Déze keer maar eens geen seks op het podium

Op 23 november vond in de Amsterdamse Stadsschouwburg de Jonge Schrijversavond plaats. Jonge schrijvers betekende in dit geval: schrijvers in de leeftijd tussen 27 (ik) en 38 jaar (Arie Boomsma). Piepjong waren we dus niet. Een van ons, Renske Jonkman, wordt zelfs al moeder. Dan ben je, hoe jong je ook bent, natuurlijk niet echt jong meer.

We mochten naar binnen door de artiesteningang. Veel schrijvers wisten vroeger dat ze iets publiekelijks wilden doen. Iets waar kleedkamers en artiesteningangen bij aan te pas komen. Met artiestenbegeleiders en consumptiebonnen. Vroeger gingen we ervan uit dat een hoog salaris een logische bijwerking zou zijn van de roem waar we op hoopten. Inmiddels weten we wel beter. Maar de aandacht waarin we op dergelijke avonden worden uitbetaald werkt verslavend voor mensen die al sinds jongs af aan op zoek zijn naar publiek.

Uiteraard werd er voor de artiesten ook gecaterd. Ik kwam zojuist teruggevlogen van mijn schrijfretraite. De kleding die ik aan wilde was verkreukeld in mijn koffer. Gelukkig liet een meisje van de organisatie me weten dat er een strijkijzer aanwezig was. Ze had hem na mijn aankomst voor me aangezet. Wat later dan de rest kwam ik de ruimte binnen waar het diner werd geserveerd. Er werd plaats gemaakt en ik mocht aan het hoofd van de tafel zitten. De vrouw van de catering werd geprezen; het komt namelijk ook voor dat wij artiesten het moeten doen met een homp Turks brood en instant noodles. Of met een beetje mazzel: een groene salade opgeleukt met bruine bonen.

Onbekende bekende bekenden in de schouwburg
Ons overkwam wat echte bekenden vaak overkomt: de andere artiesten ken je wel, van naam, maar niet persoonlijk. Je wordt aan elkaar voorgesteld terwijl je elkaars naam al weet. Wij kenden elkaar vooral omdat we in dezelfde kleine scene zitten. Op Arie Boomsma natuurlijk na. En Matthijs Kleyn, alhoewel van hem de mensen denken dat hij ‘Jakhals Thijs’ heet.

We namen door wat we zouden gaan doen. De meesten zouden uit hun boeken lezen. We hadden elk vijf minuten gekregen van de organisatie. Omdat we niet echt jonge schrijvers meer zijn, is het ook niet vanzelfsprekend dat we allebei onze ouders nog hebben. Ik heb de feiten niet gecheckt, maar volgens mij hadden we er allemaal nog in ieder geval een.

Omdat de avond plaats vond in de Amsterdamse schouwburg waren onze ouder(s) opeens wel te porren om hun kind te komen beluisteren. De schouwburg heeft een artiesteningang, en een kleedkamer met lampen om de spiegels. Dan moest hun kind toch inmiddels wel een beetje ster zijn. Dan moet je als ouder het aandeel in die roem op komen eisen.

Een proost op een goede afloop van de Jonge Schrijversavond. v.l.n.r.: Iris Koppe, Renske de Greef, Hanna Bervoets en Anna Drijver.

De meeste van onze ouders zaten er. De pikante passages zouden we die avond moeten overslaan. Onze ouders hadden niet een uur in de trein gezeten om vervolgens te moeten horen hoe het alter ego van hun kind tout Amsterdam in zijn of haar mond neemt. Want dat doen jonge schrijvers. Die nemen tout Amsterdam in zijn of haar mond en noteren dat dan in een debuutroman die gebouwd is rondom hun alter ego.

Voordat we op moesten zag ik Alma Mathijsen nog even met haar moeder knuffelen. Haar moeder vond dat Alma er mooi uit zag, en dat was ook zo.

De gastheer van de avond moest vaststellen dat de dood een aanwezig thema was in onze verhalen. Over seks ging het eigenlijk alleen tijdens de vragen die hij na afloop van iedere lezing aan de schrijvers stelde. De schrijvers waren zichtbaar opgelaten. Hun ouders zaten immers in de zaal.

Toen de gastheer aan het eind van Alma’s optreden vroeg wie haar grote voorbeeld was, zei ze: ‘mijn moeder’. De zaal was geroerd.

En ik voelde me samen met Alma en de rest een jonge schrijver.