BOEKEN
“Op dit moment herlees ik Siegfried van Harry Mulisch, over de fictieve zoon van Adolf Hitler en Eva Braun, want ik hoop en bid dat dit mijn volgende film wordt. Het vreemde is dat ik het boek, toen het in 2001 verscheen, al na het eerste hoofdstuk heb weggelegd. Ik vond het allemaal ijdeltuiterij. Nu herlees ik het en vind ik het een prachtig boek. Harry Mulisch wordt beter naar mate hij langer dood is. Hij is als het ware is vervaagd – en dat komt het boek in dit geval ten goede. De boeken die ik nu lees staan allemaal in dienst van deze film. Wat ik een heel fascinerend boek vind is Hitler in Pasewalk: Die Hypnose und ihre Folgen van Bernhard Horstmann. Ken je het verhaal van Hitler die na de Eerste Wereldoorlog een shell shock had en waarmee hij naar een psychiater die hem met hypnose behandelde om daarvan af te komen? Die arts beschrijft dat Adolf Hitler een stotterend en in zichzelf gekropen mannetje was, behalve als hij onder hypnose was. Dan viel de onzekerheid weg en praatte hij zonder haperingen. Op een dag bleef hij weg en kwam niet meer terug. Jaren later hoort die arts op de radio een stem en denkt: ‘Die stem herken ik!’, maar slaat er verder geen acht op. Hitler was immers maar een paar keer geweest en had daarna niets meer van zich laten horen. Weer veel later ziet die arts in een nieuwsbulletin in de bioscoop van wie die stem is. ‘Verrek, dat is hem’, denkt hij, ‘en hij is nog steeds onder hypnose!’ Vind je dat niet bizar?”
“Mijn vrouw zei laatst: ‘Waarom koop je toch steeds boeken? Ga ze dan ook eens lezen!’ Ik antwoordde: ‘Daar heb ik de tijd nu nog niet voor, maar als ik straks oud ben dan ga ik dat doen.’ Ik ben van plan om honderdtwintig te worden. Nee, maar zonder dollen: ik heb nog steeds het vreemde gevoel dat het leven nog moet beginnen. En dat meen ik echt. Ik ben zo benieuwd wat er allemaal nog gaat komen, terwijl ik langzamerhand toch wel op een punt ben beland waarop je the end of the road wel kan herkennen. Als ik eerlijk ben, merk ik dat ik nog nooit zo vaak over de finish – het woord ‘dood’ komt niet over mijn lippen – heb nagedacht. De tijd van revanche wordt steeds korter. En dat beangstigd me, want elke film die ik heb gemaakt was een revanche op de vorige. Het kan en moet altijd beter. Als ik boeken lees, zoals Joe Speedboot van Tommy Wieringa, dan denk ik: daar zit een film in! Daar moet misschien eerst nog wat tijd overheen. Net als bij Het leven is vurrukkulluk – waarvoor we in 1962 al een filmscript hadden. Ik heb alleen niet nog een keer vijfenvijftig jaar de tijd.”
Beeldende kunst
“We hebben hier in de woonkamer een wand met schilderijen van mensen die we lief hebben. Daar hangt een schilderij van Jan Cremer, daaronder een stilleven van Klaas Gubbels en daarnaast hangt iets van Mark Brusse. Alle drie zaten ze eind jaren vijftig bij elkaar in de klas op de kunstacademie in Arnhem, waar ik in dezelfde tijd op de toneelschool zat. Links hangt een portret van Paul Citroen. Dat was een vriend van mijn vader. Ze kenden elkaar uit Berlijn. Ik heb ook nog een heel dierbare pentekening die hij ooit van mijn vader heeft gemaakt, een van de weinige afbeeldingen die ik van hem heb. Rechtsonder hangt Alex van Warmerdam. Hij kan schrijven én regisseren en maakt ook nog eens geweldige schilderijen. Ik bewonder hem zeer. En daarnaast een tekening van Peter van Straaten. Die missen we nog steeds. Ik kan niet zeggen dat ik weleens ontroerd ben geraakt door een schilderij. Daarvoor is het te statisch. Bij een film huil ik vrij snel. Maar bij een schilderij voel ik de tranen niet echt komen. Zelfs niet als ik voor het Joodse bruidje sta, haha.”
“Ik heb een verlangen om niets te missen in het leven. Ik lees drie kranten per dag en ga niet naar bed voordat ik De Wereld Draait Door, RTL Late Night en Jinek heb gezien. Het lullige is alleen dat ik wel om twee uur naar bed ga om programma’s te kijken waarvan ik de volgende dag alweer ben vergeten waarover het ging, maar dat ik nog steeds niet ben gaan kijken in het verbouwde Rijksmuseum.”
