Spring naar de content

Politiek overleven met Rutte: ‘Ik kan geen herinnering faken’

De Kamer sprak opnieuw met premier Mark Rutte over de Nederlandse aanval op een IS-bommenfabriek. Daarbij vielen naar schatting 70 burgerdoden. Wat wist de premier daarvan? Zijn geheugen liet hem vrijwel permanent in de steek. Ton F. van Dijk, die ijverig meepende tijdens het debat, signaleert een politieke overlevingsstrategie.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Ton F. van Dijk

Rutte: “Vanavond is verder al een paar keer de minister van Defensie geciteerd over wat zij zich herinnert. Haar herinnering is dat zij mij in juni 2015 vermoedelijk mondeling heeft geïnformeerd. Daar staat bij dat ik daar geen herinnering aan heb. Ik zeg er ook bij dat ik daarmee ook niet kan uitsluiten dat het gebeurd is. Maar ik heb er gewoon geen herinnering aan dat ze dat gedaan heeft.”

“Ik heb dus geen herinnering, en ik kan die nu natuurlijk ook niet oproepen, aan dat gesprek waarvan Hennis zegt in die reconstructie van Defensie dat ze mij vermoedelijk heeft geïnformeerd. Dat is gewoon hoe het is.”

“Ik zeg u hier dat ik geen herinnering heb aan informatie in die maand, ook niet van mevrouw Hennis. Zij zegt: ik heb vermoedelijk ook Rutte geïnformeerd. Die herinnering heb ik niet. Uiteindelijk is het ook een vertrouwenskwestie of u daarin gelooft. Ik kan de heer Baudet daar niet toe dwingen. Ik kijk hem recht aan; dat is hoe het zit. Ik heb daar geen herinnering aan.”Mark Rutte

“Als ik u hier zeg, als minister-president van Nederland: ik heb er geen herinnering aan dat ik op dat moment ben geïnformeerd door mevrouw Hennis; ik sluit het ook niet uit en ik kan dat niet uitsluiten — ik heb geen contra-indicatie — maar ik heb er nul herinnering aan.”

“Ik heb er geen enkele herinnering aan dat ik in de maand juni 2015 vanuit de SMO of door mevrouw Hennis geinformeerd ben. Ik kan niet garanderen dat het niet gebeurd is; ik heb er nul herinnering aan. Dat is wat ik u zeg.”

“Ik heb geen herinnering aan het geïnformeerd zijn op enigerlei wijze in de maand juni 2015. Daar kan ik niets mooiers van maken en daar kan ik niets aan toevoegen. Zo is het.”

“Ik zeg net dat ik geen herinnering heb aan informatie in die maand of die maanden over mogelijke burgerslachtoffers door een Nederlandse inzet in Irak. Die herinnering heb ik niet.”

“Ik kan geen herinnering faken die ik niet heb.”

“Ik heb er geen herinnering aan dat ik in die maand of in die maanden geïnformeerd ben. Op geen enkele manier heb ik daar een herinnering aan. Dat is de waarheid. Ik moet hier de waarheid vertellen.”

“In de brief staat hoe zij dat desgevraagd heeft uitgelegd aan Defensie en hoe ze dat gezegd heeft tegen Koenders en vermoedelijk ook tegen mij. Ik heb daar geen herinnering aan. Maar wat zou ik hier moeten toedekken? Helemaal niets.”

“Maar nogmaals, ik weet dat simpelweg niet, noch uit dat SMO-verslag, noch via de vermoedelijke mededeling van Jeanine Hennis aan mij die ik mij gewoon niet herinner.”

“Als mij gevraagd wordt of ik daar herinneringen aan heb, ga ik niet liegen. Dan is mijn antwoord: daar heb ik geen herinneringen aan. Als het wel gebeurd was, was dat helemaal geen probleem.”

“Ik had ook anderszins geïnformeerd kunnen zijn in juni 2015. Daarop is mijn eerlijke antwoord dat ik daar geen herinnering aan heb.” 

“De vraag is vervolgens alleen of ik er in juni van wist. Mijn eerlijke antwoord is: ik heb er geen herinnering aan. Als je kijkt naar dat SMO, is dat mogelijk ook verklaarbaar. Jeanine Hennis zegt: ik heb hem vermoedelijk wel geïnformeerd. Weet je, dat zou kunnen. Ik heb er geen herinnering aan, maar ik kan het ook niet uitsluiten.”

“Mij wordt nu opnieuw verweten dat ik iets vergeten ben. Dat zou kunnen, maar er is geen zekerheid. Er is hier sprake van een vermoeden van informeren.”