Uitgestorven beroepen (2): hondenslager, koddebeier, scharensliep

De mevrouw van het postkantoorloket, de uitbater van de videotheek, de man die fotorolletjes ontwikkelt – ze zijn in het nabije verleden allemaal werkloos geworden, simpelweg omdat hun baan is opgehouden te bestaan.

Dat is ook helemaal niet erg. Met het verstrijken van de tijd verdwijnen er beroepen, dat is altijd al zo geweest en dat zal ook altijd zo blijven. Maar er zijn ontzettend veel beroepen waarvan wij geen idee hebben dat ze er ooit zijn geweest. Wie heeft er ooit gehoord van een reetveger, van een kindermaker en wie kent er nog een snuifmolenaar? HP/De Tijd zet enkele uitgestorven beroepen op een rij.

Lees hier deel 1 en deel 3.

Hondenslager
God houdt van iedereen even veel, maar van mensen nét iets meer dan van dieren. Een hondenslager, ook wel een hondenmepper genoemd, was een kerkelijk bediende die als enige taak had om (zwerf)honden uit de kerk te weren. Tot ver in de negentiende eeuw sloegen (vandaar de term -slager) deze bedienden de honden met stokken en zwepen uit het Huis van God, zodat de dienst niet verstoord zou worden door deze canis vulgaris. Ook jeugdige kerkgangers die de dienst verstoorden konden op een ferme tik rekenen. (En ja, hondenliefhebbers, ook katten werden op deze manier uit de kerk geweerd.)

Hondenslager
Hondenslagers. Fragment van een doek van Emanuel de Witte, Oude Kerk te Delft.

(via)

Koddebeier
De letterlijke betekenis van koddebeier is: iemand die met zijn knots (kodde) heen en weer zwaait (beiert.) Is koddebeier dan een ouderwets woord voor swaffelaar? Neen. Met een koddebeier wordt een veldwachter bedoeld. Zo schreef de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC) in 1913: ‘Een der stroopers is door den koddebeier herkend.’ Het woord wordt af en toe nog gebruikt als synoniem voor agent.

Scharensliep
Een verslaggever vroeg ooit eens aan een echtpaar dat hun briljanten huwelijk vierde: ‘Hoe hebben jullie het voor elkaar gekregen om 65 jaar bij elkaar te blijven?’ De vrouw antwoordde ferm: ‘Wij komen uit een tijd dat, wanneer iets kapot was, je het maakte – je gooit iets niet zomaar weg.’ Die tijd is voorbij, zo weet ook de scharensliep. De scharensliep trok langs deuren om botte messen en scharen weer aan te scherpen. Met de komst van onderhoudsarm gereedschap, dat bovendien veel makkelijker en goedkoper was om te vervangen, verdween de scharensliep.

Scharensliep

(via)

Leprozenmeester
In de middeleeuwen heersten er allerlei besmettelijke ziektes. Lepra is daar een goed voorbeeld van. Om de rest van de gemeenschap tegen de dragers van deze ziekten – de melaatsen – te beschermen, werden er zogenaamde melaatsenkolonies opgericht. Een leprozerie was een inrichting voor mensen die aan lepra leden. De kosten, het onderhoud en het beheer van de leprozenhuizen werden bijgehouden door een van de regenten van het stadsbestuur: de leprozenmeester van de leprozerie.

Leproos

Blauwverver
Een blauwverver was iemand die kleding blauw verft, vaak met de kleur indigo. Het verven van kleding werd om verschillende redenen gedaan. In de eerste plaats omdat de kleur van de kleding redelijk snel vervaagde, kleding werd vaak gedragen en gewassen. Wilde je er toch netjes uitzien en je had wat geld, dan bracht je je klofje even naar de blauwverver. In de tweede plaats werd kleding donkerblauw, bijna tegen het zwarte aan, geverfd als de drager ervan in rouw was. Soms duurde deze periode wel enkele maanden.

Lakmoesmaker
Een lakmoesmaker maakt lakmoes, zo simpel is dat. Maar wat is lakmoes? Onze Taal geeft uitsluitsel: ‘Lakmoes is een verzamelnaam voor blauwe en rode kleurstoffen die men bereidde door een brij van bepaalde korstmossen met urine te laten gisten en vervolgens te laten uitlekken. Tot en met de negentiende eeuw vond de productie ervan vooral in Nederland plaats, waardoor het Nederlandse woord overgenomen werd in enkele andere talen. Het Duits kent Lackmus, het Zweeds lackmus en het Pools lakmus. Lakmoes is tegenwoordig vooral bekend vanwege de toepassing in de scheikunde als eenvoudige indicator van de zuurgraad.’ De figuurlijke lakmoesproef, zoals wij die nu nog kennen, is hiervan afkomstig.

Lorrenboer
Een lorrenboer, ook wel voddenboer of voddenman, trok langs de huizen om oude kleren op te kopen om deze weer door te verkopen voor fabricage van papier of poetskatoen. Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw trok de voddenbier met zijn kar door de Nederlandse straten.

Voddenman

Aardewasser
Vroeger werden er tonnen oer-Hollandse klei gedolven om aardewerk van te maken. Vaasjes, kannetjes, bekertjes, tegeltjes, dakpannen – noem maar op. Deze klei kwam niet schoon aan bij de aardewerkfabriek. De klei bevatte plantenresten en meer van zulks – dingen die niet in een aardewerken kopje thuishoren. Daarom moest de klei gewassen worden voordat het bewerkt kon worden. En daar waren de aardewassers voor.

Krotenspitter
Krotenspitten was seizoensarbeid. In de herfst werden de wortels van meekrap (die na drie jaar in de grond te hebben gezeten dienden als grondstof voor rode verfstof) door krotenspitters uitgestoken.