Media

Roddelpraat: hoeveel lelijkheid moet een vrije samenleving verdragen?

De vrijheid van meningsuiting is geen luxe voor keurige mensen. Zij bewijst haar waarde juist wanneer woorden grof, smakeloos of ronduit walgelijk zijn. De vervolging van Jan Roos en Dennis Schouten van Roddelpraat wegens beledigende opmerkingen over twee vrouwen is daarom meer dan een rel rond een roddelprogramma. Het is een test, zo stelt Ton F. van Dijk: hoeveel ruimte willen we laten aan uitingen die we verafschuwen?

27/09 | 2026
door Ton F. van Dijk
Leestijd 2 min
ZWOLLE - Jan Roos en Dennis Schouten (l-r) arriveren bij de rechtbank Zwolle. Roos en Schouten van het Youtube-programma Roddelpraat moeten voor de rechter verschijnen voor de belediging van de buurman van Schouten. ANP VINCENT JANNINK
foto: anp

Roos en Schouten maakten in oktober 2024 denigrerende opmerkingen over het uiterlijk en de hygiëne van twee vrouwen. Ze werden onder meer met olifanten vergeleken en “vadsig” en “lelijk” genoemd. Dat is plat, persoonlijk en vernederend.

Wie dat afdoet als onschuldige humor, maakt het zich wel erg gemakkelijk. Publieke vernedering kan hard aankomen. De woede en gekwetstheid van de vrouwen zijn begrijpelijk, en dat zij daartegen in actie kwamen ook. Maar daarmee is nog niet gezegd dat het strafrecht de juiste reactie is.

Roddelpraat is geen parlementaire rubriek, geen wetenschappelijk debat en geen serieuze journalistieke analyse. Het is een programma dat bewust leeft van provocatie, roddel, overdrijving en slechte smaak. Kijkers weten ongeveer wat ze krijgen. Dat maakt de uitspraken niet beter. Het maakt ze alleen niet automatisch tot een zaak voor de staat.

Een vrije samenleving beschikt over veel manieren om grove taal te beantwoorden. Mensen kunnen een programma mijden, adverteerders kunnen afhaken, kijkers kunnen zich afkeren, media kunnen de makers bekritiseren en de slachtoffers kunnen publiekelijk terugslaan. Verbale lelijkheid hoeft niet zonder gevolgen te blijven. Maar er is een belangrijk verschil tussen maatschappelijke afkeuring en strafrechtelijke vervolging.

Het Openbaar Ministerie plaatst de uitspraken mede in een bredere discussie over verbale agressie tegen vrouwen en een maatschappelijk klimaat waarin ernstiger vormen van intimidatie of geweld kunnen gedijen. Dat klinkt op het eerste gezicht begrijpelijk. Woorden doen ertoe. Ze kunnen vernederen, normaliseren en een sfeer verharden.

Woorden doen ertoe. Ze kunnen vernederen, normaliseren en een sfeer verharden.

Maar wanneer grove taal niet meer alleen wordt beoordeeld op wat er concreet is gezegd, maar op de mogelijke bijdrage aan een veel groter maatschappelijk probleem, wordt de grens snel minder duidelijk. Dan komt al gauw de vraag op welke taal nog wel mag, welke spot te grof is en welke belediging als maatschappelijk schadelijk wordt gezien.

Waar eindigt dan de grove grap en begint de verboden vernedering? Waar ligt de grens bij satire, cabaret, columns of sociale media? Wanneer is iets alleen smakeloos en wanneer wordt het een zaak voor justitie? Dat zijn geen theoretische vragen. Juist bij vrije meningsuiting draait alles om die grens.

Vrijheid van meningsuiting is namelijk niet bedoeld als bescherming voor keurige, verstandige en sympathieke uitspraken. Die hebben zelden bescherming nodig. De echte proef begint bij taal die grof is, beledigt en weerstand oproept.

Dat betekent niet dat alles moet kunnen. Bedreiging, intimidatie en gerichte oproepen tot geweld zijn iets anders dan belediging of spot. Maar als we ieder hard of vernederend woord gaan bekijken door de bril van maatschappelijke veiligheid, ontstaat het risico dat de staat steeds meer ruimte krijgt om te bepalen welke toon nog aanvaardbaar is.

Roos en Schouten hoeven daarbij niet tot helden van de vrije meningsuiting te worden verheven. Hun stijl is plat, persoonlijk en in dit geval ronduit vrouwonvriendelijk. Dat oordeel mag hard worden uitgesproken. Ook de betrokken vrouwen hoeven hun gekwetstheid niet te relativeren. Maar een vrije samenleving moet twee gedachten tegelijk kunnen vasthouden: iets kan verwerpelijk zijn zonder dat het verboden hoeft te zijn. Dat onderscheid is essentieel.

De beste reactie op verwerpelijke woorden blijft vaak nog altijd meer woorden: harde kritiek, publieke afwijzing en scherp weerwoord.

De vraag is dus niet of de uitspraken van Roddelpraat smaakvol waren. Dat waren ze niet. De vraag is ook niet of de vrouwen zich terecht gekwetst voelden. Dat is goed voorstelbaar. De echte vraag is of de overheid bij dit soort uitingen het strafrecht moet inzetten. Daar ligt de principiële grens.

Want zodra de staat zich steeds nadrukkelijker gaat bemoeien met grove spot, belediging en slechte smaak, verandert ook de verhouding tussen burger en overheid. Dan is de vrijheid van meningsuiting niet langer vooral een ruimte waarin mensen elkaar mogen tegenspreken, maar steeds meer een terrein waarop de overheid bepaalt wanneer woorden te ver gaan.

Dat is geen ontwikkeling die lichtvaardig moet worden omarmd. Een volwassen democratie moet tegen een stootje kunnen. Ze moet ruimte laten voor scherpe kritiek, slechte humor, overdrijving en soms zelfs voor taal die we liever niet horen.

De beste reactie op verwerpelijke woorden blijft vaak nog altijd meer woorden: harde kritiek, publieke afwijzing en scherp weerwoord.

Niet iedere walgelijke uitspraak verdient bescherming tegen kritiek. Maar ook niet iedere walgelijke uitspraak verdient een strafzaak. Precies daar wordt duidelijk hoeveel vrijheid we werkelijk verdragen.