Jeroen Otter, Man van Sotsji 2014

De Olympische Spelen glijden naar hun eind, en de man van het toernooi is bekend. Jeroen Otter, shorttrackcoach. Leuk hoor, Kramer en Bergsma en Mulder en Mulder en Mulder en Mulder en Mulder en Sjinkie en Ireen en met welke voornamen onze vaandeldragers ook door hun ouders mogen zijn opgezadeld, maar niemand deed wat Jeroen Otter deed.

Hij gedroeg zich onder alle omstandigheden als Jeroen Otter – en dat was uitermate prettig.

Overal zijn Jeroen Otters
Je hebt Jeroen Otters in het bankwezen, je hebt Jeroen Otters onder kunstenaars, horecapersoneel, stratenmakers en kermisklanten. Een enkele keer tref je zelfs een Jeroen Otter onder hoogleraren of boekverkopers.
Persoonlijk heb ik zelfs enkele Jeroen Otters onder mijn beste vrienden. Die Jeroen Otters weten zelf niet dat ze een Jeroen Otter zijn – tenminste, dat vermoed ik – en dat houden we maar zo.

Jeroen, de man die ‘iconoclast’ zegt in een schaatsstadion en dat op geen enkele manier ironisch bedoelt. Jeroen, de man die metaforen zoekt voor wat hij de mensheid niet in gewone woorden aan het verstand kan peuteren. Jeroen, die de uitstraling van de verweesde studeerkamerintellectueel weet te koppelen aan de bijna agressieve koppigheid van de sportcoach.
Jeroen, de iconoclast – al ontkent hij dat zelf.
Jeroen Otter, die niet altijd voorspelbaar is – zoals niemand altijd maar doet wat je verwacht.
Niemand, behalve de gemiddelde schaatser. Shorttracker. Voetballer. Tennisser. En al hun gemiddelde coaches.
Alleen daarom al: Jeroen.

Minicursus ‘erdoorheen zitten’
Gisteren, terwijl de door hem opgekweekte shorttrackneefjes erbij gingen liggen, ontwaarde ik plots wallen onder de ogen van Jeroen.
Het oranje trainingsjack dat hij al het hele toernooi droeg – ik kan me hem inmiddels niet meer anders voorstellen – had van het ene moment op het andere iets kolderieks gekregen. Het was het soort jas dat je als kind van tien van de ene dag op de andere niet meer dragen wil; de magie was uit de kleur verdwenen en nu was er alleen nog schreeuwerige lelijkheid over.
Voor de NOS-camera gaf Jeroen een minicursus ‘erdoorheen zitten’.
Hij probeerde uit te leggen waarom hij geëmotioneerd was. Lukte niet: steeds weer kleefde hij het vragende ‘hè?’ achter zijn zinnen, alsof hij zich ervan wilde vergewissen dat de verslaggever hem kon volgen – nu wel.
Halverwege het gesprek in een rommelig achterafgangetje van het stadion, mompelde hij plots: ‘Fuck.’ Zelden een machtelozer fuck gehoord dan de fuck van Jeroen Otter, het was een fuck van iemand die zich realiseert dat het allemaal voor niks is geweest.

Toch betoonde Jeroen Otter ook in de diepste teleurstelling een aangenaam realistisch figuur. Hij was de trainer die zich realiseert dat het – hoe groot zijn eigen rol ook geweest moge zijn – altijd om de sporters gaat. Om er iets wezenlijks aan toe te voegen:
“Ik wilde gewoon laten zien wat een ongelooflijk gave sport dit is.”
Dat, die wens, om mensen te laten zien waarom jij mooi vindt wat je mooi vindt, om het publiek te vermaken en deelgenoot te maken in geheimen waar jij zo gelukkig van wordt; Dát zou de wens van iedere sporttrainer, sporter en sportbestuurder moeten zijn.

Alleen met z’n tranen
Het kwam er niet uit, concludeerde Jeroen, en zijn stem klom een paar sporten op de toonladder. Om alleen te kunnen zijn met zijn tranen draaide hij zich om en beende weg. Geen pathetische taferelen op nationale televisie, niet voor hem.
Dat Jeroen Otter nauwelijks veertien uur later door een invloedrijk columnist tot Man van Sotsji 2014 zou worden uitgeroepen, wist hij toen nog niet.

Bekijk het interview hier.