“Verder kom ik met vrij grote regelmaat in het museum. Een paar weken geleden was ik in het Joods Historisch Museum waar tot en met maart een tentoonstelling over Charlotte Salomon te zien is. Ik heb in 1981 een film over haar gemaakt: Charlotte. Die heb ik gemaakt nadat Hans Rooduijn, de man bij wie ik ondergedoken heb gezeten in de oorlog, mij belde en zei: ‘Frans, ik heb De Inbreker gezien, goede film hoor, maar als je nu niet als de sodemieter naar De Waag toe gaat waar vandaag voor het laatst een tentoonstelling over Charlotte Salomon te zien is, dan wil ik nooit meer iets met je te maken hebben.’ Toen ben ik meteen gegaan en anderhalf uur later door een suppoost naar buiten gesleept omdat ze gingen sluiten. Na het zien van één gouache wist ik al genoeg: dit wordt een film. De nieuwe tentoonstelling is heel uitvoerig. Ik zou zo graag eens een dag in mijn eentje door dat museum lopen om alles eens rustig te kunnen bekijken.”
Muziek
“Mijn laatst aangeschafte album? Siegfried luister ik nu van Richard Wagner. Het gaat steeds weer… Ik voel me net een zwangere vrouw die niet meer langs een kinderwinkel kan lopen zonder te denken: oeh, moet ik dit of dat misschien nog hebben? Alles staat in het teken van die nieuwe film. Mijn laatst bezochte concert had ook met film te maken. Voor Het leven is vurrukkulluk hebben we De Vijfde van Mahler opgenomen in het Concertgebouw. En verder? Ik hou van David Kweksilber Big Band, die ook de muziek voor Het leven is vurrukkulluk heeft gespeeld. Voor het eerst gebruik ik geen piano of violen, terwijl ik in Italië van componisten leerde dat de viool de ziel raakt en de piano de hersenen, maar het koper raakt de oren. En dat moet vaak wijken voor de dialogen. Ook ben ik een absolute fan van Sven Ratzke en ga ook weleens naar de opera… Weet je, niets heeft meer prioriteit dan zelf iets maken en de wereld een millimeter mooier achterlaten dan hij was. Het komt misschien door het feit dat ik me overal voor verstop: voor wat er met mijn vader is gebeurd, wat er met mijn moeder is gebeurd, wat er met mijn hele familie is gebeurd. Ik laat het niet toe. Ik wil alleen maar vooruit. Dat is ook de reden waarom ik niet meer naar begrafenissen ga. Ik ben al twee keer op de intensive care beland omdat ik zo moest huilen… Niet eens om de overledene, maar om alles wat ik nog moet verwerken. Ik houd alle deuren dicht. Uit zelfbescherming. Als ik nu zou horen dat mijn vader daar op de gracht loopt en ik hem als ik snel naar buiten zou rennen nog zou kunnen zien… Ik zou, denk ik, gewoon met je door blijven praten.”
Theater
“Toneel staat voor mij boven film: het is de oerbron, de moeder van het verhalen vertellen. Volgens mij was het Amos Oz die zei dat het vertellen van verhalen een strategie is om als mens te overleven. Of het nu in een grot bij een vuurtje is of in een bioscoopzaal: het vertellen van verhalen staat aan de basis van de mensheid. Mijn vader heeft mij… Ik heb drie jaar van mijn vader mogen genieten. (Zijn vader, de acteur Géza Weisz, niet te verwarren met zijn zoon, werd in 1944 vermoord in Auschwitz – red.) Ik herinner mij nu nog dat ik ernaar verlangde om door hem naar bed gebracht te worden omdat hij me dan verhaaltjes ging vertellen. Hij had een ledikant voor me gemaakt die hij had beschilderd met allemaal dieren en sprookjesfiguren. En daar ging hij dan over vertellen. Een paar jaar geleden hoorde ik dat mijn ouders dat ledikant, terwijl ze ondergedoken zaten, nog nagestuurd hebben naar Limburg, waar ik ondergedoken zat. Dat ontroerde me zeer. Ik vraag me nog steeds af hoe ze dat ding verstuurd kunnen hebben.”
