Spoken zijn er niet meteen te zien in Doel, België. Maar beweren dat ze er niet zijn lukt ook niet van harte. Van de levenden is het tussen de kerncentrale en de haven van Antwerpen liggende spookdorp ook niet meer helemaal. De straten zijn gek leeg, als op een schilderij van Carel Willink. De huizen zijn ondergespoten met graffiti, afgedicht met rasterplaten en verlaten, op een paar adressen na waar een handjevol bewoners ijzerenheinig volhoudt, met hun bijzonderheid als extra hulp in de huishouding.
Vanaf de jaren zestig dreigde Doel te moeten wijken voor de haven. De opening van de kerncentrale in 1975, op nog geen kilometer, beperkte de woonaantrekkelijkheid verder tot een groep liefhebbers. Bewoners vertrokken, en keerden niet terug toen de haven toch niet zo ver reikte. Een enkeling bleef, te oud, arm of hardnekkig om te verhuizen. Enkele anderen kwamen, gelokt door lage of afwezige woonlasten, uit protest, idealisme of op de loop voor een doorsnee leven.
Verlaten zijn ze, de straten van Doel, maar niet leeg. Geen mens te bekennen, op een dinsdag in december, laat in de middag, maar ontzield is Doel nou net niet, zoals er wel over het dorp is geschreven. Integendeel: op de een of andere manier zijn de straten zwanger van atmosfeer. Er ‘hangt iets in de lucht’. Dat klinkt uitzonderlijk vaag, realiseer ik me, en het is ook vaag.
Als mensen een plek verlaten – een dorp of stad, een fabriek, school, ziekenhuis –, trekken er nieuwe dingen in de vacant geworden ruimte: stof, schimmel, verval. Maar er blijft ook wat achter. Restjes vroegere aanwezigheid. Afbladderend behang, ooit behangen met het idee een thuis te maken. Het laatste op het schoolbord gekrijte huiswerk – je hoort het krassen van het krijtje bijna nog. Ziekenhuislucht die decennia overleeft, nadat de laatste arts, patiënt of verhuizer de ziekenhuisdeur achter zich heeft dichtgetrokken.
“Het is alsof je de eeuwigheid in de bek kijkt,” zei de Groningse filmmaker Tom Tieman, toen ik met hem een rondgang maakte langs boerderijruïnes in het Groningse Oldambt. “Alsof je de vergankelijkheid in de bek kijkt,” zei hij bij een andere gelegenheid. Tieman houdt van verval. In verlaten, ruïneuze gebouwen zie je de tand des tijds live knagen, de malende kaken van de tijd zelf aan het werk.
Op de een of andere manier zijn de straten van Doel zwanger van atmosfeer. Er ‘hangt iets in de lucht’.
Normaal zie je het verstrijken van de tijd niet zo. Dingen lijken ongeveer hetzelfde te blijven, tot er na een tijdje toch weer wat is veranderd. Het verglijdt, je hebt er geen vat op. Maar in verlaten gebouwen kijk je rechtstreeks naar het moment dat de klok er is blijven stilstaan. Je kunt er letterlijk de hand op leggen.
Misschien is dat het waar beoefenaren van urbex naar op zoek zijn. Dat die een ‘morbide fascinatie’ voor vergankelijkheid hebben, zoals Tieman zegt dat hij heeft, met een mespuntje misantropie gekruide troost halen uit het gegeven dat alles en iedereen uiteindelijk tot stof wederkeert.
Bij – voluit – urban exploring bezoeken mannen en jongens, of jongens gebleven mannen, en af en toe een vrouw of een meisje (Urbex Sophie!) buiten gebruik gesteld onroerend goed – aan de langzame scheikunde van lucht, vocht en tijd overgelaten huizen, fabrieken, kloosters, kazernes, klinieken en verlaten of nooit in gebruik genomen metrostations, om er…, ja, wat? Om er rond te lopen, foto’s te maken. Je hart net wat nadrukkelijker te voelen kloppen dan normaal, vooral als je alleen bent. Om te zijn op een plek waarvan je voelt dat je er niet helemaal hoort.
