De zwabbermoraal van Jan Blokker

Ron Kaal 13 nov 2009 Leven

Veertig jaar journalistiek hebben hem van inktkoelie tot professor gemaakt en hij houdt er dan ook stellige opvattingen over het vak op na. Maar in hoeverre houdt hij zich aan zijn eigen moraal? De gespletenheid van mandarijn Jan Blokker.

Bij de eerste beelden van de VPRO-serie Op afbetaling moet de kijker raden in welk tijdperk hij is beland. De kleding en interieurs doen de jaren dertig vermoeden, maar als later een Volkswagen in beeld verschijnt, begrijpt hij dat de jaren vijftig zijn bedoeld. Als alle inspanning van decorontwerper, rekwisiteur en kostuumafdeling niet verder reikten dan de schepping van een onduidelijk verleden, komt de vraag op waarom scenarioschrijver Jan Blokker zijn bewerking van Vestdijks roman niet heeft geactualiseerd. Een antwoord zou kunnen zijn: omdat het verhaal zich dan al snel zou laten kennen als een onbeduidend melodrama. Een ander antwoord is waarschijnlijker: Jan Blokker hecht aan dat verleden. Dat is, zoals we zullen zien, niet zonder betekenis.

Overigens heeft niemand zich in het openbaar die vraag gesteld; de serie is bejubeld in de pers, als gebruikelijk bij producties waar Blokker zijn naam aan verbindt. Hij is, zoals René Zwaap onlangs in De Groene schreef, een wandelend instituut: “Historicus, scenarioschrijver, verstrekker van subsidies voor scenario’s, TV-maker en – vooral – columnist.”

Sinds 1968 schrijft Blokker een paar maal per week een cursiefje voor de Volkskrant. Dat zijn vaak leuke stukjes, waarvan de beste gebundeld zijn in een reeks boekjes. Hij reageert op gebeurtenissen zoals we die dagelijks uit de krant of van de televisie vernemen. Een uitspraak van een Kamerlid, een plannetje van een autoriteit, een relletje in de provincie, een onderzoekje van een doctorandus. Meestal verbindt hij in zijn column een paar van die onderwerpen met elkaar en met de conclusie die hij aan het ene verbindt, gaat hij het andere te lijf. Twee keer per week verneemt de lezer van het ochtendblad wie nu weer billekoek verdient.


In de ogen van Zwaap is hij de ‘vadertje Cats van de welvaartsstaat’, voor anderen is hij het geweten van de Nederlandse journalistiek en in eigen woorden is hij een franc-tireur, een sluipschutter vanuit een hoge boom. Hij schiet raak, maar is zelf ongenaakbaar. Als hem bij het honderdjarig bestaan van de Nederlandse Journalisten Vereniging wordt gevraagd een feestrede te houden, maakt hij van de gelegenheid dan ook gebruik om het verzameld journaille te gispen: “Er zijn twee dingen die journalisten eigenlijk nooit zouden moeten doen. Journalisten zouden zich nooit moeten verenigen. En journalisten zouden zich nooit moeten laten fteren door hoogwaardigheidsbekleders.” De rede krijgt bij publicatie de titel Journalisten als mestharkers. Die term werd gemunt door president Teddy Roosevelt en, schrijft Blokker, ‘hij bedoelde het zeer misprijzend, dus zij waardeerden het begrip op tot een geuzennaam’.

Hoezeer autoriteiten afkerig zijn van de controlerende, onafhankelijke functie van de journalistiek, illustreert hij met een anekdote: “Van minister Colijn dateert een briefje uit 1933 waarin hij zich bij een hoofdredacteur beklaagt over een verslaggever die hem iets had durven vragen. ‘In mijn jeugd,’ schreef de toenmalige hoogwaardigheidsbekleder, ‘durfde men nauwelijks langs het gebouw te lopen waarin een minister zijn arbeid verrichtte.'”

Van ontzag voor autoriteiten moet Blokker niet veel hebben, ontzag voor journalisten heeft hij evenmin. Hoernalistiek, mag hij de professie in navolging van W.F. Hermans graag noemen. Op 4 februari van 1991 schrijft hij in zijn column: “Is journalistiek, vraag ik me wel eens af, niet te belangrijk om aan journalisten over te laten?” Waar het ze in zijn visie aan schort, is kennis, intellectuele bagage.


