Na Klinikum Traumstein Heliomare. Revalideren. Of: een puzzel leggen van honderdduizend stukjes van een blauwe lucht, en niet weten of alle stukjes in de doos wel bij die puzzel horen. Je bent een patiënt nu, een slachtoffer. Je oogt anders. Je oogt als een schaatser met een lastige blessure. Iedere oefening een training, iedere stap een stap vooruit. Revalidatie als topsport. Eerst leer je rechtop zitten. Lukt. Dan lopen. Lukt, zij het moeizaam. Met stangen aan weerszijden zet je je eerste stapjes. Een baby van begin dertig. Soms lijk je een dronkaard die zich aan de leuning van de gracht vasthoudt op weg naar huis. Doet er niet toe: je bent onderweg. Iedere stap een stap vooruit. Zonder stangen nu, met verzwaarde laarzen. De filmpjes zet je online. Ze zeggen: doorgaan, niet opgeven. Alsof je dat van plan was. Alsof dat überhaupt een mogelijkheid was. En terwijl je vooruitgaat, dringt het besef door dat het te traag gaat. Dat je een ex-schaatser geworden bent.
Dan: een nieuwbouwwijk in Heerhugowaard. Hier wonen je ouders, en jij nu ook weer. Een jongenskamer voor een volwassen man. Je gaat vooruit, maar blijft nog altijd hulpbehoevend. Je komt mensen tegen. Mensen uit het schaatsen, mensen van vroeger, vreemden. Ieder gesprek stopt bij dezelfde haltes. Hoe het gaat. Of je het volhoudt. Wat de vooruitzichten zijn. Enzovoort. Tien, honderd, vijfhonderd keer. Niets dan vriendelijkheid, allemaal goedbedoeld. ‘Ja, gaat wel goed hoor.’ De eerste keer dat je weer naar Thialf gaat, komen de zenuwen. En ze komen met velen. Je wordt analist. Grijs en roerloos ligt de hemel boven jou en de Afsluitdijk. Op de stadionparkeerplaats pak je je rolstoel uit de achterbak. Zo meteen ga je hier zo rollend naar binnen. Even later, bij de races, zit je vooraan. Achter een hek. Wanneer Sven Kramer je ziet, daar, breekt er een lach door op zijn soms zo harde gezicht. ‘Chrissie!’ roept hij. Later zullen ze je vragen of je het leuk vond om weer deel uit te maken van die wereld. Je zult dan een lange stilte laten vallen, alvorens schoorvoetend te bekennen dat je andere dingen nu misschien wel iets leuker vindt.
Je doet denken aan Remco Campert. Die leest, in een documentaire over zijn leven waar de schemering langzaam maar zeker begint in te vallen, een beroemd gedicht voor van eigen hand. In dat gedicht, ‘Poëzie is een daad’, is de taal de motor, de onzichtbare hand die de dichter voort duwt, ‘aarzelend soms’. De eerste strofen gaan als volgt:Poëzie is een daad van bevestiging. Ik bevestig dat ik leef, dat ik niet alleen leef.Poëzie is een toekomst, denken aan volgende week, aan een ander land, aan jou als je oud bent.Poëzie is mijn adem, beweegt mijn voeten, aarzelend soms, over de aarde die daarom vraagt.Voltaire had pokken, maar genas zichzelf door o.a. te drinken 120 liter limonade: dat is poëzie.Vul voor ‘poëzie’ trouwens gerust wat anders in. Schaatsen. Lopen. Beter worden. Wat jij wil.Klik op onderstaande afbeelding om de documentaire Vallen en opgestaan terug te zien.