Het is de spannende wereld achter de bordjes ‘Verboden toegang’, in alle talen. Het betreden van verlaten panden is vaak, maar niet altijd, illegaal. Meestal zijn ze nog van iets of iemand. Er zijn ook veel legale urbex-sites, en ook daar is prachtig verval te zien, maar toestemming van de autoriteiten gaat natuurlijk ten koste van het gevoel op ontdekkingstocht te zijn. Als de locatie op de site van National Geographic staat, is de lol eraf. Dan is, zoals urban ontdekkingsreizigers zeggen, ‘de bus langs geweest’.
Op de site urbex.nl van de bekende urbexer André Joosse uit Goes staan fotoreportages van bezoeken aan een verlaten school in Bulgarije (“Once full of children and noise, the building now shows silence and decay”), een radiotelescoopstation in Armenië, een porseleinfabriek in Duitsland, onder zeer veel meer. Bij de laatste lijkt het alsof de productie op een dag zomaar is gestaakt: zet de machines stil, laat maar staan zo verder.
De fotoreportages zijn spectaculair mooi. Klassiekers in het genre: in jaren niet meer beklommen of besprongen gymtoestellen, door de tijd ingehaalde, afgebladderde leuzen (“Hohe Leistungen für den Sozialismus und die Sicherung des Friedens”). Bedieningspanelen van verlaten instituten en centrales, het soort waarmee de bad guys in jarenzeventigfilms aan de ondergang van de wereld werken. De bitterzoete heimwee naar een analoge wereld die ze oproepen.
Toen Joosse ruim twintig jaar geleden begon met zijn ontdekkingstochten in post-stedelijk gebied, was er in Nederland misschien een handjevol mensen dat dat deed. Tegenwoordig is de kans reëel dat je niet de enige ontdekker ter plekke bent. Op sociale media is een trofeeënjacht gaande waarin meestal jonge avonturiers triomfantelijke beelden tonen van exotische verlaten plekken, en vooral van zichzelf op die plekken. Hun inhoudelijk commentaar beperkt zich meestal tot varianten op ‘moet je dit zien!’ en ‘wauw!!’
Verlaten school in het dorp Karapcha, Bulgarije
In juli 2024 werden twee Nederlanders en een Belg, actief onder de naam ‘Bros of Decay’, gearresteerd toen ze een grote hangar op de raketbasis Bajkonoer in Kazachstan binnendrongen om daar wegroestende Russische spaceshuttles te filmen. Ze kwamen met de schrik vrij toen de Kazachse autoriteiten bedachten dat je het spionagerisico van jongens die zich Bros of Decay noemen misschien niet moet overdrijven.
Joosse zet zijn foto’s niet op YouTube of Instagram maar op zijn eigen site. “De serieuze mensen,” zegt hij, houden hun vondsten vaak liever voor zichzelf, om de karavaan nog even buiten de deur te houden. Tegen de geest van het vak vindt hij een site als Makkelijk Urbex, waar je tegen betaling van een klein bedrag een onlinekaartje krijgt van verlaten plekken in Nederland. Die blijken niet altijd meer te bestaan, omdat de beschrijvingen en pas-op-voor-de-hond-achtige tips de situatie van jaren geleden betreffen.
Nederland is eigenlijk geen geschikt land voor urbex, zegt Joosse. In Nederland staat opgeruimd netjes. In België blijft een hoogovencomplex als Cockerill-Sambre bij Luik na sluiting tien jaar hoegenaamd onaangeroerd liggen. Je klom er een met de Franse slag beveiligd muurtje over – uitkijken dat je je poten niet openhaalde aan het scheermesjesprikkeldraad – en betrad een urbex-paradijs. Roest op reuzenformaat, opschietend groen. De hoogovens beklimmen, zeventig, tachtig meter hoog. Nog steeds geen beveiligers in zicht? Jongens, spannend!
Joosse zoekt zijn gerief tegenwoordig verderop: Bulgarije, Armenië, Georgië, landen met een wat onverschilliger ruimtelijke ordening, een belangrijk zoekfilter bij urbex. In Nederland moet je er snel bij zijn als een gebouw of een complex leeg komt te staan – het verlaten Land van Ooit in Drunen was een bekende bestemming, net als het gesloten zwemparadijs Tropicana in Rotterdam. Maar een land waarin bijna elke vierkante meter een welomschreven functie heeft is meestal geen plek om leegstand lang ongemoeid te laten.
Doel is een leuke instapbestemming, zegt Joosse, ‘als je van graffiti houdt’. Opgespoten tags en schuttingtaal, de handtekening van verloedering, alsof bekladding het gebouw inlijft bij een vervallen portfolio. Joosse houdt van ongerept verval, waar niet de spuitbus maar de natuur weer langzaam bezit van neemt.
