Verbluft mailde ik hem over deze tweede samenloop van omstandigheden. Hij mailde terug: ‘Wat denk je, tijd voor een ontmoeting bij een kop koffie?’ En zo zitten we op een warme meidag op het terras van zijn verbouwde hoeve in Zeeland.
We wisselen medische ervaringen uit en vergelijken onze processen. Beiden zeilden we door woelige baren en dobberen we nu in rustiger vaarwater, nogal vermoeid en hopend dat nieuwe stormen lang wegblijven. Zijn animo heeft er niet onder geleden, het mijne evenmin. Zo’n carcinoom, bespiegelen we, zou je neerslachtig kunnen maken, maar als het er in het leven op aankomt, heb je geen tijd voor de blues en raap je al je vitaliteit bij elkaar. Somberheid is kennelijk een luxeartikel.
Het is heel plezierig, zo’n opgewekt gesprek met een lotgenoot. Meestal pakken contacten tussen lotgenoten anders uit. Ik heb een afkeer gekregen van sites waar patiënten hun tranen te drogen hangen en zich wentelen in hun misère. Of neem het speciale zwemclubje waar ik eens een proefuur meedraaide. Daar boden ze al in de kleedkamer tegen elkaar op wie er het naarst aan toe was. Eens maar nooit meer.
Nee, dan liever dit terrasgesprek in Zeeland. Ik vraag Paul de Nooijer nog wat hij dacht van de kop boven het interview dat ik gelezen had: Pauls laatste kunstje, een verwijzing naar een film in wording. Hij kan er om grinniken. “Wat mij betreft, komt er daarna nóg een en nóg een.”