Deze en andere opvattingen die hij her en der ventileert, hebben er ongetwijfeld toe geleid dat Blokker dit jaar werd benoemd tot Bijzonder Hoogleraar in de Persgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit.

Veertig jaar journalistiek heeft Blokker van inktkoelie tot professor gemaakt, van knecht tot meester, zoals eerder vijftien jaar filmkritieken pennen en decennia scenario’s schrijven resulteerde in het Voorzitterschap van het Productiefonds voor de Nederlandse film.

Toch had hij ooit andere ambities. Na een afgebroken studie Nederlands en Geschiedenis begint hij te schrijven. In 1950 wint hij de Reina Prinsen Geerligs-prijs voor zijn novelle Séjour. Hij publiceert nog een enkel boekje, trouwt en treedt in dienst bij Het Parool. “Vier van de drie jonge auteurs die de Reina Prinsen Geerligs Prijs krijgen (voor schrijvers jonger dan 25 jaar),” schrijft W.F. Hermans in Mandarijnen op zwavelzuur, “kunnen onmiddellijk de grote kranten binnenstappen om koekebakkers te interviewen met een lach en een traan, de (buitenlandse) films te bespreken in het luchtledige, hun eigen mislukking af te reageren op de binnenlandse romans (dat kan toch niemand wat schelen) en de lollige cursieve Zaterdagavondhumor te fabriceren volgens de recepten van de Elsschoten zonder cynisme, de Tsjechoven zonder diaboliek, de Grocken zonden rum, en zij doen het.”

Blokker gaat filmkritieken schrijven, eerst voor Het Parool en vanaf 1954 voor het Algemeen Handelsblad, waarvoor hij ook een cursiefje ontwikkelt. Maar pas echt populair worden zijn columns in de Volkskrant. Het zijn stukjes van zo’n vijfhonderd woorden, waarin ‘grote’ onderwerpen worden behandeld op de wat gemelijke toon van ‘de gewone man’. De stijl is een mengeling van formeel proza en volkse termen, gekruid met de ironie van het tussenwerpsel: ‘Tsja’, en: ‘Zeg dat wel, juffrouw Pieterse’. Het is de stijl van: de hoge heren houden elkaar de hand boven het hoofd, maar de gewone man heeft ze wel in het snotje. Niet zelden haalt Blokker zijn moeder aan als toonbeeld van de nuchtere Nederlander die niets van die mooie praatjes moet hebben. Allemaal suikerspin en luchtballon. Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg.


Hans Vervoort heeft in een bespreking van een van die stukjes-bundels Blokkers aanpak eens treffend geanalyseerd: “Hij begint zijn stukjes met een aardige inval of typering en gaat dan met smaak zijn betoog uitwerken. Maar halverwege komt Blokker meestal in de knoei. Soms is dat omdat het idee maar een paar regels tekst waard was. Vaker omdat hij geen redenering kan opzetten (-). Hij redeneert dan ook niet, maar associeert een eind weg en komt daarbij nogal eens in de open zee terecht. Snel terug naar het vasteland, een uitsmijter-zinnetje en het is weer gepiept: het is toch maar een krantestukje.”

Vaak gemakzuchtig, altijd knorrig.

Blokker omschrijft zichzelf bij herhaling als ‘een echte kaaskop’. Niet voor niets put hij zijn voorbeelden bij voorkeur uit Ot en Sien en de Camera Obscura, dat is Holland op zijn smalst en daar kan Blokker zich zeer in vinden. Zijn stukken wemelen van anachronismen: dorpspomp, marskramer, garen en band, Hermandad, Dik Trom en de bokkewagen. Hij is oer-Hollands in zijn voorkeur en afkeer. In zijn essay Kwaliteit staat er boven (1986) schrijft hij: “Hildebrand vertelt al in 1839 over z’n Amsterdamse neef Robertus Nurks die na een genoeglijke dag in de Haarlemmerhout op de diligence wordt gezet, daar een ogenblik rondkijkt en dan, goed verstaanbaar voor z’n omgeving, uit het raam roept: niet veel zaaks.” En in Afscheid van televisieland (1979) typeert hij zichzelf als ‘een onaangenaam mens in de Haarlemmerhout’. Waarmee Blokker maar gezegd wil hebben: Robertus Nurks, c’est moi. Het ‘niet veel zaaks’ ligt hem in de mond bestorven.

