Sport

‘Hé sir, you are machine number one’

Deze week, op zondag 24 mei, begint het prestigieuze tennistoernooi op Roland Garros in Parijs, waar de gehele wereldtop weer zal strijden om de titels. Achter de schermen gaat het er minder glorieus aan toe. Daar werken de bespanners in een race tegen de klok om alle rackets op tijd van de perfecte spanning te voorzien. Zo’n ‘stringer’ is Edwin Gruijs, net terug van het Mutua Madrid Open, een groot ATP-masterstoernooi in de Spaanse hoofdstad. In gesprek met Gruijs, tevens mijn tennisleraar, over vakmanschap, rituelen, bijgeloof en stress: ‘Het wordt onderschat. Als spelers het toernooi winnen, wordt de bespanner meestal niet genoemd.’

17/05 | 2026
door Tom Kellerhuis
Leestijd 12 minuten
Serbia's Novak Djokovic reacts after a point during his men's singles semi-final match against Italy's Jannik Sinner on day 13 of the French Open tennis tournament on Court Philippe-Chatrier at the Roland-Garros Complex in Paris on June 6, 2025. Alain JOCARD / AFP
foto: anp

Vertel eens, hoe ben je stringer geworden?

“Ik ben mijn eigen rackets gaan bespannen toen ik zelf nog speler was. Ik ben begonnen met tennis op mijn dertiende, en rond mijn vijftiende ging ik fanatiek spelen. In één weekend sloeg ik vijf rackets kapot. Dat was het moment. Er was geen bespanservice of zoiets in de buurt, dus toen ben ik het zelf gaan doen. Een beetje amateuristisch nog in het begin.”

Had je meteen zo’n grote spanmachine?

“In die tijd waren er nog geen elektronische spanmachines. Het ging handmatig, met een hefboom. Nu gaat dat natuurlijk allemaal elektronisch.”

Heb je er een cursus voor gevolgd?

“Toen niet. Ik heb gewoon een beetje rondgekeken en het zelf geprobeerd. Het ging heel lang best aardig. Tot 2010 ongeveer, toen dacht ik: nu wil ik het professioneel gaan doen. Je hebt de GRSA, de Global Racket Stringing Association. Die organiseert cursussen om naar het niveau te komen waar ik nu zit. Die heb ik allemaal doorlopen. Ik ben inmiddels een gecertificeerde Pro Tourstringer, daar zijn er op de wereld maar zo’n negentig van.”

Je was ook een verdienstelijke tennisser. Niveau twee, dat heette toen nog een B1-speler, tegen profniveau aan. 

“Maar ik ben als speler al gestopt voor mijn achttiende. Er werd een tennisvereniging opgericht in Koog aan de Zaan, door mijn wiskundeleraar en mijn geschiedenisleraar. Toen zei ik: ik wil tennisleraar worden. Want school vond ik niet zo leuk. Ik zat op de havo en ik kwam er wel doorheen, maar ze zeiden: als je tennisleraar wilt worden kan dat, maar dan moet je wel je diploma’s halen.” 

En zo werd je al vroeg tennisleraar?

“Op mijn zeventiende dus. Ik vloog door die opleiding heen, want ik vond het prachtig. Ik was een van de jongste. Op de tennisvereniging waar ik werd aangenomen, was ik de enige leraar op het hele park. Daar was ik van ‘s ochtends tot ‘s avonds aan het lesgeven. Professioneel spelen ging toen niet meer. Als je prof wilde worden, had je veel geld nodig. Mijn ouders hadden het niet slecht, maar er was geen geld voor zo’n dure carrière.”

‘Wij noemen de bespanning de motor van je racket. Als je een Mercedes-racket hebt, en je zet er een DAF-motor in, dan kom je niet vooruit.’

Het bespannen ben je erbij blijven doen?

“Mijn leerlingen kwamen met de vraag wat voor racket ze moesten hebben. Zo ben ik rackets gaan verkopen via een sportzaak uit de buurt, mijn eigen winkel begonnen en ook rackets voor anderen gaan bespannen.”

Wist je er veel van?

“In het begin niet. Ik was net zo’n amateur als sommige thuisbespanners nu zijn. Maar het interesseerde me wel. In die tijd had je nog niet zoveel keuze in snaren. Je had darm en je had synthetische darm. Daar zat iets olieachtigs in. De revolutie van de snaren is daarna pas op gang gekomen. Tegenwoordig gaan de ontwikkelingen razendsnel.”

