De onzinnige promopraat van Herman Koch

Met de literaire boekenverkoop gaat het vandaag niet bijster goed, en dus proberen auteurs op, euh, ‘creatieve’ manieren de aandacht van de lezer te trekken. Ze heten A.H. Dautzenberg en verzinnen het verhaal dat ze een nier hebben afgestaan, of ze heten Kristien Hemmerechts en schrijven een roman over de ex-vrouw van Marc Dutroux.

Of: ze luisteren naar de naam Herman Koch en verkondigen bij het verschijnen van hun nieuwe boek dat ‘mensen met een beetje persoonlijkheid geen leraar worden’.

Ik moet daar meteen aan toevoegen dat Koch eigenlijk niet past in het rijtje van de auteurs die ik zonet heb opgenoemd: de man is inmiddels zo succesvol dat hij geen controverse nodig heeft. Juist daarom verbaasde het me dat hij zich zaterdag in een interview in De Morgen liet verleiden tot kortzichtige uitspraken over leraren.

Is Koch bang dat zijn nieuwe roman Geachte heer M., over de bejaarde schrijver ‘M.’ die ooit een bestseller had over de moord op een geschiedenisleraar, het niet zo goed zal doen als Het diner en Zomerhuis met zwembad, en wil hij daarom bij de promotie de aandacht trekken door zomaar tegen wat schenen te schoppen? Ik denk van niet, want met meer dan een miljoen verkochte boeken hoeft Koch nergens bang voor te zijn.
Heeft Koch dan tijdens het interview met De Morgen zomaar iets gezegd waar hij inmiddels spijt van heeft?
Nee, want tijdens de uitzending van Reyers Laat van eergisteren herhaalde hij zijn uitspraak: wie een beetje persoonlijkheid heeft, wordt geen leraar, en zijn ervaring is dat de leukste en beste leraren het minst geschikt waren om leraar te zijn. Zij staan volgens hem in schril contrast met de gemiddelde leraar. “Die neemt zichzelf veel te serieus en dramt maar door over wat niemand interesseert, en laat zich voorstaan op een autoriteit die hij in wezen niet bezit.” Koch had aan bijna al zijn leraren een hekel, en houdt nog het meest van een man ‘die weleens kon zeggen: “Vandaag doen wij een beetje rustig aan, want gisteren heb ik een hoeveelheid drank achterover geslagen waar een paard van zou zijn omgevallen”, maar die daarnaast heel enthousiast kon vertellen en een echte persoonlijkheid was.’

Nou, stoer is dat, dat je volgens Koch pas in aanmerking komt om een ‘persoonlijkheid’ te worden genoemd als je kan zuipen als een paard – maar helemaal verwondert die redenering me niet, want er zijn ook mensen die een andere Nederlandse schrijver onlangs een held hebben genoemd omdat hij in staat is op één dag een fles absint en twintig biertjes achterover te slaan en die dat trots omschrijft als ‘talent voor drinken’.

Koch had een hekel aan zijn middelbare schooltijd en extrapoleert zijn eigen ervaring dus maar meteen naar het hele onderwijs. Ik ben, voor de duidelijkheid, zelf geen leraar, maar toch wil ik de verdediging van de leraren op mij nemen, omdat onzin nu eenmaal bestreden moet worden.

Ten eerste is de uitspraak van Koch zo generaliserend dat je het woord leraar gemakkelijk kan vervangen door veel andere beroepsgroepen. Schrijver, bijvoorbeeld: “De gemiddelde schrijver neemt zichzelf veel te serieus en dramt maar door over wat niemand interesseert, en laat zich voorstaan op een autoriteit die hij in wezen niet bezit.”

Ten tweede heb ik van de leraren die me zijn bijgebleven nooit de indruk gehad dat ze er, zoals Koch beweert, eigenlijk helemaal niet geschikt voor waren. Integendeel: ze gaven met zoveel passie les dat ik me niet eens kon voorstellen dat ze iets anders zouden doen. Een voorbeeld is mijn lerares Frans van de vijfde en zesde klas middelbare school, die mij zo kon begeesteren voor de taal van Molière dat ik zelfs ging twijfelen of ik in plaats van Engels niet liever Frans zou gaan studeren. Toen de dame met pensioen ging, bleef ze bijlessen geven aan leerlingen – niet voor het geld, maar omdat ze het zo graag deed.

Ten derde geloof ik dat, zelfs als je minder passioneel voor de klas staat dan mijn lerares Frans, je persoonlijkheid moet hebben om elke dag voor een bende pubers te verschijnen van wie de meesten veel liever andere dingen zouden doen dan een hele dag in de schoolbanken zitten.

En tot slot herinner ik me één leerkracht die af en toe kon zuipen als een paard, maar daar zo zichtbaar de gevolgen van droeg dat ik nooit respect voor hem had, en hem er nooit van heb verdacht enige persoonlijkheid te hebben.

Het diner en Zomerhuis met zwembad waren romans die ik heb verslonden, en Koch verdient alleen al voor die twee boeken alle succes, lof en status die hem toevallen. Ik kijk er nu al naar uit om Geachte heer M. te lezen, en moge het boek veel lezers bekoren – maar dat had het beslist ook gedaan zonder een promopraatje waarin alle leraren over een en dezelfde kam worden geschoren.