Overzicht: het opvallendste bijgeloof in de topsport

In je broek plassen, geen seks voor de wedstrijd of juist wel, geen nummer 13 maar nummer 14, een lucky bra, een kruisje op je borst slaan en waterflessen met militaire precisie in een rechte lijn zetten. Bijgeloof en sport zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

De Braziliaanse voetballer Eder Loko is heel bijgelovig, zo konden we afgelopen week in de media lezen. Hij plast voor elke wedstrijd in zijn voetbalbroekje. Dat brengt namelijk geluk. Dat kwam zo: met zijn club Ituano speelde Loko de halve finale van de beker van São Paulo tegen Barueri. Het volkslied werd gespeeld en opeens moest de voetballer van de zenuwen hoognodig plassen. Er was geen tijd meer om naar het toilet te gaan, daarom liet hij de stralen maar stiekem gewoon lopen. Toeval of niet, de Braziliaan maakte 30 seconden later al een doelpunt. Sindsdien doet hij voorafgaand aan de wedstrijd altijd een plasje op het veld. Hij moet wel oppassen voor de camera’s en voor de arbiter: als hij wordt betrapt kan hij zomaar een rode kaart krijgen.


‘Loko’ betekent overigens ‘gek’, hij kreeg die bijnaam niet voor zijn gekke ritueel, maar voor het feit dat hij een cobra die een voetbalwedstrijd verstoorde hard van het veld schopte. En ja, daar zijn beelden van.

Kauwgom & nummer 14
Ook dichterbij huis vinden we in de voetbalwereld bijgelovige trekjes. Natuurlijk bij Johan Cruijff. Voorafgaand aan de wedstrijd vond hij het fijn om zijn kauwgom op de helft van de tegenstander te spugen. Hij vergat het één keer, dat was tijdens de Europa Cup I-finale in 1969 tegen AC Milan en Ajax verloor toen met 4-1. Een ander bijgeloof heeft betrekking op zijn rugnummer. Sinds 30 oktober 1970 speelt Cruijff met nummer 14. Dat ontstond door toeval: na lange afwezigheid door een liesblessure was het shirt van onze voetballer met zijn vaste nummer 9 ingenomen door Gerrie Mühren. Cruijff pakte een reserveshirt met nummer 14 en Ajax wint van PSV. De rest is geschiedenis: nummer 14 werd onlosmakelijk met Cruijff verbonden.

Uit onderzoek blijkt dat 80% van de topsporters (onder wie voetballers, hockeyers en volleyballers) bijgelovige handelingen verricht voorafgaand aan een wedstrijd. De een geeft aan voor de wedstrijd vier pannenkoeken te moeten eten, naar harde muziek te luisteren of heeft een heel patroon zoals Mark van Bommel:

Volgens psycholoog Paul van Lange heeft bijgeloof te maken met onzekerheid: “Sporters kampen voor elke wedstrijd met een fikse dosis onzekerheid, en die wordt alleen maar groter naarmate de tegenstander sterker en de wedstrijd belangrijker is. Vaste rituelen bieden dan houvast, en kunnen dus heel functioneel zijn. Het lijkt me goed als een trainer dat onderkent en die gewoonten respecteert. Dat kan de sportieve prestaties alleen maar ten goede komen.”

Koning van het bijgeloof
De koning van het bijgeloof is met recht Rafael Nadal. Flesjes water die hij gedurende zijn tenniswedstrijd drinkt, ‘moet’ hij in een rechte lijn neerzetten. Toen een van zijn flesjes tijdens de Australian Open omviel, vroeg hij de ballenjongen hem weer recht te zetten. Daarnaast hij heeft nog meer rituelen tijdens de wedstrijd: niet over de lijnen lopen, aan zijn gezicht kriebelen en zijn kleding heel vaak rechttrekken. Kijk zelf maar:

Gaat dat allemaal niet wat ver? Ach, als hij maar wint.

Meer leuke content? Like ons op Facebook