Column Ton van Dijk: de verhuizing

De Haagse Post bestaat 100 jaar, en ter gelegenheid van dit unieke journalistieke jubileum werd 9 december in De Balie in Amsterdam de HP-Eeuwprijs uitgereikt. De deelnemers aan deze columnistenwedstrijd moesten zo treffend mogelijk een ‘Verhaal van alledaagse waanzin’ beschrijven, naar een rubriek die begin jaren tachtig een stilistisch memorabel onderdeel was van de Haagse Post. De komende weken publiceren we op onze website de inzendingen. Vorige week de bijdrage van Hans Jansen, nu oud HP-medewerker Ton van Dijk.

Na echtscheiding staat verhuizen nummer twee op de stresslijst. Wij gingen verhuizen. Een paar verhuisbedrijven gebeld. We vonden een klein, sympathiek ogend bedrijfje dat niet veel zeurde, een redelijke prijs vroeg, graag met touw en blok werkte als we zelf op driehoog zouden helpen met aanpakken. Dan hoefde er geen verhuislift te komen, want dat maakte het extra duur. En de verhuisdozen waren gratis in bruikleen. Ook geen borg vooraf als we beloofden de dozen snel leeg te maken zodat ze naar een volgende klant konden. Prima, de baas, een grote, fors kalende man zou dan met één extra werknemer de klus kunnen klaren. Zijn knecht bleek een kleine, tanige Amsterdamse lolbroek te zijn. Het inladen vanaf eenhoog ging rap.

Op naar de andere kant van de stad. De knecht heette Arie, de baas werd gewoon joviaal ‘baas’ genoemd. Arie klom met een berg touw naar het zolderraam hing het blok aan de haak en liet het touw vieren. De baas parkeerde de wagen achteruit op de brede stoep. Daar kwamen de dozen, afgewisseld met stoelen, banken, kastjes, mandjes, tafeltjes, kleedjes, god allemachtig wat verzamelen man, vrouw en twee kinderen een hoop rotzooi om zich heen. Arie en ik stonden op driehoog bij het kozijn waar de ramen uit gelicht waren. Arie becommentarieerde op geheel eigen wijze onze inboedel. “Hé, een kokosmat, da’s naar voor de knietjes bij het bidden.” “Ha, het bijzettafeltje voor het biertje.“ Toen onze matras naar boven kwam, zei Arie: “En daar is de werkbank!“

Beneden sloeg de baas gestaag het touw om weer een doos of meubelstuk. Ook om een kastje van mij. Dat had ik niet heel goed leeggeruimd. Achter de twee deurtjes met magneetslotjes lagen restanten van mijn kortstondige studie politicologie. Wat uittreksels en losse papieren, dacht ik. Bijna boven vielen de deurtjes open. Een regen van losse vellen dwarrelde naar beneden, de aan elkaar geniete stencils iets sneller dan de andere. De baas stond voor een dilemma. Het touw loslaten en proberen het vallende kastje met een noodsprong te ontwijken of blijven staan en de A4’tjes trotseren. Hij koos voor het laatste. Helaas, tussen de papieren bevond zich de 625 pagina’s tellende paperback Social Statistics van Hubert M. Blalock. Het boek viel als een baksteen naar beneden en trof de baas met de linkerbenedenhoek van de rug vol op zijn voormalige haargrens. Wankelend bleef hij het touw vasthouden. Arie keek naar onderen. Het bloed vloeide over het gezicht van de baas. Ik voelde me zeer schuldig, maar Arie zei: “Had-ie er maar een Rotterdammertje omheen moeten doen.” Het touw kruiselings om het kastje heen had de deurtjes dicht gehouden. Onze nieuwe woning lag boven zuigelingenzorg van de GGD. Daar kreeg de baas jodium en een pleister. Hij deed daarna alles met een Rotterdammertje, ook een eveneens niet goed uitgeruimd keukenkastje. Uit een kiertje stroomde een wit gordijntje van keukenzout naar beneden en trof zijn wond, ook dat nog. Mijn schuldgevoel hield weken, ja, maanden aan. De dozen moesten leeg en terug en dat schoot maar niet op. Er moest eerst geschilderd en gewit worden. De baas kwam regelmatig langs. Elke keer als hij de trap besteeg om alvast een paar lege dozen op te halen, had ik goed zicht op zijn hoofdwond, een flinke scheur toch; de schedel is immers hard, de hoofdhuid dun en het bijna een kilo wegende leerboek over statistiek en kansberekening was zware kost. De korst werd maar heel langzaam kleiner; toen de laatste dozen op hem wachtten, was er altijd nog een klein roofje te zien. Mijn Blalock heeft nog steeds in de linkerbenedenhoek een bruin randje. Hoe groot de kans was dat het boek hem niet geraakt zou hebben, kon ik in dit standaardwerk niet vinden.

Ton van Dijk