Als het zuur in de benen bliksemt

De laatste bocht. Van hier nog ruim driehonderd meter tot de finish. Het loopt licht op. Ik rem stevig, want de bocht draait bijna helemaal terug en hij is nat. Dus glad. Niet over de witte lijn rijden. Kan extra glibberig zijn. Uit het zadel. Optrekken vanuit bijna stilstand met mijn volledig verzuurde benen. Ik slaak een kreetje. Of meer een zielige kerm. Pijn. Blijven staan of gaan zitten?

Intussen blèrt Madonna voor de zoveelste keer quicker than a ray of light she’s flying in mijn oor. Dat gilt ze me al bijna dertig minuten toe. Ik dacht dat het zou stimuleren, zonder coach die roept dat ik vliegen moet in de volgwagen achter me. Maar eigenlijk hoorde ik Madonna nauwelijks. Toch was het een goede keuze haar mee te nemen, want mijn eigen gehijg maakt me doorgaans gek. Zij overstemde dat makkelijk.

Ik besluit te blijven staan. Of eigenlijk had ik dat gisteren tijdens de verkenning al besloten, al wist ik dat het betekende dat ik door alle pijngrenzen heen zou moeten. Maar gaan zitten en dan op honderd meter voor de meet opnieuw gaan staan kost secondes. Ik passeer het bord van de driehonderd. Negeer dat dit een absurd lange sprint gaat worden. Focus me op de meet, haak mijn ogen vast in de streep die ik in de verte al kan zien liggen. Het zuur bliksemt door mijn benen.

De natte weg baarde me nauwelijks zorgen vanochtend. Net als het feit dat het zo mistig was dat je op sommige plekken nog geen honderd meter ver kon zien. Het parcours was niet moeilijk, na twee keer verkennen had ik ‘m tot in detail in mijn kop. Het parcours is wel zwaar. De stroken omhoog lopen vals lang door en de stukken omlaag zijn niet zo steil dat je je naar beneden kunt laten vallen. Dat betekent: druk houden, overal. En vooral op de top van elk stuk omhoog. Daar moet je bijschakelen en doortrekken. Daar kun je secondes winnen. Of verliezen.

Alles wordt wazig om me heen. Het lijkt alsof ik door een tunnel kijk, naar die ene witte lijn in de verte. In m’n rechter ooghoek zie ik een rood bordje met 200 voorbij schieten. Nog harder duwen en trekken, want hier helt de weg steeds iets meer en terugschakelen kan staand op de pedalen niet. Ik heb m’n mond wagenwijd open. Als een vis op het droge, happend naar zoveel mogelijk zuurstof. En ik blijf sprinten. Blijf sprinten.

Net zoals ik Madonna eigenlijk niet hoorde onderweg, dacht ik ook aan bijna niets. Ik had me voorgenomen om te doen alsof de duivel – in de persoon van een Franse vrouw van bijna 54 jaar – me op de hielen zat. Maar dat was niet nodig. Ik reed voor mezelf. Dit was mijn eindeseizoenskadootje. Ik had dertig minuten om het diepgaan met volle teugen in me op te nemen. Op vijf kilometer van de finish haalde ik het meisje in dat vier minuten voor me gestart was. Ik schrok er zelf van.

Nog honderd meter. Nog vijftig. Daar. Daar moet je zijn. Zwart asfalt, witte streep. Nog tien trappen. Klok. Dertig minuten, vijf, zes, zeven seconden. Fuck. Ik wilde onder het half uur. Fuck fuck fuck. Benen stoppen, mond nog verder open, met gulzige teugen haal ik alle lucht om me heen naar binnen. Dit is zeker geen winnende tijd en vermoedelijk ook niet genoeg voor het podium. In trance rij ik naar de plek waar mijn auto staat. Hang over mijn fiets. Ademen. Duizelig. Ademen. Misselijk. Ademen. Sterretjes. Ik had harder gemoeten. Ik had harder gekund. Toch? Of niet? Fuck!

Goed bezig Marijn! 30’15”, snelste tijd!, whatsappt fietsmaatje Paul als ik net languit op de bijrijdersstoel geploft ben. Hij kijkt naar de livestream van de Chrono des Nations en heeft me net zien finishen. Hij weet dus meer dan ik. Want ik sta op de parkeerplaats. Van tussentijden of aankomsttijden krijg ik niets mee. Ik kan geen boe of bah meer zeggen, dus blijf waar ik ben. Kun je me op de hoogte houden?, schrijf ik hem terug. Zijn berichtjes zijn zenuwslopend. Cecilie Johnsen 30’31”. Stienen op 55 tellen, stuurt Paul. Lesueur is binnen. Niet sneller dan jij. Nog maar negen dames op het parcours. Hm, ‘maar’. Dat zijn wel de negen snelsten.

Tetryck komt nu binnen 29’42”. Sorry. Fuck! Zie je wel, boven de dertig minuten was niet snel genoeg. Schwager 30’03”. Ai… Neben komt binnen op 28’34”. Dat is de winnares van vorig jaar. Ik had niet anders verwacht. So far voor een podiumplek. Even hopen was mooi. Intussen typt Paul verder. Het verlossende bericht: Longo op 30’48”!!!!! De pijn verdwijnt uit mijn benen en mijn zware hoofd wordt even lichter. Godzijdank. Het beste nieuws van de dag, wat een opluchting! Ruim een halve minuut sneller dan de Franse legende.

Ik strand op een vijfde plek, vijftien seconden van het podium. Vijftien tellen: niets op een mensenleven, veel op een tijdrit van ruim twintig kilometer. Maar niet onoverbrugbaar veel. Ondanks de pijn in mijn lijf en de vakantie die voor de deur staat is het enige dat ik denk: meer. Volgend seizoen weer. Heerlijk!

P.S.: Paul, bedankt voor de hotline.