Wie de draad kwijt is, moet terugbladeren. Ik raak steeds vaker de draad kwijt. Ik mis de grap bij cabaretiers, omdat ik struikel over hun vermaning. Ik ben het spoor bijster van opiniestukken, die tot conclusies komen die nog niet zo lang geleden als racistisch of antisemitisch werden beschouwd. Ik snap niet wat er nog rebels is aan activisten, als die gekoesterd worden door de grote maatschappelijke en commerciële instituties. In mijn beleving is er razendsnel een nieuwe orthodoxie uitgerold. Dat is de beleving van een oud mens.
Een manier om je niet oud te voelen is je te omringen met nog oudere mensen. Dus blader ik terug. Stemmen van vroeger die van toepassing blijven op een onherkenbaar heden zijn goed gezelschap. De wereld van gisteren van Stefan Zweig is al sinds mijn studententijd een lijfboek. Veel van wat hij schrijft, had gisteren geschreven kunnen zijn. Het is een meesterwerk maar ook een toverboek, omdat het maar niet ouder wordt dan van gisteren. Zo observeert hij de woke elite van precies een eeuw geleden:
Een totaal andere orde moest op elk gebied bij deze generatie beginnen; en vanzelfsprekend begon alles met wilde overdrijving. Wie of wat niet van dezelfde leeftijd was, was afgeschreven. (–) Op scholen werden naar Russisch voorbeeld ‘scholierenraden’ ingesteld om de leraren te controleren, want kinderen moesten en wilden alleen leren wat ze aanstond. Tegen elke bestaande vorm werd gerevolteerd om het plezier van het revolteren, zelfs tegen de wil van de natuur, tegen de eeuwige polariteit van de geslachten. (–) Lidwoorden werden uitgeschakeld, de zinsbouw op zijn kop gezet, en daarbij werd elke literatuur die niet activistisch was, die niet politiek theoretiseerde, op de mesthoop gegooid. (–) Maar te midden van dit woeste carnaval vond ik niets zo tragikomisch als het schouwspel van de vele intellectuelen van de oudere generatie, die zich in hun panische angst om voorbijgestreefd te worden snel en vertwijfeld een masker van kunstmatige wildheid schminkten en probeerden zelfs de meest bizarre dwaalsporen stuntelig te volgen.
Ik ben zo benieuwd hoe dit wordt gelezen door onze progressieve opiniemakers. Herkennen ze zichzelf? Nu ze tot pagina 292 van dit meesterwerk zijn meegegaan, kunnen ze het toch moeilijk als overbodig afstoten. Maar misschien voeren ze geen dialoog meer met de wereldliteratuur.
Volgens de Russische filosoof Michail Bachtin (1895-1975) was de dialoog de enige adequate vorm om het leven uit te drukken. Hij bekritiseerde de monologisering in culturele en wetenschappelijke kringen, die door zowel dogmatisme als relativisme de dialoog uitsluiten. De literaire roman beschouwde hij als de uitgelezen vorm om het leven weer te geven; door de meerstemmigheid van de verschillende personages, zoals die naast de mening van de schrijver kan bestaan. De lezer, op zijn beurt, moet al die verschillende stemmen tolereren om verder te komen in het verhaal.
Die tolerantie betekent niet dat hij het er per se mee eens hoeft te zijn. In haar essay How Should One Read a Book? stelt Virginia Woolf dat de lezer de schrijver ruim het voordeel van de twijfel moet gunnen, maar daarna de personages kan tegenspreken. Umberto Eco ging nog verder door te beweren dat geen literaire tekst af is zolang de perfecte lezer zich niet heeft aangediend.
Verschillende stemmen worden niet meer getolereerd, want niemand hoeft nog verder te komen in het verhaal.
Is er nog iets over van die wisselwerking? Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het bloedeloze moralisme dat nu over het debat heerst, de voorspelbare humor, de stereotypering van andersdenkenden, ook gevolgen zijn van de literaire ontlezing. Verschillende stemmen worden niet meer getolereerd, want niemand hoeft nog verder te komen in het verhaal.
En hoe zit het met de bewegingsruimte van romanpersonages, als hun schrijvers zelf binnen steeds dezelfde, steeds enger wordende hokjes blijven krassen? Tussen de regels van de Sovjetrepressie door schreef Bachtin dat de wereld niet te bevatten is vanuit de theorie: die is altijd ondergeschikt aan de meerstemmigheid van de ervaring. Schrijvers van zijn tijd maakten zelf nogal wat mee – meestal tegen wil en dank. Ze leefden jaren in ballingschap, zoals Bachtin zelf, of Zweig, die moest vluchten nadat hij van zowat van alle grote omwentelingen in Europa ooggetuige was geweest. Anderen, zoals Joseph Conrad, maakten lange, slopende reizen. Gustav Flaubert bracht jaren door in het Midden-Oosten en kwam in een brief tot een mening over de islam die je tegenwoordig niet moet proberen te publiceren:
De aanmatiging de Islam te willen verdedigen (terwijl de Islam op zich iets monsterlijks is) brengt me buiten mezelf. Ik eis in naam der mensheid dat de Zwarte steen verbijzeld, het gruis ervan verstrooid, dat Mekka verwoest en het graf van Mohammed onteerd wordt. Het zou een goede manier zijn om het Fanatisme de moed te doen verliezen.
Is Flaubert nu met terugwerkende kracht domrechts geworden, net als Voltaire, Montesquieu of Schopenhauer, vanwege hun kritiek op de islam? Dan heeft de progressieve lezer, denkend binnen de gedoogde kaders, een probleem. Voor hem zit er niets anders op dan het werk van deze grote meesters te schrappen. Hoe zou hij anders die ene buurman, collega of familielid als extreemrechts kunnen afwijzen? Wie geen dialoog wil voeren op straat, kan zich die ook niet met de wereldliteratuur veroorloven.