“Mijn maatstaf,” zegt hij in 1983 tegen De Tijd, “heet Jan Blokker.” Zijn opvattingen zijn niet zozeer het resultaat van intellectuele deducties, maar meer het gevolg van lichamelijk ongemak. Hij navigeert op de oprispingen van zijn maag of op de geuren in zijn neus, en die zijn zelden aangenaam. Over NRC Handelsblad: “Stinkt niet genoeg naar krant.” Over film: “Het leuke van film is dat het naar de straat stinkt.” Over zijn voormalige collegae, de Nederlandse filmcritici: “Ze hebben stront in ogen en oren.” In de wereld van Blokker is de gierwagen zojuist langs geweest.


Hij mag zichzelf graag neerzetten als een principieel mens. Zo vertrekt Blokker in 1968 als filmcriticus bij het Algemeen Handelsblad uit protest tegen een geannonceerde, maar nooit gerealiseerde fusie met De Telegraaf. Hij wordt Hoofd Informatieve programma’s bij de VPRO-televisie, waar hij na ruim tien jaar vertrekt om adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant te worden. Na vijf jaar stapt hij op, al blijft hij voor het ochtendblad schrijven, en wordt onder meer voorzitter van het Productiefonds van de Nederlandse film. Op al die keerpunten in zijn loopbaan wordt hij meermaals geïnterviewd. Een dankbaar onderwerp voor een journalist, want hij is nooit te beroerd om stellige uitspraken te doen. Zo verklaart hij in 1983, als hij een half jaar waarnemend voorzitter van het Productiefonds is, tegenover de Haagse Post: “Ook bij het Productiefonds zal ik, als iets passeert, dat naar mijn diepste overtuiging een wanprodukt is, ogenblikkelijk opstappen.”

Om in de jaren daarna geld te geven voor: Brandende liefde, Moord in extase, De prooi, Flesh and Blood, Flodder, De ratelrat, Blonde Dolly, Nitwits, Amsterdamned, Honneponnetje, Jan Rap en z’n maat, Laury Ley, De kassière, De gulle minnaar, De onfatsoenlijke vrouw, De Johnsons.

Datzelfde interview bevat meer van die stellige uitspraken: “Als men mij in de toekomst twee of drie keer vraagt of ik een scenario wil schrijven of ‘ontwikkelen’, dan is het niet ondenkbaar dat ik dat doe. Maar dan moet ik bij dat Productiefonds weg.” Hij had het script voor Eline Vere weliswaar reeds geschreven, maar pas jaren later geeft zijn Productiefonds ook daadwerkelijk subsidie voor de productie ervan. Waarschijnlijk was hij toen vergeten wat hij ook tegen de Haagse Post had gezegd: “Als eens in de zoveel tijd een producent namens mij een beroep zou doen op die Produktiefondspot, dan zou ik onmiddellijk opstappen.”


Blokker wil van twee walletjes eten: hij wil scenario’s schrijven en de filmpot blijven beheren.

Hij is naar eigen zeggen een opportunist: hij doet iets anders dan hij zegt. Als hij iets te verkopen heeft, verschijnt hij glimlachend in tv-programma’s van mensen die hij verafschuwt, zoals onlangs nog voor Op afbetaling in Boek in Waterland, en eerder voor Eline Vere bij Karel (‘die angstaanjagende domkop’) van de Graaf. Tegen Bibeb zei hij ooit: “Ik was hoerig als kind uit een ontzettende behoefte aardig gevonden te worden, erbij te horen.”

