Tom Dumoulin wint de Giro (‘Io sono Dumoulisto!’)

Precies een jaar geleden schreef ik op deze plek:
Steven Kruijswijk wint de Giro.
Nog een keertje, anders leest de argeloze lezer eroverheen.
Steven Kruijswijk wint de Giro.
En dan nog een voor alle sombermannen en –vrouwen die zeker denken te weten dat Nederlandse wielrenners geen grote wielerrondes kunnen winnen.
Steven Kruijswijk wint de Giro.
Enzovoort. Het was geen grap. Ik wist het zeker. En ik was de enige niet.
Drie dagen na die column lag Steven als een verschrompelde Ötzi ondersteboven in een sneeuwwand. Hij werd die Giro vierde, wat voor iemand die zo goed reed als hij ongeveer gelijkstond aan Helemaal Niks. Weg rondvaart, weg legende, toedeloe zaligverklaring. Steven Kruiswijk was weer gewoon een toffe, verdacht veel op Kuifje lijkende wielrenner met een goed verhaal.
Stond ik dan, met mijn voorspellingen. Plots was ik een van die jokers die de boel willens en wetens had gejinxt. “Typisch Nederlands,” zeiden mensen, wat ik een typisch Nederlandse reactie vond. En nu is er dus Tom Dumoulin. 

Tom rijdt in het roze. De hele wereld is bang voor Tom. Tom koerst op dit moment een beetje zoals Messi dribbelt: je weet als tegenstander wat er gaat gebeuren en het beste is om je maar bij voorbaat gewonnen te geven, om verdere vernedering te voorkomen.
Mensen die mij kennen, weten van mijn lichte obsessie voor de Dumoumeister. Sinds een dag of vijf informeren die mensen voorzichtig ‘of het nog wel gaat’.
Alles pico bello, antwoord ik dan kalm. Van binnen kookt het.
(Aan hen die mij niet kennen: hallo, hier spreekt de grondlegger van het Dumoulisme, een vreedzame, mild-religieuze stroming die gelooft dat Tom Dumoulin door Eddy Merckx op aarde is gezet om het Nederlandse wielrennen van zijn zwachtels te ontdoen.)
Of, om met de paus te spreken: “Io sono dumoulisto.”
“Gaat ie het halen?” vragen ze. “Jij bent met hem bevriend.”
Ik heb Tom een keer geïnterviewd, bij hem thuis, wat nu niet meer bij hem thuis is, omdat hij verhuisd is. Hij smeerde boterhammen in mijn bijzijn en sprak me aan bij mijn voornaam. Je zou dus best kunnen zeggen dat we bevriend zijn. Aan de andere kant: wat is bevriend? Waren de apostelen bevriend met-…? Lastig.

In de Volkskrant stond dit weekend een profiel van mijn vriend. Profielen worden over het algemeen alleen geschreven als een vraaggesprek niet tot de mogelijkheden behoort. Het profiel is voor de journalist wat het purschuim is voor de presentator van Eigen Huis en Tuin. Het was een licht vreeswekkend portret. Ik leerde dat Tom geen biografie hoeft. Dat hij alle journalisten in een hotelletje in Maastricht bijeendrijft en al hun vragen er dan binnen twee uur doorheen jast – zonder te verklappen hoe zijn hond heet, want dat hoeft van Tom niet in de krant.

Dat hij geen fanclub wil, en dat de man die niets liever wil dan de voorzitter van Toms fanclub zijn – Jannie Dreesen uit Eijsden – al jaren tevergeefs wacht op een bevestiging van zijn Facebook-vriendschapsverzoek aan de Maastrichtse tank. Eerst waren Tom en hij namelijk wel bevriend, maar toen die digitale amicaliteit door een foutje in Huize Zuckerberg nogmaals bevestigd diende te worden, bleef het stil. (Jannie, in een Dumoulist-shirt aan de toog: “Maar ik ken hem echt! Echt! Er was alleen een storing!’ De andere mannen: ‘Jaja Jannie, haal nog maar een rondje.”)
Was Jannie maar een Italiaan. Dan heette hij Gianni, en kon hij zijn Facebook-profiel overrulen en mompelen: “Io sono dumoulisto.”
Nog even over dat Volkskrant-profiel. Mijn oog bleef haken aan een passage over het Preuvenemint, een grande bouffe Maastrichter wijze. Schransen tot je je zachte g vergeet. Op dat evenement was Tom vorig jaar te gast, maar hij vertrok er ‘voortijdig’, omdat hij werd aangestaard. Ik heb daar over nagedacht. Stel: je bent op het Preuvenemint en stel: voor je in de rij voor de huzarensalade staat Tom Dumoulin. Fucking Tom Dumoulin. Wat doe je? Kijken of niet kijken? En als je niet kijkt, kijk je dan heel expliciet niet, zo erg niet dat je eigenlijk beter wel kunt kijken. Persoonlijk zou ik al in de war raken als ik bij een ontbijtbuffet achter Twan Castelijns zou staan, laat staan als ik op een internationaal gekend vreetfeest direct achter de Orlando Bloom van de koers zou belanden.

