Toch is ze met haar hoofd ook bij haar gezin. “Ben ik er met Sinterklaas?”, herhaalt ze onze vraag licht geschrokken. Een enkele seconde blijft het stil. “Uit m’n hoofd moet ik 8 december weer in New York zijn. Maar ik ga wel iets met mijn kinderen doen hoor”, vervolgt ze vastberaden.
En dat symboliseert hoe Houben overkomt. Als een vrouw die in control is. Ze geeft rustig en afgewogen antwoord en weet goed wat ze wel en niet zegt. Zoals wanneer we haar vragen of ze het lastig vind dat het in het buitenland toch vaak gaat over Rem Koolhaas in plaats van over Francine Houben. Veel woorden wil ze er niet aan vuil maken.
Liever praat ze gepassioneerd over haar werk. Over hoe het vak van een architect soms gezien wordt als een losse schakel, maar waar Houben het aanvliegt als een teamplayer. “Als architect werk je niet alleen, daar zijn een heleboel andere partijen bij betrokken. Je doet een project samen. Zo zit ik momenteel in Washington en heb hier veel vergaderingen en besprekingen voor de bibliotheek. ’s Avonds werk ik alles uit zodat ze er de dag erna verder aan kunnen werken op ons kantoor in Nederland.Iedereen kijkt mee Haar andere project waarvoor ze in de VS is, de New York Public Library, is een landmark met een bijzondere betekenis voor New Yorkers. En dus zijn er vele ogen gericht op de renovatie van het monumentale pand. Maar of er een bepaalde vorm van stress aanwezig is? “Wij zijn vaker met belangrijke gebouwen van een stad of land omgegaan.
Zo werken we aan het belangrijkste culturele gebouw in Taiwan, we werkten aan de bibliotheek in Birmingham. In Nederland hebben we de bibliotheek van de TU Delft ontworpen. Allemaal projecten waarvan je weet dat de hele stad of het hele land meekijkt.”“Dat geldt ook voor mijn huidige project, de bibliotheek in Washington. Het is een gebouw van Ludwig Mies van de Rohe; dat is van enorm grote betekenis. Ik hou van avonturen, ik ben er niet bang voor.”Werkwijze Als we vragen hoe ze zo’n groot en belangrijk project als de New York Public Library aanpakt, neemt ze ons mee in haar werkproces. “Ik vind het combineren tussen oud en nieuw heel leuk. Wij zitten zelf in een oud pand in Delft, aan de Oude Delft. Het is een gebouw dat continue van functie is veranderd. Door het aan te passen, kan je er mee spelen; er is bijvoorbeeld nog steeds veel ruimtelijkheid.”“Ik kijk naar zaken als: wat zijn de kwaliteiten van een gebouw? Wat is de sequentie van ruimtes, hoe moet de lichtinval zijn? Dat zijn belangrijke vragen.
Ook observeer ik veel. Ik loop rond en kijk hoe de ruimte gebruikt wordt. Soms bestaat mijn werk uit het terugdraaien van eerdere aanpassingen.”Analytisch en intuïtief “Het is een puzzel waarbij ik spar met mijn medewerkers. Zij leveren een belangrijke bijdrage aan het proces. Ik leg onderzoeksvragen bij ze neer: zijn er oude tekeningen waar we uit kunnen putten, of hoe functioneert het gebouw in de cultuurgeschiedenis? Mijn manier van werken bestaat uit die combinatie; analytisch en intuïtief.”Reflectie “Ik ben iemand met een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Bij elk project dat we gedaan hebben, kijken we terug om voor de volgende keer te weten: wat kan er anders, wat kan er beter?”Die reflectie heeft een positieve invloed op haar werk. Volgens de jury van de Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs kenmerken de gebouwen van Houben zich door een combinatie van esthetiek, vriendelijkheid en gastvrijheid. Ook zet ze de mens centraal en sluit ze aan bij de lokale cultuur.Innovatiefonds bibliotheken Het geldbedrag verbonden aan de Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs stopt Houben in een innovatiefonds voor bibliotheken. “De bibliotheek is van onschatbare waarde in onze moderne samenleving. Mensen zien het vaak als stoffige gebouw vol boeken, maar dat is niet juist. Het is een plek voor life long learning, waar mensen samen komen en bijvoorbeeld de taal kunnen leren. Een echte melting pot.”“Ik ben blij en dankbaar dat ik deze prijs in ontvangst mag nemen”, zegt Houben. Op de vraag of ze iemand voor ogen heeft die ze bewondert en die de prijs na haar moet winnen, wil ze eigenlijk geen antwoord geven. “Laat dat maar over aan de jury”, besluit ze bescheiden.