Er zijn allerlei rackets in allerlei vormen, en die hebben allemaal een andere spanning nodig?

“Niet alleen het racket, maar vooral de speler. Een groot racketblad bespan je meestal strakker. Spelers moeten gewoon zelf testen: hoeveel kilo wil ik erin? Bij een zachtere bespanning, minder kilo’s dus, kun je in principe harder slaan. Bespan je harder, dan heb je meer controle. Het is anders dan de meesten denken.”

Hoe harder, hoe meer controle? 

“Bij een hardere bespanning gaat de bal minder diep in de snaren. Als jij dan hard slaat, blijft hij binnen de lijnen. Bespan je zachter en sla je door, dan gaat hij erbuiten.”

De bespanning is dus erg belangrijk.

“Wij noemen het de motor van het racket. Als je een Mercedes-racket hebt, en je zet er een DAF-motor in, dan kom je niet vooruit.”

Je komt net van een ATP Masters-toernooi in Madrid, waar de hele wereldtop speelde. 

“Daar stond ik met achttien man. Achter rijen van machines in een tent. Het licht was goed, maar ik kon niet met mijn armen wapperen, want dan zat ik bij mijn buurman in zijn nek. Mijn machine stond strak naast die van een ander. Ik kon ook niet echt op mijn stoel zitten, want dan zat ik tegen de rand van het racket van een ander.”

Je stond de hele dag?

“De hele dag. Als ik klaar was met bespannen, ging ik soms wel even zitten.”

Je kreeg ook niets mee van het hele toernooi. Na afloop hoorde je de uitslagen.

“Daar kwam het wel op neer.”

Louter hard werken dus? 

“Om zes uur ging de wekker. Ik deed altijd eerst een half uur yoga om mezelf weer recht te krijgen, want je staat de hele dag voorover gebogen. Om kwart over zeven kwamen de taxi’s die ons van ons hotel naar het tennispark brachten.”


Edwin Gruijs aan het werk in Madrid

Naar een aparte ruimte?

“Een afgesloten ruimte. Naast de spelersgebouwen, dus ik zag de spelers wel, alleen kom je er niet bij in de buurt. Daar werd ik heen gebracht en om kwart voor acht begon ik. Je hebt veel in de ochtend te doen, omdat er rackets klaarstonden van spelers met verschillende eisen. Sommigen zeiden: het mag bespannen worden wanneer je wilt. Anderen zeiden: pas de volgende dag. Die rackets staan dan klaar, en daar begin je aan. Zo ging het de hele dag door.”

Je hebt een spanschema voor je.

“Alles moet in een bepaalde volgorde in een bepaalde tijd af zijn. Als een racket binnenkomt, gaat het naar de frontdesk. Daar zitten vier dames die alle rackets aannemen. Er komt een sticker op het handvat, een etiket. Daarop staat precies wat de speler wil: welk type snaar, hoeveel kilo, wanneer het klaar moet zijn, waar het logo moet en in welke kleur. Er komt ook een klein stickertje bij dat ík als bespanner op het racket plak. Daarop staat op welke datum is bespannen en door wie.”

Dus de speler weet ook wie zijn racket heeft bespannen? 

“Als er iets mee is, weten ze: het moet van Edwin zijn. En als het goed is, weten ze het ook. De hoofdstringer verdeelt al die rackets over de achttien bespanners.”

Jij stond bij machine nummer één.

“Dat vond ik echt geweldig. Toen ik begon op zondag zei een van die dames: ‘Hé sir, you are machine number one.’ Diepe buiging. Weet u dat nog niet? Nee, ik wist het niet. Ik stond vooraan, naast machine twee en drie. Dan heb je de meeste kans om de toppers te krijgen. En die kregen we ook.”

Je was ingedeeld op basis van kennis en ervaring?

“Ja. Toen ik in 2018 begon op de Australian Open stond ik helemaal achterin. Zo heb ik me langzaam naar voren gewerkt.”

Spelers zijn veeleisend en ook uiterst secuur in wat ze willen. Het verhaal gaat dat Pete Sampras één millimeter verschil kon voelen op zijn grip. 

“Dat klopt. Maar wij doen geen grips meer. Dat doen ze allemaal zelf.”