Sowieso, Tom Dumoulin in de rij voor een lopend buffet. Wat een beeld. Ik kan me Bauke Mollema in de rij voor een lopend buffet voorstellen, ik kan me Steven Kruijswijk voorstellen terwijl hij op sponsorslippers een glas grapefruitsap uit zo’n typische hotelvruchtensapjukebox perst en van Bram Tankink kan ik me zelfs voorstellen dat hij de hele rij voor het buffet ophoudt omdat hij met een korstje stokbrood de bak satésaus staat leeg te vegen, maar Tom Dumoulin in de rij voor het buffet? Nee. Misschien belt Tom op die momenten een journalist en belooft hem een exclusief interview, en dat die journalist dan op weg naar Toms tafeltje eerst even langs het buffet moet. En dat hij, om in het VIP-gedeelte te komen, het wachtwoord moet kennen.
Io sono Dumoulisto.

En nu gaat Tom dus misschien de Giro winnen.
Wie weet. Mogelijk. Deo volente.
Milaan is nog ver. Er komen nog meer bergen dan vlakke kilometers, er komen nog ravijnen, gemiste etenszakjes, ententes tussen Italiaanse en Spaanse ploegen, er komen nog trucs en speciale trucs en levensgevaarlijke afdalingen. Er komen nog mindere momenten en slechte momenten en momenten waarvan je achteraf zult zeggen: daar had ie zomaar de Giro kunnen verliezen, die Tom.

Maar kijk hem iedere dag zitten, met die lipstickmondjes op zijn wang. Droge rijst grazend uit een Tupperwarebakje. Zie hem Quintana voorsprong geven, terughalen en achterlaten. (In jeugdverhalen over beroemde voetballers is vaak sprake van eindeloze solo’s waarbij op de doellijn de keeper nog twee keer wordt omspeeld, alvorens de bal op de lijn wordt stilgelegd en het supertalent de bal geknield met het hoofd in het net aait. Zoiets gebeurde zaterdag op Oropa.)

Intussen gelooft iedereen dat Tom Dumoulin de Giro wint. Erik Breukink – berucht bijna-Girowinnaar – werd gebeld door Bureau Sport en dacht dat het ging lukken – dat was een paar miraculeuze Dumoumoves geleden. Mark Cavendish dacht dat Tom de komende jaren ook de Tour wel een paar keer zou gaan winnen. En de onvolprezen Rob Harmeling geloofde er ook in. Olumpies-zegger Harmeling was vooral onder de indruk van Toms non-verbale uitstraling. Ik ook. Er gaat een soort wonderlijke gloed uit van Dumoulin. Alsof hij zoveel energie over heeft dat hij tussen de wedstrijden door ook nog als gloeilamp dienst kan doen.
Maar misschien zie ik dingen die er niet zijn en is het gewoon Toms alledaagse aureool.
En Laura Pausini zingt: “Io sono Dumoulista.”

Tom Dumoulin doet me denken aan het buurjongetje met wie de kleine Tim Krabbé ooit een zwemwedstrijdje deed. Na afloop van de door Tim gewonnen race, zei hij de buurjongen verontwaardigd: “Dat is niet eerlijk. Jij zwemt harder.”
Milaan is nog ver. Maar al moesten ze nog naar Nizjni Nowgorod, dan nog geloof ik dat de Dumoumaestro met de uitgestreken kop van een Gomorra-huurmoordenaar naar de finish zou boemelen.

Zelfs de vriendin – Beëdigd Sporthaatster – informeerde gisteren of ik over Tom ging schrijven.
“Natuurlijk,” zei ik.
“Wat dan?”
“HET.”
“Nee.”
“Ja.”
“Zou je dat nou wel doen?”
“Ja. Ik ga het schrijven.”
“Kijk in godsnaam uit.”
“Ik moet wel.”
“Het is eerder misgegaan.”
“Let op.”
“O God…”
“Komt-ie!”
“…”
“Tom Dumoulin wint de Giro.”
“Wat?”
“Tom Dumoulin wint de Giro!”
“Ik versta je niet.”
“Tom. Dumoulin. Wint. De. Giro.”
“…”
“Althans: dat denk ik. Io sono Dumoulisto!”