Met een klein groepje vrienden (mannen van middelbare leeftijd, op weg naar post-middelbaar) maak ik af en toe een weekendtrip naar een rafelrandbestemming. Luik, Lens, Mons, Charleroi natuurlijk, dat zich sinds de Volkskrant de stad in 2008 uitriep tot de lelijkste stad ter wereld heeft ontwikkeld tot een bedevaartsoord voor liefhebbers van stedelijk verval en lelijkheid.
Ja, liefhebbers. Het is een levenslang plezier als je stedelijke lelijkheid eenmaal hebt omarmd. Het voelt inmiddels als thuiskomen als we het Ruhrgebied inrijden. Essen is ons Parijs. Het is de vraag wat er dan zo aantrekkelijk is aan die grote, aaneengesloten jungle van snelwegen, fabriekspijpen en beton, maar we zijn niet de enige rafelrandpelgrims. Altijd komen we groepjes mannen tegen die ‘ook zo zijn’.
Een land waarin bijna elke vierkante meter een welomschreven functie heeft is meestal geen plek om leegstand lang ongemoeid te laten.
Bekend zijn de ‘treurtrips’ van journalist Mark van Wonderen. De flaptekst van zijn gids naar troostrijke troosteloosheid uit 2020 noemt Nederland mooi, maar wel erg aangeharkt: “Zodra in ons land een plek dreigt te verloederen, komen gemeentes en projectontwikkelaars onmiddellijk in actie.” We moeten de plekken die zich aan die regelzucht onttrekken koesteren: ‘gebouwen die heerlijk onbekommerd staan weg te kwijnen’, verloederde winkelcentra, vergane badplaatsen.
De fascinatie moet zijn opgebouwd uit verschillende – soms minder flatteuze – eigenschappen en emoties. Het genot zelf beter af te zijn is er misschien een van: wat hebben wij het toch fijn in de binnensteden van Amsterdam en Utrecht, vergeleken met de kale ellende van Delfzijl! Poeh, blij dat ik niet met een scootmobiel door de uitzichtloosheid ploeg, zoals die arme Waal daar!
Lekker huiveren, als je in Charleroi dikke ratten aan een berg vuilniszakken ziet knagen. De wee-zoet meurende restanten van een geslacht schaap, in een vuilniszak gepropt, gedumpt langs de weg. Maar behalve lekker geprivilegieerd gruwelen is oprechte interesse (hoop ik) toch ook onderdeel van de lokroep van de rafelrand. Hoe generaties mijnwerkers zich uit de diepte omhoog werkten. Hoe heet het geweest moet zijn tussen nu zwijgende staalovens. Hoe een deel van stedelijk gebied zich onafhankelijk van plannenmakerij ontwikkelt. De donker-romantische klank van ‘le pays noir’ of ‘de Borinage’.
Er zit wat geruststellends in de gedachte dat de wereld niet helemaal maakbaar is. In het besef dat stilte een langere adem heeft dan kabaal, de eeuwigheid door kieren en gaten een gebouw binnentrekt als de gebruikers zijn vertrokken, de waan van de dag door de kapotte ramen is weggewaaid. Eerst nauwelijks waarneembaar komt de natuur weer terug, beginnend met een vlek op de muur. Anders dan wij heeft de natuur alle tijd.
Het idee is dat ‘de natuur het weer overneemt’ als mensen een plek hebben verlaten, maar dat is niet helemaal wat er gebeurt. Het is meer dat wij de natuur op die plek een richting hebben opgestuurd die ze zonder ons niet zou zijn ingeslagen. De begroeiing die terugkomt op resten van bebouwing of door industrie, oorlog of rampen verwoeste grond wordt nooit meer ‘ongerept’, is voor altijd gerept, maar heeft het daarmee op die plekken nog niet definitief van ons verloren.
In haar boek Verlaten oorden beschrijft de Schotse schrijver en journalist Cal Flyn hoe op verlaten, verruïneerde plekken nieuwe ecosystemen ontstaan, andere dan er waren. De steenafvalbergen in West Lothian, Schotland, hebben een kunstmatige bergkam gevormd, begroeid met gras en mos. In Tsjernobyl werd het na de nucleaire winter toch lente, en lopen wolven, wilde zwijnen en elanden door de met bos overwoekerde stad.