Van de journalistiek zoals die hier te lande wordt bedreven, heeft hij geen hoge pet op. En dat laat hij in de loop der jaren de media in alle toonaarden weten. Vorig jaar tegen NRC Handelsblad: “Er wordt te weinig aan great reporting gedaan, dus het aftasten van de omgeving van het nieuws, weg van de persconferentie of het paleis, weg van de woordvoerders.” De verslaggeving uit ‘grotemensenlanden’ mag zich daarentegen in zijn warme belangstelling verheugen. Twee jaar eerder liet hij De Tijd zijn klacht noteren over ‘de geringe hoeveelheid verslaggeverij in de Nederlandse krant. In de Engelse en Amerikaanse is dat veel meer te vinden’. Vijftien jaar daarvoor zei hij al tegen de Haagse Post: “(In Nederlandse kranten staat) bedroevend weinig aan gewone informatie. En goede journalistiek is geen kwestie van geld, ‘t is een kwestie van goed doseren.” Wat hij dit jaar nog eens bevestigde in zijn zaterdagse rubriek ‘Als de dag van gisteren’ met de observatie: “De gedachte dat het verzamelen, optekenen, en verspreiden van feiten wel eens zinvoller, opvoedender en efficiënter zou kunnen zijn dan het verkondigen van meningen, overtuigingen of desnoods illusies, is in Nederland nog heel jong.”


Het klinkt wat vreemd uit de mond van een columnist en criticus, kortom uit de mond van iemand die zich meer om meningen bekommert dan om feiten. Als de ware journalistiek bedreven wordt door de verslaggever, waarom waagt hijzelf zich dan niet op dit terrein?

Op 7 december 1989 drukt het Haarlems Dagblad een redevoering van Jan Blokker af, uitgesproken bij het jubileum van het Stedelijk Gymnasium. De redenaar begint zijn verhandeling met een bekentenis: hij vertelt hoe hij een maand eerder een hele middag, een halve nacht en een hele ochtend met de afstandbediening in z’n hand via alle beschikbare kanalen naar Berlijn keek, waar toen de Muur werd omgehaald. En allengs ‘had ik het gevoel dat ik niet meer naar de werkelijkheid, maar naar een cliché van de werkelijkheid keek, en ik hoorde bij wijze van spreken al het koor aanzwellen van politieke gemeenplaatsen die we in de daaropvolgende weken ook inderdaad bij karrenvrachten over ons heen hebben gekregen’.

De vraag dringt zich op waarom Blokker, gezien de historische aard van de gebeurtenissen en de verwachtingen van alle clichécommentaren, niet spoorslags is afgereisd om ter plekke een staaltje great reporting te bedrijven. Waarom bleef hij aan zijn toestel gekluisterd zitten? Misschien had hij andere verplichtingen, misschien ook zat hij met zijn benen in het gips. Het is mogelijk.

Het voorval roept wel iets anders in herinnering. November 1984 bevindt Jan Blokker zich in de Verenigde Staten om voor de Volkskrant de Amerikaanse verkiezingen te verslaan. Een op het eerste gezicht wat wonderlijke onderneming, want de Volkskrant beschikt op dat moment al over een correspondent ter plekke, Jan van Wieringen. Nog wonderlijker zijn de verslagen. Want wat doet Jan Blokker daar? Hij kijkt televisie! Gelardeerd met een enkele impressie van Times Square bij avond en kerkgang in New England op zondagochtend, beperkt hij zich tot het noteren hoe de omroepen de verkiezingen verslaan. “ABC, CBS en NBC melden vrijwel gelijktijdig dat 29 stemmen naar Reagan zijn gegaan.”


Hoe zou Blokker reageren als de Volkskrant de Nederlandse verkiezingen zou verslaan aan de hand van NOS, RTL 4 en AT5?

De zeldzame reportages die Blokker heeft geschreven, zijn geen schoolvoorbeelden van de door hem bejubelde great reporting; het zijn uitgewalste cursiefjes, rijk aan meningen, arm aan feiten. Zie: Veertien staties van de zevende dag, een reportage uit Israël gepubliceerd in juni 1987. Het staat vol impressies: zwembadgeluiden, toeristen, overpeinzingen van de reporter die voortdurend als ‘ik’ aan het woord is. Naast een enkel gesprekje en een enkel citaatje en veel aandacht voor de verplaatsing van de auteur is het stuk uitsluitend opmerkelijk door een handvol pijnlijke associaties: van de lokale architectuur met die van Albert Speer, van Israëlische militaire onderscheidingen met het IJzeren Führerkruis met eikenloof, van een documentaire met de Wochenschau, van de joodse nederzettingen met de Siegfriedlijn en de Westwall, van een gebouw waarop de davidsster wappert met de Kommandantur, van een Israëlische bewaakster met Brünhilde. Allemaal meningen, geen feiten. Het artikel levert hem nog een klacht op wegens antisemitisme, die niet ontvankelijk wordt verklaard, maar behalve als voorbeeld van hoe het niet moet, lijkt deze reportage voor Blokker in retrospectief ook een traumatische ervaring.

