kun je er zien, de safes van Jan van Beveren, de afstandsschoten van Arie Haan, maar naar de ‘schaar’ van hun illustere generatiegenoot Keizer moet je zoeken.Piet Keizer is dus een van de weinige sterren uit de jaren zestig die geleidelijk is weggezakt onder het stof van de geschiedenis. Keizer zelf heeft daar nooit mee gezeten. Als er iemand was met een hekel aan persoonsverheerlijking, dan hij wel. Zijn sublieme oog voor het spel, zijn aan krankzinnigheid grenzende passeerbewegingen, zijn loepzuivere vrije trappen: in tegenstelling tot sommige dichters zag de onberekenbare linksbuiten er de poëzie niet van in. De anti-ster ging er haast prat op dat hij zonder publiek even geïnspireerd speelde als in een vol stadion. Hij stond liever niet dan wel in de krant.
De meest bezongen Nummer Elf uit de vaderlandse geschiedenis was een levend mysterie. Altijd haakte hij op een schimmige manier af. In 1974 verdween hij gefrustreerd uit de feestende mensenmassa na terugkeer uit West-Duitsland, waar het Nederlands Elftal tot ieders verrassing vicewereldkampioen was geworden. Gefrustreerd omdat hij als 31-jarige niet meer had kunnen meekomen.In oktober van dat jaar hield hij het zomaar voor gezien bij Ajax, de club waarmee hij drie Europa Cups had gewonnen. Een onduidelijk conflict met de trainer maakte dat hij nooit meer een bal wilde aanraken. Rolde een bal zijn kant op tijdens het kijken naar een voetbalwedstrijd van zijn zoon, zei hij enkele jaren later, dan deed hij een stapje opzij. De ontboezeming werd een berucht, want huiveringwekkend, citaat. Je kon het niet geloven maar het scheen echt waar te zijn.


