“Meneer De Rooij, wanneer hoorde u dat meneer Rasmussen fan was van de Zangeres zonder Naam, zeg maar gerust: in de Zangeres zonder Naam was?” “Dat hoorde ik pas halverwege de Tour de France van 2007.” “Niet eerder?” “Daar kan ik mij niets van herinneren.” “En dat hij een hekel had aan het nummer ‘Mexico’”? Dat hij helemaal niet in ‘Mexico’ was, en er ook nooit in geweest was.” “Die geruchten heb ik toen opgevangen, ja. En toen heb ik ook onmiddellijk actie ondernomen. Zo iemand kan ik niet in mijn ploeg handhaven.”
“Meneer Van Heeswijk, kent u het nummer ‘Mexico’?” “Van wie?” “U kent het niet?” “Nou ja, ik denk dat iedereen in de ploeg dat nummer wel kende.” “U ook?” “Uiteindelijk ik ook, ja. Maar ik moet wel zeggen dat het me verbaasde.” “Wist u dat meneer Rasmussen volstrekt niet in ‘Mexico’ was, in tegenstelling tot wat hij meneer Breukink verteld had?” “Ja, daar maakten we binnen de ploeg ook grapjes over. Hij was niet in ‘Mexico’ en er ook nooit geweest. Is dat geen liedje van Van Dik Hout trouwens? Weet je wie ook van dik hout planken zaagt? Lance. Zo’n kerel, Lance.”“Meneer Breukink, wanneer hoorde u dat Meneer Rasmussen niet werkelijk in ‘Mexico’ was?” “Dat moet halverwege de Tour zijn geweest.” “Niet eerder?” “Daar kan ik mij niets van herinneren.” “Meneer Rasmussen beweert dat hij daar altijd heel open over is geweest. Iedereen binnen de ploeg wist het.” “Ja, maar niemand was in ‘Mexico’ in die tijd. Het was ‘Mandolinen in Nicosia’ voor en ‘Mandolinen in Nicosia’ na. Ik als ploegleider dacht daar natuurlijk het mijne van.” “Dus u geeft toe dat u wist dat niemand van uw ploeg in ‘Mexico’ was, ook meneer Rasmussen niet?” “Nou ja, goed, er waren aanwijzingen voor.” “En heeft u toen geen actie ondernomen.” “Nee, natuurlijk niet. Het was tenslotte een cadeautje en Rasmussen was onze beste renner.”“Meneer Breukink, heeft u meneer Rasmussen ooit aangesproken op zijn hearabouts?” “Is dat mijn verantwoordelijkheid? Het zijn toch volwassen mensen?” “Hebt u meneer Rasmussen erop aangesproken, ja of nee?” “Ja.” “Waar.” “Dat was aan de Costa del Sol. Tingeling.”“Meneer Rasmussen, zou u nog nieuwe getuigen willen oproepen?” “Ik zou Thomas Dekker wel willen oproepen. Hij was ook niet in ‘Mexico’.” “Wat was het lievelingslied van meneer Dekker?” “Ik zou er niets op durven innemen – dat zult u mij sowieso niet gauw zien doen – maar ik dacht dat dat ‘Wiener Blut’ was, van Johan Strauss.’‘En wat zou u van de heer Breukink willen horen?” “Dat hij erkent dat hij wist dat ik niet in ‘Mexico’ was.” “Zou hij ‘Mexico’ moeten terugnemen?” “Dat zou hem sieren.” “En zou u dan een nieuw cadeau van hem accepteren?” “Ik heb wel een ideetje, ja.”——— Volg HP/De Tijd ook op Twitter en Facebook.Rasmussen, de Zangeres zonder Naam en het verhoor
“Heeft u die CD overgedaan aan een van uw renners?” “Is dat verboden? Ik heb ooit van een tante een CD van haar gekregen. Dat ding stond daar maar in mijn CD-kast, mensen die op bezoek waren vroegen: wat doet die CD daar? Het was gewoon sociale zelfmoord om hem nog langer in mijn kast te laten staan.” “Wist de renner in kwestie dat de CD in werkelijkheid een gedateerd cadeau van uw tante betrof?” “Dat kan ik mij zo een twee drie niet herinneren. Maar het is nooit een geheim geweest of zo, ik weet gewoon niet of ik het er destijds bij gezegd heb. Het plasticje zat er in elk geval nog om.”






