Jan Driessen was een van de beste televisieverslaggevers van zijn tijd. Ik kan het weten want hij was mijn directe collega. Hij heeft gelijk als hij in HP/De Tijd stelt dat de hedendaagse journalistiek wordt meegezogen in de ophef-machine van sociale media. De rel verdringt de inhoud, de schreeuw wint van de nuance en zelfs het NOS Journaal opent met het vertrek van een Kamerlid in plaats van de presentatie van een nieuw kabinet. Dat is geen nostalgie, dat is observatie. Maar zijn oplossing – dat journalisten voortaan moeten normeren – is precies de verkeerde. In plaats van de chaos te bestrijden, maakt normering de journalistiek nog partijdiger, nog onbetrouwbaarder en nog minder geloofwaardig.
Driessen erkent zelf dat normeren “spannend en zelfs eng” is. Hij illustreert dat in een interview met journalist Wilfred Scholten met het potloodvoorbeeld: wat voor de een links is, is voor de ander rechts. Alles hangt af van perspectief. En toch volhardt de oud-verslaggever in zijn pleidooi voor de normerende journalist. Want het gaat in het nieuws te vaak om “rabiate nonsens” en “aantoonbare idioterie”.
Maar wie bepaalt dat?
Neem zijn eigen voorbeelden. Wilders’ oneliners moeten vaker genegeerd worden, want het is “meestal onzin”. En Forum voor Democratie krijgt bij voorkeur geen podium meer, want dat normaliseert extremisme – zoals de ombudsvrouw van de Volkskrant bepleit.
Maar waarom gelden die normen niet voor de andere kant?
Journalisten moeten terug naar het strenge ideaal: feiten zo zuiver mogelijk brengen, context geven zonder morele lading en transparant zijn over hun eigen frames, die onvermijdelijk zijn.
Waarom wordt er niet net zo hard genormeerd als een D66-politicus klimaatdoelen tot heilig doel verklaart terwijl de energieprijzen exploderen? Of als linkse activisten oproepen tot “decoloniseren” van universiteiten en daarbij historische feiten negeren? Of als media jarenlang massamigratie als puur economisch voordeel presenteerden, terwijl de demografische en culturele gevolgen in achterstandswijken allang zichtbaar waren?
Misschien wel het beste voorbeeld: hoe reageerden ‘normerende’ media à la Driessen destijds op opkomst van Pim Fortuyn? En hoe kijkt men daar twintig jaar later naar? Op z’n minst veel genuanceerder, omdat we inmiddels de context veel beter begrijpen. En dat leidt in het heden tot een aangepast moreel oordeel over de vanwege zijn standpunten vermoorde politicus.
Opvattingen die inmiddels gemeengoed zijn geworden in het politieke midden waar zelfs D66 tijdens de verkiezingscampagne pleitte voor strenger asielbeleid. Het bracht deze partij – met als politiek symbool de Nederlandse driekleur op de achtergrond – terug in het centrum van de macht.
Zodra je van journalistiek eist dat ze niet alleen feiten en context geeft, maar ook moreel-normatief oordeelt (“dit kan gewoon niet”), wordt de meetlat onvermijdelijk politiek. En op de Nederlandse nieuwsredacties – overwegend hoogopgeleid, stedelijk en links-liberaal – valt dit oordeel bijna altijd hetzelfde uit. Het gevolg is niet het door Driessen gewenste ‘moreel kompas’, maar een filter dat precies past bij de eigen bubbel.
De klassieke journalistiek die Driessen zo roemt, werkte juist andersom. Waarheidsvinding, context en selectie zonder morele vingerwijzing. De lezer of kijker mocht zelf oordelen. Dat was niet zwak, dat was volwassen. Het gaf ruimte aan verschillende perspectieven. Nu dreigt – als Driessen zijn zin krijgt – een model waarin de journalist de rol van morele voogd opeist.
Dat is geen professionalisering, dat is paternalisme. En het werkt averechts. Vertrouwen in de media is al decennia aan het kelderen. Peilingen laten keer op keer zien dat een meerderheid van de Nederlanders de journalistiek een bias toedicht. Normeren maakt dat alleen maar erger.
Driessen waarschuwt voor normalisering van extremisme. Terecht. Maar de grootste normalisering van de afgelopen vijftien jaar is niet alleen het werk van Wilders of Bosma. Het is ook het werk van media die jarenlang vanuit juist “normering” kritiek op migratie afdeden als “racisme”, die klimaatactivisme als morele plicht presenteerden terwijl de kosten voor burgers buiten beeld bleven, en die protesten van boeren als “witte woede” of zelfs “klompenfascisme” afschilderden.
Door selectief te normeren creëer je precies de tegenreactie die je wilt voorkomen: mensen die het gevoel krijgen dat de waarheid alleen nog buiten de mainstream te vinden is.
De oplossing ligt niet in meer normering, maar in minder. Journalisten moeten terug naar het strenge ideaal: feiten zo zuiver mogelijk brengen, context geven zonder morele lading en transparant zijn over hun eigen frames, die onvermijdelijk zijn.
Dat vraagt om politiek-ideologische diversiteit op de redacties – iets wat nu te vaak ontbreekt. Het vraagt om hoofdredacteuren die durven te zeggen: “Dit is een feit, dit is een mening, en dit is ons frame. Kies zelf.”
En het vraagt vooral om nederigheid: de journalist is geen morele autoriteit, maar een doorgeefluik van de werkelijkheid. Als we dat niet doen, wordt het publieke debat inderdaad een kakofonie. Maar niet omdat we te weinig normeren. Juist omdat we te veel normeren, en altijd in dezelfde richting. Driessen wil een kompas. Prima. Maar een kompas dat één kant op wijst, leidt naar de afgrond, omdat een grote groep burgers stelselmatig buitenspel wordt gezet.
De journalistiek redt zichzelf niet door zich op te werpen als morele politie. Ze redt zichzelf door weer bescheiden te worden. Door te erkennen dat de waarheid zelden in één kamp ligt. En door de burger als volwassene te behandelen.