Hij heeft iets met het verleden. Vorige maand stelde hij in zijn boekenrubriek de vraag: “Was Kuyper überhaupt een journalist? Was Savornin Lohman er eentje? Troelstra? Bruins Slot? Romme?”

En hij gaf zelf het antwoord: ze hadden misschien wel ‘een aardige hand van schrijven’. “Maar mij is van geen hunner bekend dat ze ooit een reportage hebben geschreven over een bosbrand achter Putten, of een congres hebben verslagen, of van de conferentie in Lingadjatti een nieuwsbericht hebben gemaakt.”


Van Blokker ook niet. Hij geeft lezingen, dat geliefde medium van de autoriteit en arrivé, toespraken die de krant daags daarna geduldig publiceert. Maar het zijn geen reportages; het heeft niets van doen met het verslaggevershandwerk waar hij zo hoog van opgeeft.

Hij wentelt zich in de romantiek van het vak, zonder te beseffen dat hij alleen maar vastgeklonken zit aan het verleden. Hij gebruikt geen tekstverwerker en heeft een hekel aan de fax, hij schrijft nog, zoals hij niet moe wordt te vermelden, op een typemachine en belt vervolgens zijn stukjes door naar de krant. Het journalistieke equivalent van, zeg, de diligence.

Zo wordt hij ook geobsedeerd door de verzuiling. Aan wie het maar wil horen, legt hij uit dat kranten en omroepen in eerste opzet geen nieuws wilden brengen, maar slechts voor eigen parochie wilden preken. En de gevolgen daarvan zijn merkbaar tot op de dag van vandaag. Maar is dat ook zo? “De grote periode van verzuiling,” verklaarde hij tegenover NRC Handelsblad, “loopt van ongeveer 1870, wanneer in Nederland op klein niveau de massapers begint, tot ruim 1960.” Dat is precies de periode waarmee hij zich bezighoudt: de afgelopen dertig jaar lijken voor hem niet te bestaan. Dat is het Nederland dat hij niet kent, het Nederland van na zijn jeugd en jonge jaren. Dat verklaart ook waarom al zijn scenario’s zich in een ver of nabij verleden afspelen: van Fanfare (al was dat actueel toen hij het schreef) tot Eline Vere, het is al Camera Obscura en Ot en Sien wat de klok slaat.

Blokker laat zich de laatste jaren bij voorkeur fotograferen voor de boekenkast: het rekwisiet van de expert. Soms is de reproductie in krant of tijdschrift zo scherp dat je de rugtitels in de kast kunt lezen. En verdomd, daar staan de boeken die hij in zijn wekelijkse rubriek besproken heeft. Zou hij ze ook echt gelezen hebben? Ik bedoel écht, alle vele honderden pagina’s lang, of zou hij voor de verleiding bezweken zijn om alleen maar te bladeren en hier en daar wat te proeven? Het zijn tenslotte bijna altijd historische werken voorzien van een register, dat uiterst behulpzaam is bij het nemen van een steekproef.


Op 14 december van het vorige jaar besprak hij in zijn rubriek ‘Als de dag van gisteren’ The Impossible H.L. Mencken – A Selection of His Best Newspaper Stories. Toevallig staat dat boek ook bij mij in de kast, dus dat laat zich verifiëren. Blokker begint zijn stukje met een beschrijving van twee foto’s van Mencken, jong en oud: de archetypische journalist achter zijn Underwood. Dan volgt een citaat van Walter Lippmann, een korte schets van Menckens voorkeuren en vooroordelen, een vermelding van Gore Vidals inleiding, begin- en slotalinea van Menckens reportage, Erez Israel, en ter afronding een citaat van Mencken over het journalistieke ambacht. Met dat laatste is iets vreemds aan de hand.

