Spring naar de content
bron: Wikimedia Commons

Laat middelbare scholieren ontsnappen uit de Amerikabubbel

In de serie A Handmaid’s Tale gaan de dienstmaagden lopend naar de supermarkt. Ze komen thuis met volle manden losse groenten, brood, en bij hoge uitzondering een stuk vlees van de slager. Ze drinken thee, soms is er wijn. Voor doorsnee Amerikaanse kijkers, niet gewend aan lopend boodschappen doen zonder auto, verslaafd aan kant-en-klaarmaaltijden en frisdrank, zijn het details die laten zien dat Gilead, de dystopische toekomststaat waar de dienstmaagden wonen, anders is.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Joke de Wolf

Voor wie het gemist heeft: de serie speelt in een sombere toekomst waarin de mensheid de meeste natuurlijke grondstoffen van de aarde heeft opgebruikt en zich zelf nog maar met veel moeite kan voortplanten. De gebruikelijke Amerikaanse tegenstellingen en clichés, racisme, geweld, vrouwen- en homohaat zijn allemaal expliciet aan- of juist afwezig, net als de hierboven beschreven stap terug naar de wereld van voor de luie massaconsumptiemaatschappij. Maar daar gaat het me nu niet om. Er is nog iets opvallends, iets dat ik misschien wel het meest beangstigende vind uit de serie, omdat het geen onderwerp is: iedereen spreekt Engels. De wereld buiten het Noord-Amerikaans continent bestaat niet, zelfs de Mexicanen praten tijdens hun bezoek aan Gilead geen Spaans.

Er is nog iets opvallends, iets dat ik misschien wel het meest beangstigende vind uit de serie, omdat het geen onderwerp is: iedereen spreekt Engels.

Het doet me denken aan het kleine beetje medelijden dat ik voel als ik in een buitenland naast Amerikanen of Engelsen kom te staan. Ze moeten altijd op hun woorden letten, de kans dat er iemand in de buurt géén Engels verstaat is nihil. Het spreken van één taal is een beperking en zolang je eigen taal geen wereldtaal is, is het spreken van één vreemde taal bijna net zo sneu. Dat is niet wat Nederlandse kinderen op school wordt verteld. ‘Met Engels kan je overal terecht,’ is het motto. Ja hoor, kijk maar naar die Amerikaanse films over Franse of Duitse onderwerpen. Van Gogh sprak volgens Julian Schnabel Engels met een Nederlands accent, en ik zal niet over tweedewereldoorlogfilms beginnen.

Door dat monopolie op de Engelse taal stort de Nederlander, niet alleen Jan met de pet maar ook intellectuelen en journalisten, zich vol overgave op de Engelstalige wereld. Sinds de Amerikanen hebben ontdekt dat radio zonder reclame heel prettig is, moeten Nederlanders opeens naar Amerikaanse podcasts luisteren. Daarnaast is het lezen van de New York Review of Books vanzelfsprekend, wordt The New Yorker achteloos samen met het Times Literary Supplement in de linnen tas geschoven. Amerikaanse en Engelse schrijvers en kunstenaars worden binnengehaald als Nederlandse sterren.

Je moet ze haast wel vergeven dat het ze soms ontgaat dat in landen een stuk dichterbij dan de Amerikaanse oostkust ook politieke discussies gevoerd worden, kunst wordt gemaakt en beschreven. Dat mensen daar ook boeken schrijven en tijdschriften en kranten hebben waarin die boeken worden besproken. Landen die niet gefrustreerd zijn door een idioot aan het roer, gebrek aan sociale zekerheid en extreme ongelijkheid, waar niet de helft van de bevolking al dan niet noodgedwongen leeft op een dieet van frisdrank en fast food. Onze buurlanden. Want er is één probleempje: ze spreken daar niet graag Engels. En Frans of Duits, dat spreekt de jongere Nederlander niet.

De laatste Nederlandse scholieren van vóór de Mammoetwet, de babyboomers, zijn net of bijna met pensioen. In het oude systeem deed men van mulo tot gymnasium eindexamen in Nederlands, Engels, Duits en Frans. Niet dat iedereen daarmee een intellectueel gesprek kon voeren of zoiets basaals doen als een hotelkamer reserveren, maar de basiskennis was er. En daarmee het begrip dat je met die kennis meer begreep van de landen en de mensen die naast ons woonden. Toen ik afstudeerde met laatste lichting ouderwets atheneum, net voor de Tweede Fase, kreeg je in de eerste klassen nog verplicht Frans en Duits, pas in de laatste twee of drie klassen kon je die laten vallen. Genoeg basis om later op verder te gaan.