“Film is voor mij zoals gezegd nog steeds het lelijke zusje van het mooie meisje dat ik niet kon krijgen: omdat ik van de toneelschool werd gestuurd, werd ik maar regisseur. Ik ben dan ook veel vaker in de schouwburg te vinden dan in de bioscoopzaal, omdat toneel veel puurder is dan film. Fiddler on the Roof met Thomas Acda vond ik ook erg goed. Ik dacht dat ik hem al eens gezien had, met Lex Goudsmid in de rol van Tevje, maar dat heb ik mezelf kennelijk wijsgemaakt. Revolutionairy Road van het Ro Theater vond ik ook prachtig. Jacob Derwig was subliem. Bij mij is het vaak zo dat ik, als ik een acteur goed vind, het stuk eigenlijk ook al goed vindt. Het was ook een heel herkenbaar stuk. Ze zijn trouw gebleven aan het beroemde verhaal. Waar ik wel echt moeite mee had, was de voorstelling Achter het Huis – een door Ilja Leonard Pfeijffer geschreven bewerking van het dagboek van Anne Frank. Dat had te maken met het verhaal. Er werd, vond ik, een verkeerd beeld geschetst van Anne Frank. Niet dat ik naar het theater ging om de Heilige Anne te zien, maar ik had… Het klopte gewoon niet. Ik kan het niet uitleggen. Voor een deel ben ik het kwijt en voor een deel weet ik niet waardoor ik er niet door werd meegenomen.”
Film
“La Strada van Federico Fellini was de eerste film die ik zag nadat ik van de toneelschool was gestuurd en toen dacht ik: ‘o, wacht eens even, ik kan ook aan de andere kant van de camera gaan staan!’ La Ronde van Max Ophüls is ook zo’n film. Het begin van die film heb ik zo vaak proberen te imiteren… In mijn herinnering zie je Gérard Philippe door een lege studio lopen. Hij neemt je mee naar Wenen. In die studio zie je dan een achtergrond van die stad langzaam donker worden, de lichtjes gaan aan, en dan staat hij ineens op een pleintje en ontmoet daar een vrouw. Het is toneel op film. Les Enfants du Paradis van Marcel Carné heb ik ook altijd onthouden. Bij het kijken van die film, ik zag hem voor de derde of vierde keer, ben ik eens aangerand. Ik zat als enige in de zaal toen er ineens een man met een leren jasje naast me kwam zitten. Opeens voelde ik een hand op mijn knie. En ik was te beleefd om er iets van te zeggen of om weg te lopen, maar ik heb die film daarna nooit meer willen zien.”
“Ik ben een werkezel die hoopt dat hij op een dag een wonder zal meemaken en een film aflevert waar hij helemaal tevreden over is – maar de kans daarop is uitermate klein. Ik bid ook, voor de katholieke god en de joodse god, dat me dat een keer in de schoot wordt geworpen. Dat is tot nu toe nog niet gelukt. Dat is misschien ook wel goed, omdat ik blijf vechten om het te bereiken. Orson Welles zei eens dat de Oscar die hij als 26-jarige kreeg voor Citizen Kane het ergste was wat hem ooit was overkomen. Zijn hele leven werd hij met zijn eerste film geconfronteerd. Mike van Diem kreeg aan het begin van zijn carrière een Oscar voor Karakter. Dat lijkt mij verschrikkelijk voor hem. Fons Rademakers kreeg zijn Oscar gelukkig pas aan het eind van zijn carrière. Ik had destijds de filmrechten voor De Aanslag ook kunnen krijgen, maar ik zei tegen de producent: ‘Ik wil De Aanslag dolgraag maken, maar ik zie net zo lief iemand anders erover uitglijden.’ Een boek waarvan het tweede hoofdstuk begint met: ‘De rest is naspel.’ Wat moet je daar nu mee? Rademakers won er een Oscar mee, maar toch heb ik gelijk gekregen. Als die Oscar er namelijk niet was geweest, was het een middelmatige film geweest.”
“De laatste film die ik heb gezien is The Square van Ruben Östlund. Ik vond het prachtig, met name die scène waarin een man als een losgeslagen gorilla door een chique eetzaal banjert. Daar kan ik zo fucking jaloers op worden… Bij die scène moest ik trouwens meteen denken aan Donald Trump. Ik hoop nog steeds dat hij op 20 januari zegt: ‘Jongens, luister eens, ik ben nu een jaar president geweest, maar het was een grote grap. Ik heb het bewijs willen leveren dat elke gek met een beetje geld president kan worden van dit land. En dat is me gelukt.’ En ik zweer het je: hij krijgt alle eer die geen koning ooit heeft gehad. En als het geen grap blijkt te zijn dan vind ik het heel erg dat zo iemand het zo ver schopt. Het kan niet waar zijn dat ik op dit moment Benito Mussolini en met enige argwaan zelfs Adolf Hitler nog boven Donald Trump zet omdat ik hem echt niet meer kan volgen. Adolf Hitler heeft, en ik zeg dit weer met enige argwaan, nog wel iets van menselijke trekken. Die eiste bijvoorbeeld dat het gordijn dicht bleef als hij langs gebombardeerde steden reed. Donald Trump heeft niets menselijks. Ik kan het althans niet in hem ontdekken. Ik sta bijna te popelen om een film te maken waarin ik hem psychisch uitkleedt. Een soort Siegfried, maar dan over hem.”






