Geachte minister Letschert,
Na de verheerlijking van Hitler op de publieke omroep lijkt de verwijdering van Ongehoord Nederland onafwendbaar. Herhaalde tekortkomingen, toezichtmaatregelen en het publieke debat daarover hebben de positie van de omroep vergaand uitgehold. Wie doet alsof dat niet zo is, negeert de werkelijkheid.
Maar het schrappen van één omstreden omroep lost het onderliggende probleem niet op. Integendeel: het maakt zichtbaar dat een veel fundamentelere discussie niet langer kan worden ontlopen. De kwestie-ON! legt het échte probleem van Hilversum bloot. U kunt Ongehoord Nederland uit het publieke bestel verwijderen, maar u kunt de Nederlanders die zich door de publieke omroep niet vertegenwoordigd voelen niet uit de samenleving verwijderen.
Daar ligt de kern. Het geheel van de huidige omroepen vormt steeds minder een afspiegeling van het land dat hen bekostigt. Als dat wordt erkend, kan het vertrek van Ongehoord Nederland niet zonder gevolgen blijven voor het omroepmodel zelf. De publieke omroep ontleent zijn bestaansrecht immers aan pluriformiteit. Niet aan bestuurlijke rust of onderlinge herkenning in Hilversum, maar aan de vraag of hij als geheel nog herkenbaar is als uitdrukking van de samenleving waarvoor hij bedoeld is.
De overblijvende omroepen bereiken bepaalde delen van Nederland goed en andere nauwelijks. Ondertussen lopen de belangrijkste maatschappelijke scheidslijnen allang niet meer langs de oude omroepzuilen. Discussies over migratie, soevereiniteit, klimaatbeleid, identiteit, instituties en vertrouwen in de media hebben nieuwe politieke en culturele tegenstellingen gecreëerd. De organisatie van het bestel berust echter nog altijd op de fictie dat de maatschappelijke werkelijkheid samenvalt met de historische structuren waarop het ooit is gebouwd. Dat is steeds moeilijker te verdedigen.
Het geheel van de huidige omroepen vormt steeds minder een afspiegeling van het land dat hen bekostigt.
Ongehoord Nederland was, met al zijn tekortkomingen, óók een poging om een groep Nederlanders die zich tot dan toe onvoldoende gehoord voelde een herkenbare plaats te geven. Juist daarom is de kwestie-ON! ingrijpender dan een oordeel over het functioneren van één omroep. Niet omdat ON! vrij van gebreken zou zijn. Integendeel. Maar omdat het publieke domein na zijn verdwijning maatschappelijk nog smaller dreigt te worden. Wat resteert, is mogelijk een groep omroepen die onderling gemakkelijker samenwerkt, maar gezamenlijk steeds minder op Nederland lijkt. Dan dreigt pluriformiteit niet langer een wezenlijk kenmerk te zijn, maar een historisch begrip waaraan nog slechts lippendienst wordt bewezen.
Dat is de dominosteen.
Als ON! valt, valt ook een belangrijk argument onder het bestaande stelsel weg: de gedachte dat de publieke omroep in zijn huidige organisatorische vorm nog een redelijke afspiegeling van de samenleving vormt. Wat dan overblijft, is een verzameling organisaties met een lange geschiedenis, ledenbestanden, merken, instituties en onderlinge machtsverhoudingen. Zij kunnen uitstekende journalistiek en waardevolle programma’s maken. Maar kwaliteit alleen is nog geen representatie.
Representatie kan evenmin worden vervangen door interpretatie: wij maken ook programma’s voor die mensen en bepalen wat voor hen relevant is. Een werkelijk pluriform bestel moet de maatschappelijke verdeeldheid niet alleen beschrijven, maar haar ook binnen zijn eigen structuur kunnen verdragen, juist wanneer dat schuurt. Daarom kan een serieuze stelselherziening uiteindelijk niet om de positie van de omroepverenigingen zelf heen. Niet uit rancune, maar uit consequentie.
Een bestel dat niet langer overtuigend pluriform is, wordt niet toekomstbestendig door één dissonant te verwijderen en de overige organisaties vervolgens ongemoeid te laten. Dan moet ook de organisatievorm ter discussie komen: minder verenigingen die primair hun eigen achterban en institutionele positie bewaken, minder onderlinge blokvorming, een helderder publieke opdracht, scherper toezicht en een inrichting waarin nieuwe maatschappelijke stromingen niet eerst een private vereniging met een omvangrijk ledenbestand hoeven op te bouwen om publiek gehoord te kunnen worden.
Een werkelijk pluriform bestel moet de maatschappelijke verdeeldheid niet alleen beschrijven, maar haar ook binnen zijn eigen structuur kunnen verdragen, juist wanneer dat schuurt.
Kwaliteit blijft daarbij een harde voorwaarde. Feitelijkheid, een duidelijke scheiding tussen nieuws en opinie, bestuurlijke integriteit en naleving van wet- en regelgeving moeten voor iedereen gelden. Die normen kunnen ingrijpen bij afzonderlijke omroepen rechtvaardigen. Maar zij rechtvaardigen niet automatisch het voortbestaan van een structuur die maatschappelijk achterhaald is geraakt. Wie uitsluitend ON! verwijdert, beschermt uiteindelijk vooral de bestaande inrichting. Niet noodzakelijkerwijs de pluriformiteit van de publieke omroep, en daarmee evenmin de verscheidenheid van de samenleving die hij behoort te dienen.
Ik geef u daarom in overweging de volle consequentie van een besluit over Ongehoord Nederland onder ogen te zien. Als ON! verdwijnt terwijl de rest ongewijzigd blijft, is de publieke omroep de dag erna minder van Nederland. Dat kan niet de uitkomst zijn. Wie de noodzaak van hervorming werkelijk serieus neemt, moet daarom erkennen dat een besluit over Ongehoord Nederland tegelijk het begin moet zijn van het einde van het huidige omroepbestel.
Met vriendelijke groet,
Ton F. van Dijk, oud-medewerker van de publieke omroep en oud-Omroepman van het Jaar