Winterquartier van het Staatszirkus der DDR, Berlijn
In een flat in Tsjernobyl laat de houten vloer los, schrijft Flyn. “Aan de randen krult hij rommelig omhoog, als een golf die op het strand is omgeslagen en nu terugstroomt. (–) Van de tegenoverliggende muur laat muntgroen behang los van het pleisterwerk. (–) Op de vloer geeft een vochtige halve cirkel, groen van het mos, aan hoe ver de regen en sneeuw naar binnen komen.” In stoppenkasten, op boekenplanken en in bureaulades zijn vogelnestjes gemaakt, in vochtige hoeken groeien varens.
Het leven kruipt naar binnen. Het borrelt zelfs op rond een grijze gifpoel in de Zone Rouge bij Verdun, waar ze de na de Eerste Wereldoorlog overgebleven chemische wapens – mosterdgas, traangas, fosgeen, het niesgas chlorodifenylarsaan en het braakmiddel cyanodifenylarsaan – bijeen hebben gebracht en in brand hebben gestoken. Aan de randen van de poel des verderfs ziet Flyn een ‘flauwe halo’ van ruwe smede, peermos en kopjesbekermos. Er fladderen vlinders. De poel wordt steeds kleiner, schrijft ze.
Dat geeft de burger moed natuurlijk. De natuur blijkt zo veerkrachtig en vindingrijk dat ze altijd wel wat weet te verzinnen op het sloopwerk van de beschaving en is, als gezegd, bijna eindeloos geduldig. Maar helaas is dat geen reden om de toekomst met vertrouwen tegemoet te zien, zoals Flyn schrijft. Dat de opwarming van de aarde veel kapotmaakt is zeker. Dat voor het vernielde wat anders in de plaats komt ook. Wat, dat weten we nog niet.
Maar het is niet verboden om van de inventiviteit van de natuur te genieten, voordat de wereld vergaat. In het stadsdeel Meiderich in Duisburg, midden in de Kohlenpott, is het terrein van de in 1985 gesloten staalfabriek van ThyssenKrupp getransformeerd tot het Landschaftspark Duisburg-Nord, waar ‘industrienatuur’ floreert, met een beetje hulp van de boswachter. Tussen de zwijgende hoogovens en kolenmuren leven padden, vleermuizen en vogels. Uit beton groeien berken, bramen en vlinderstruiken. De biodiversiteit in het park is hoger dan in de omgeving. De Engelse titel van Cal Flyns boek is Islands of Abandonment. De verlaten plekken zijn eilanden van biodiversiteit.
In Tsjernobyl werd het na de nucleaire winter toch lente, en lopen wolven, wilde zwijnen en elanden door de met bos overwoekerde stad.
In 1947 probeerden de Britten het echte eiland Helgoland, zestig kilometer van de Noord-Duitse kust, met een recordhoeveelheid explosieven van de kaart te blazen. Bijna tachtig jaar later is het er in het voorjaar een vogelgekwetter als in een natuurdocumentaire. Op de rotsen broeden zeekoeten, alken, drieteenmeeuwen. Je staat op aanraakafstand van broedende jan-van-genten, die je zo te zien volkomen onverschillig aankijken. Fijn.
In de film De engel van Doel (Tom Fassaert, 2011) vertelt Emilienne, een van de laatste bewoners, hoe ze als zestienjarige een engel zag. Ze stond in de tuin van haar moeder, bij de kippen, toen hij uit de hemel tevoorschijn kwam. Hij maakte een korte vlucht boven het gedoemde dorp en verdween weer in de wolken.
Een engel zie ik niet op de decembermiddag in het spookdorp, maar wel een pauw. Hij loopt ineens op straat, bij de kerk. Ook een beetje magisch-realistisch, vind ik, de pauw zou ook op een Willink-schilderij kunnen staan.
Het café is gesloten, net als het sleutelwinkeltje en het Sinte Cornelius Gesticht, een voormalig klooster en weeshuis voor meisjes. Vanuit overwoekerde tuinen groeit klimop over de huizen heen. Alleen de kerk en het kerkhof worden goed verzorgd. De doden liggen er netjes bij in Doel. Op de torenklok is het kwart voor vijf, het is bijna donker. Door de haven van Antwerpen rijd ik terug naar de bewoonde wereld.