Blokker citeert en vertaalt: “De journalistiek raakt in verval door het verval van de ouderwetse verslaggever. De moderne neiging om de straat af te stropen voor ‘hot news’ heeft huisgehouden onder die oude vaardigheid. De journalist schrijft niet langer wat hij heeft gezien of gehoord, hij belt het door naar een onpersoonlijke, ver verwijderde bureauredacteur, die het prachtig herschrijft, maar die geen idee heeft van wat de verslaggever heeft gevoeld en beleefd. Het aantal reporters dat z’n eigen verhaal optikt, neemt jaarlijks af.”

Maar dat stond er niet. Mencken schreef: “At the moment it is in a low state, mainly due to the decay of the old time reporter, the heart and soul of the American newspapers of the last generation. The current rush to get upon the streets with hot news, even at the cost of printing only half of it, has pretty well destroyed all his old qualities. He no longer writes what he has seen and heard; he telephones it to a remote and impersonal rewrite man. This rewrite man, not infrequently, is a fellow of considerable talent. He knows how to write quickly and clearly; he tries to be as accurate as possible. But it must be manifest that, hanging on his telephone, maybe miles away from the event he is describing, he is completely unable to get into his description any of the vividness of a thing actually seen. He does the best he can, but that best is to the reporting of a fairer era as a mummy is to a man.”


Los van het feit dat Blokkers citeren verwart met parafraseren, maakt hij gewoon een fout. Mencken schreef dat de journalistiek slachtoffer wordt van het gegeven dat men het nieuws steeds sneller op straat wil brengen. En niet die onzin die Blokker ervan maakt, dat ‘de moderne neiging om de straat af te stropen voor “hot news” heeft huisgehouden onder die oude vaardigheid’. Stront in de ogen.

Blokker geeft hier geen portret van Mencken, maar onbewust een zelfportret: verstokte oude journalist, tikt nog op een typemachine en weigert de straat op te gaan op zoek naar nieuws. Alleen, het beeld van de buitenstaander van nature met een principiële hekel aan macht is niet het zelfportret dat Blokker daarin dacht te zien. Hoewel hij bij herhaling ontkent ambitie te hebben of macht te begeren, heeft hij dat laatste wel degelijk. Misschien niet gewild, maar toch gekregen. Hij is:

– bestuurslid van het Filmmuseum;

– bestuurslid van het Holland Festival;

– voorzitter van het Productiefonds;

– bijzonder hoogleraar in de Persgeschiedenis;

– ridder in de Orde van Oranje Nassau.

Dat maakt hem tot een wasechte, onvervalste mandarijn.

Volgens W.F. Hermans is dit het lot van de soort: “Bij feestelijke gelegenheden mag hij optreden in het Ministerie van O., K. en W., waar adjunctcommiezen hem jonassen, referendarissen hem met slagroomtaartjes gooien en de minister zelf hem voor pornograaf uitmaakt. Maar de schande wordt afgewist met een bankbiljet van tien gulden en ‘s anderdaags schrijdt hij weer waardig naar zijn hoge berg, een ridderorde rijker.”

Blokker wil erbij horen en er tegenaan schoppen. Die gespletenheid is weleens eerder geconstateerd, maar niet de precieze aard ervan. Hij schommelt tussen hoerigheid en afstandelijkheid. Wel een lintje opgespeld krijgen, maar zich daarna snel uit de voeten maken. Het establishment belichamen en de nar daarvan willen spelen. Maar dat is volgens zijn eigen strenge moraal niet mogelijk.


“Wie mee wil doen,” hield hij ooit een gehoor van jubilerende journalisten voor, “dient als journalist zijn ontslag te nemen.”

Eind van deze maand wordt hij 65. Tijd om de daad bij het woord te voegen?

Met medewerking van Thomas Ruigrok.

In 2006 ontving Blokker de Machiavelliprijs voor zijn oeuvre als dagbladjournalist, omdat hij ‘de Nederlandse samenleving jarenlang op bewonderenswaardige en waardevolle wijze een spiegel had voorgehouden’. Tegenwoordig schrijft Blokker samen met zijn zoons vaderlandse-geschiedenisboeken en heeft hij een column in nrc.next.

Reageer op artikel:
De zwabbermoraal van Jan Blokker
Sluiten