Waarom niet?

“Omdat ze daar zelf het gevoel bij moeten krijgen. Zelf bezig zijn met hun racket. Ik heb het bij Rafael Nadal gezien. Als hij een wedstrijddag had, kwamen er ‘s ochtends drie rackets om te bespannen. Daar was alleen de vorige dag mee getraind, maar er moesten nieuwe snaren in. De grips waren oud, maar dat gaf niet. Het was voor zijn training. En na anderhalf uur kwamen er tien rackets voor de wedstrijd. Met nieuwe grips. Die mocht je niet meer aanraken. Er zat een plastic beschermhoesje om, maar je moest toch zorgen dat je zijn grip niet aanraakte, want dat voelde hij.”

Is het niet stressvol met al die toppers en hun eisen? 

“Daaraan zie je of je een goede bespanner bent of niet. Een paar jonge jongens achter me raakten in Madrid even in de stress. Die waren de avond ervoor doorgezakt. Dan ga je een beetje dollen en raak je je greep kwijt. De eerste dag van het toernooi kwamen er vijfhonderd rackets binnen. Vijfhonderd rackets, met achttien man, die allemaal diezelfde dag bespannen moesten worden. In de eerste week zijn de snaren er al uitgeknipt, in de tweede week doet iedereen dat zelf. De rackets worden in rekken voor je neergezet. Dan moet je zelf gaan plannen. Niet zomaar beginnen, maar goed kijken: deze partij moet om elf uur klaar, die om drie uur. Als je met één racket van een speler begint, is het de bedoeling dat je het hele rijtje van diezelfde speler eerst afmaakt.”

‘Ik deed altijd eerst een half uur yoga om mezelf weer recht te krijgen, want je staat de hele dag voorover gebogen’

Er vallen gedurende het toernooi telkens spelers af. Met hoeveel man stonden jullie in de tweede week?

“Op dag vijf gingen er twee weg, daarna nog twee. De laatste vier dagen stonden we met z’n vieren.”

Twee weken keihard werken, van zes uur ‘s ochtends tot ‘s avonds laat, en je ziet geen enkele wedstrijd. Zelfs op de schermen kon je niet kijken.

“Daar heb je ook echt geen tijd voor. Het wordt onderschat. Als spelers het toernooi winnen, wordt de bespanner bijna nooit genoemd. Als spelers verloren hebben, komen ze hun snaren ophalen, want die liggen bij ons. Dan zeggen ze: ‘Thanks for stringing, guys.’”

Je kreeg wel een compliment van de winnaar van het toernooi in Madrid. 

“Jannik Sinner, ja! Goed gedaan. Dat ik hem mocht bespannen vond ik natuurlijk wel mooi.”

Spelers nemen altijd hun eigen snaren mee. Waarom is dat?

“Omdat er verschrikkelijk veel verschillende soorten zijn. We hebben een enorme wand helemaal vol met rollen van tweehonderd meter snaar. Alle spelers brengen hun eigen snaren als ze aankomen.” 

In een verhaal uit The New Yorker beschrijft Michael Steinberger de negen rackets van Roger Federer met drie verschillende snaarbespanningen, door zijn privé-bespanner Ron Yu. 

“Het gewenste gewicht staat op die stickers. Er zijn meer spelers die zo werken. Ook loopt het racket altijd iets terug zodra het van de machine komt. De spanning vermindert. Ook tijdens het spel, hè. Als de temperatuur stijgt, of als het gaat waaien, als het slecht weer wordt, het heeft allemaal invloed op de bespanning. Als bij regen het dak dichtgaat, wordt het plots een indoorwedstrijd en kan de flow van de bal helemaal anders zijn.”

Rackets moeten daarom soms vlak voor de wedstrijd worden bespannen. Ook tijdens een wedstrijd kan een speler een racket laten bespannen en het binnen twintig minuten terug willen, omdat hij te weinig rackets heeft. Heb je dat wel eens meegemaakt?

“Dat heet on court. Dan moet je echt snel werken. Daar herken je een goede bespanner aan: hij blijft rustig. Maar dat moet sneller dan in twintig minuten, hoor. Normaal doen we twintig minuten over een racket. Bij on court lukt het ons soms in elf, twaalf minuten. Daar heb je runners voor. Die halen het racket van de baan en komen er letterlijk mee binnen rennen. Ik sta dan al klaar met de snaar in mijn hand. Het racket komt eraan, ik leg het neer en ik begin.”

