Krap twee maanden geleden schreef ik hier op deze plek een stukje over een jeugdheld van mij, Chris Cornell. Op 52-jarige leeftijd overleed Cornell. Ik beschreef de rol die hij speelde in mijn onzekere tienerbestaan, de overslaande discmans en de kleding die we droegen.En gisteravond laat zou ik hetzelfde kunnen doen. Nog zo’n talent, nog zo’n strot van ontelbare karaten goud die mij en vele anderen keer op keer wegblies verliet onze wereld. Chester Bennington, de zanger van Linkin Park, was de man die we als pubertjes wilden zijn. We tekenden met stift vlammen op onze magere onderarmpjes omdat hij dat ook had. De videoclip van In the End was het coolste wat er op MTV te zien was, en we worstelden ons door uren van Britney Spears en ‘N’ Sync om dit meesterwerk vooral niet te moeten missen.
Maar dat is alles wat jullie dit keer krijgen aan clichématige nostalgie.Ik ben sprakeloos, lamgeslagen maar er moet mij vooral iets anders van het hart. Cornell, Robin Williams en nu dus Bennington zijn allemaal slachtoffers van een en hetzelfde grote taboe in onze samenleving: depressie. De zogenoemde ‘black dog’ kent geen genade en het is geen toeval dat artistiek begaafde personen hier vaker slachtoffer van worden. Een link tussen creatief talent en vatbaarheid voor depressies is in diverse wetenschappelijke studies gelegd. Maar niet alleen artiesten lijden aan depressies. Depressie is overal, maar het wordt nog angstwekkend vaak onder het tapijt geschoven.Dat taboe is allereerst terug te zien in de berichtgeving rond de dood van Chester Bennington. Termen als: ‘beroofde zichzelf van het leven’, ‘pleegde zelfmoord’, of ‘maakte er een eind aan’ suggereren dat de dood van Bennington een keuze was. Zelfmoord, het woord alleen al klinkt als een regelrecht vergrijp. Om nog maar te zwijgen over de details rond zijn overlijden die vervolgens naar buiten gebracht worden.