De docenten van nu – die dus in het meest gunstige geval zo’n zelfde atheneum of havo hebben gedaan als ik – zijn nu aan het sleutelen aan het vreemde-taalonderwijs van de toekomst. Het Amsterdamse Duitsland-Instituut trok afgelopen week aan de bel : het lijkt erop dat Duits en Frans op dezelfde hoop komen als Spaans, Russisch, Chinees, Turks, Arabisch en andere moderne vreemde talen. Waardoor de kans groot wordt dat, als een school geen leraar Duits kan vinden (niet ondenkbaar), er geen Duits, maar alleen Russisch of Chinees te kiezen is.

Duitsland is meer dan het land tussen ons en Berlijn. Het is een groot land, alleen de provincie Noordrijn-Westfalen heeft al even veel inwoners als Nederland. Ze hebben er prachtige musea, interessante kunstenaars, inhoudelijk stevige boekenprogramma’s en discussieprogramma’s op tv. En al ben ik nooit zo’n fan van economische argumenten, het schijnt de belangrijkste handelspartner te zijn van heel Europa.

Ik woonde, studeerde en werkte er bijna drie jaar, alhoewel ik Duits op de middelbare school zo snel mogelijk had laten vallen. Mijn hekel aan de naamvallen is niet verdwenen, ik werd dol op de woorden daartussen. Die openden een wereld vol kranten met dagelijkse bijlages over kunst en cultuur, lange dossiers over actuele thema’s, nationaal en internationaal. En daarmee een ander perspectief op de wereld.

Met de grammatica van mijn schoolfrans redde ik het mijn eerste weken van het jaar Frankrijk na mijn eindexamen, met moeite. Nederlanders kunnen geen genoeg krijgen van het mopperen op die eigenwijze arrogante Fransen die weigeren Engels te praten. Maar waarom zouden die ook? Fransen worden, zo merkte ik tijdens mijn latere studie en onderzoek daar, getraind en gewaardeerd op hun welsprekendheid, hun vermogen hun gedachten om te zetten in woorden. In de eerste plaats zijn dat Franse woorden, en iedereen die de moeite neemt die taal te spreken, kan zo deelnemen aan het debat. Frankrijk is misschien niet meer het centrum van de wereld, maar met de koloniale banden met grote delen van Afrika, Canada én een historisch sterke band met de communistische landen overal ter wereld is het nog steeds een wereldtaal. En dat zie je terug in de kranten, in de tijdschriften, in de boekwinkels en in de kunst.

Beeldende kunst heeft het grote voordeel, net als (instrumentale) muziek, dat er geen harde taalbarrière is. Een beeldhouwer uit Zaïre kan zijn beelden in principe zo in een Nederlands museum tonen. Maar als die beelden gaan over een persoonlijke geschiedenis, of over een historisch gegeven, is het uitermate handig als je ook een beetje Frans kunt, om op z’n minst de grote lijnen van die achtergrond niet alleen van de Engelstalige Wikipedia te moeten halen. Of dat je, zoals een Amsterdams fotomuseum doet, de titels van de foto’s van de Franse fotograaf niet in het Engels hoeft te noteren.

Engels hoort en kent het Nederlandse kind al vanaf de wieg. Dankzij popmuziek, sociale media, series en films met ondertiteling is het niveau al heel aardig zonder enige hulp van een docent. Engels is de internationale taal van de wetenschap. Handig voor conferenties en voor de toelichting op wiskundige of chemische formules. Maar zodra je de geschiedenis van Zuid-Amerika wilt bestuderen en beschrijven, of de filosofie van Heidegger of Kant wilt onderzoeken, kom je er niet zonder kennis van die taal. Laat daarom niet Engels de verplichte vreemde taal zijn, maar geef scholieren de keuze tussen Duits en Frans. Dát zijn onze directe buurlanden, daar wonen de mensen met wie we het meest te maken hebben, daar zit de bredere kennis over de wereld. Dat Engels komt wel. Zodat we over twintig jaar nog een gewoon gesprek met onze buren kunnen voeren zonder daarvoor de taal van een overzees land te moeten gebruiken dat zich daarvoor hoogstwaarschijnlijk in een politieke of economische afgrond heeft gestort.

Onderwerpen