Het is bijna ritueel. En er hangt veel vanaf. 

“Ja, dat denk ik wel.”


Edwin Gruijs met Novak Djokovic

Novak Djokovic heeft zelfs zijn rackets in een vaste volgorde in zijn tas. Rafael Nadal had een reeks van wel negentien vaste rituelen en tics op de baan. Zijn twee waterflessen (de ene met koud water, de andere op kamertemperatuur) werden uiterst nauwkeurig neergezet. De labels moesten exact naar de kant wijzen waar hij op dat moment speelde. Hoe zit het met het bijgeloof van de spelers?

“Qua spanning werken ze meestal op hele en halve kilo’s. Vierentwintig, vierentwintigeneenhalf, vijfentwintig. Dat is geen bijgeloof, dat is gewoon te voelen verschil. Maar je hebt er ook die op vierentwintig komma één en vierentwintig komma twee zitten. Dat is zo’n klein verschil.”

Dat kun je toch niet meer voelen? 

“Maar als iemand er goed mee speelt, is dat toch zíjn zaak?” 

De Franse profspeler Adrian Mannarino staat in de tenniswereld bekend om zijn extreem lage snaarbespanning. Hij kiest doorgaans voor een spanning tussen de acht en elf kilo. 

“Hij wil meestal negenenhalve kilo. Dat kan ik bijna met de hand doen. Omdat zijn snaren zo los staan, fungeert het racket bijna als een trampoline, wat extra balsnelheid geeft. Maar je levert wel in op precisie, wat hij compenseert met een extreem vlakke, compacte slag en uitstekende timing. Het andere uiterste kwam ik bij een van de dames tegen, die ging naar vijfendertig, zesendertig kilo.” 

Ik begreep juist dat damesspelers aan de top veel minder rackets bij zich hebben, omdat ze minder hard slaan?  

“Nou, dat is wel even geleden. Ik heb in Madrid de voltallige Amerikaanse damescrew gedaan en dat ging ook om zeven, acht of negen rackets per speelster. Dus dat is echt veranderd.” 

Er zijn topspelers die kiezen voor een privébespanner zoals Federer. Was dat hier ook zo?

“Volgens mij Aryna Sabalenka en Ben Shelton. Hun rackets hebben we niet gezien.”

Ik las dat zulke spelers tienduizenden euro per jaar betalen voor zo’n privébespanner.

“Het is een keuze, net als je eigen fysiotherapeut meenemen. Zelf zou ik geen privébespanner willen zijn. Je zit ergens in de stad in een hotelletje, omdat je niet op het tennispark mag zitten. Je wordt namelijk niet ingehuurd door de organisatie. Daar zit je dan in je eentje met je bespanmachine in een hotelkamer, en wordt er ineens aangebeld: hier, nog een paar rackets van Federer. Mij lijkt het helemaal niets, dan is de lol eraf.”

Klagen spelers weleens? 

“Spelers kunnen klagen over de bespanning. Maar daar heb je een DT-meter voor, dat staat voor Dynamic Tension. Spelers hebben hem vaak zelf bij zich, het is een handzaam apparaatje, dat je op de snaren plaatst. Via een trilling van het racket naar de grip meet hij de spanning. Vaak als ze denken: dit is niet goed, dat leggen ze er zelf de meter op. Of ze testen het met een slag. Of ze tikken even op het racket en weten dan: dit is goed.”

Spelers nemen voor één wedstrijd soms wel zes tot tien vers bespannen rackets mee. 

“Op grote toernooien wisselen spelers om de negen games van racket. Dat is de standaard. Ook het moment dat er nieuwe ballen worden ingebracht. Aan het begin van de wedstrijd na zeven games, inclusief inspelen.”

Wat gebeurt er als een speler tijdens een wedstrijd te weinig rackets bij zich heeft? 

“De speler moet er zelf voor zorgen dat hij meer dan één racket heeft. Daarom hebben ze er zoveel bij zich. Snaar kapot, ander racket pakken, even tot rust komen. Hij kan niet wachten. Hij moet door, want hij heeft reglementair maar anderhalve minuut tussen de games.”

‘Op grote toernooien wisselen spelers om de negen games van racket. Dat is de standaard.’

En anders? 

“Dan verliest hij gewoon. Ik heb een keer een dubbelspeler meegemaakt die te weinig snaren bij zich had. En ook nog van een speciale soort waar niemand anders mee speelde. Die kwam en bleef maar winnen in de dubbel. Echt op het randje van: heb ik wel genoeg snaren bij me? Als jij prof bent, neem je zeker drie rollen snaren mee. En niet een half rolletje zoals hij. Maar het ging net goed, want in de halve finale verloor hij. Met zijn hoeveelheid snaren had hij de finale ook niet gered.”

Hoe weet je nou welke bespanning je nodig hebt?

“Testen. Ervaring en testen.”

Edwin Gruijs met Roger Federer

Veel goede spelers gebruiken half polyester, half darm.

“Dat zijn keuzes. Daardoor krijg je een ander gevoel in je bespanning. Polyester is gekomen voor duurzaamheid en topspin. Maar vooral voor duurzaamheid. Ze slijten veel minder snel dan darm. Het zijn knetterharde snaren. Niet geschikt voor recreanten, dat sloopt je arm. Veel profs en fanatieke tennissers combineren die twee daarom in een hybride opstelling: polyester in de lengte voor de duurzaamheid en controle, en darm in de breedte voor het comfort. Maar polyestersnaren verliezen veel sneller hun spanning. Eigenlijk moeten ze altijd om de negen games vervangen worden. Dat doet bij de amateurs niemand. Het zijn voor een recreant geen goede snaren.”

Duurzaam zeg je, maar er gaan nogal wat snaren doorheen tijdens een wedstrijd. 

“Vergis je niet over het niveau van topspelers. Er wordt geserveerd met wel 250 km/per uur. Ik heb die snaren ingebrand gezien op tennisballen.” 

Wat heb ik op mijn racket?

“Multifilament. Darm, echt runderdarm, is een snaar die bestaat uit wel vijftienhonderd draadjes. In kunststof zitten minder draadjes. Multifilament bestaat ook uit veel draadjes. Speciaal voor recreanten.”

Zou ik beter spelen met polyester?

“Nee.”

Op welk niveau begin je met polyester?

“Als je elke drie uur je bespanning kapot slaat. Of vaker. Dan moet je wel, anders gaat het in de papieren lopen.”

Wij recreanten spelen dus met heel ander materiaal dan de toppers? 

“Maar ook jij zou er goed aan doen elk seizoen een nieuwe bespanning te nemen. En als je meer dan twee keer per week speelt, sowieso vaker. Als je tenminste lekker wilt tennissen.”


Het racket van Jannik Sinner met Eddie, de mascotte van Edwin Gruijs

Bijgeloof speelt in tennis best een rol. Ben jij daar zelf ook door bevangen? 

“Dit is mijn mascotte. Een tennisbal die Eddie heet met een hartje erop. Die heb ik altijd bij me. Vanaf de eerste dag. Die zet ik bij elk toernooi bovenop mijn machine. Op mijn geboortekaartje stond Eddie. Ik weet niet waarom, want ik werd thuis nooit Eddie genoemd. Altijd Edwin. Maar dit balletje gaat overal mee naartoe. Bijgeloof dus, ja.”

Dan kan het niet misgaan?

“Ik heb weleens een misweef gehad. De snaren moeten altijd om en om zitten, maar ook als je er eentje overslaat, kom je aan het eind gewoon goed uit. Gelukkig zag ik het op tijd, anders moet je opnieuw beginnen.” 

Ooit een echte fout gemaakt?

“Een fout kun je het niet noemen, maar het ging wel een keer mis bij de Laver Cup. Matteo Berrettini was aan het trainen. Ik had zijn rackets bespannen. Van zeven rackets sloeg hij in de training telkens na vijf ballen de bespanning kapot. Steeds precies op dezelfde plek.”

Meteen paniek? 

“Ja, maar daar moet je tegen kunnen. Ik dacht natuurlijk wel: wat ben ik aan het doen. Vijf ballen, zeven rackets kapot. Maar het kwam niet door de bespanning. Er bleek een fout in de kwaliteit van die rol snaren. Toen kwam er een nieuwe rol en was het probleem weg. Tennis is een mentaal spelletje. Dat weet je zelf ook. Een wedstrijd is iets heel anders dan vrij spelen.”