Biograaf Wim Hazeu: ‘Ik wil niet choqueren, maar ik mag ook niets verzwijgen’

Hij schreef veelgeprezen biografieën over Gerrit Achterberg, Jan Slauerhoff, Maurits Escher, Simon Vestdijk en Marten Toonder. Vier jaar deed Wim Hazeu (77) research naar de dichter en schilder Lucebert en legt momenteel de laatste hand aan deze biografie. “Hij heeft me pijn gedaan, maar ik kan er nog niet over praten.” 

De bibliotheek en werkplek van Wim Hazeu bevindt zich in de garage – een voormalige fabriek voor juwelenkistjes – achter zijn huis in Baarn. Op de planken staan Nederlandse, Duitse en Engelse literatuur op alfabet geordend. Het volledige oeuvre van Vestdijk en Slauerhoff neemt drie boekenplanken in beslag. Aan de muur hangt een striptekening van Heer Bommel en Tom Poes en er hangen tekeningen van Lucebert. Uit de boekenkast pakt hij de biografie van Rimbaud van de Ierse schrijfster Enid Starkie. “Ik ben in de ban geraakt van de biografie door dat boek,” vertelt Hazeu. “Toen ik het las wist ik, dit ga ik doen. Dat werk is mijn voorbeeld gebleven.”

Wat maakte die biografie van Rimbaud zo aansprekend?
“Het boek gaat uit van het leven wat de kunstenaar leidde en pas gaandeweg wordt zijn werk erbij gehaald. Je hebt ook biografen die uitgaan van het werk van de kunstenaar en zoeken naar wat daarvan herkenbaar is in zijn leven. Men gaat de ik-figuur in het literaire werk bijna gelijkstellen aan de schrijver. Dat vind ik onjuist. De schrijver componeert een hoofdfiguur en dat hoeft niet altijd de schrijver zelf te zijn. Integendeel. De hoofdpersonen van Hermans zijn heus afsplitsingen van hem, maar je kunt niet zeggen dat Hermans en zijn romanfiguur Osewoudt een en dezelfde persoon zijn. Ik begin mijn biografieën nooit met een inhoudsanalyse van het werk en heb nooit een beeld van de man die ik ga beschrijven.”

Is het onderwerp van een biografie altijd uw eigen keuze? 
“Ja. Het gaat bij mij altijd om bewondering voor het werk. Alleen voor Toonder ben ik gevraagd. Interessant, want de stripwereld kende ik niet. Ik ben daar zo van onder de indruk geraakt dat ik misschien de volgende biografie weer aan een striptekenaar zal wijden. En dat zal dan Hans G. Kresse zijn, de tekenaar van onder andere Eric de Noorman.”

Hoe begint u aan zo’n project?
“Ik koop altijd een stapel schriftjes op de Boulevard Saint-Michel in Parijs. Het eerste wat ik doe is het invullen van jaartallen op de lege bladzijden. Van geboorte tot overlijden. Vervolgens ga ik researchen en worden de pagina’s langzaam gevuld met gegevens. Voor ik aan een biografie ga schrijven, zijn die schriftjes meestal vol.”

Schrijver Wim Hazeu overhandigt het eerste exemplaar van de biografie van Nederlands dichter Gerrit Achterberg, aan diens zus Bep van der Laar-Achterberg. Bron: ANP

Uw boeken bevatten altijd lange lijsten met geïnterviewden. 
Ja, ik spreek familie, vrienden en andere ooggetuigen. Nooit de persoon zelf, want ik schrijf alleen biografieën over mensen die dood zijn. Anders is het geen levensverhaal. De dood speelt toch wel een rol in het leven van de mens. Ik moet getuigen zien te vinden uit het leven van de kunstenaar. Ze worden door mij uitgebreid geïnterviewd. Vervolgens probeer ik bewaard gebleven documenten weg te slepen: ‘Meneer, hebt u nog brieven van Vestdijk?’ Die kopieer en bewaar ik hier in de ladekasten. Maar alles begint natuurlijk bij de familie. Als de erven problemen maken en de archieven sluiten, dan begin ik er niet eens aan.”

Dat klinkt hard.
“Dat is inderdaad hard, maar ik heb keuze te over. Er zijn duizenden kunstenaars. Ik kan kiezen wie ik wil. Maar als mevrouw Vestdijk had gezegd dat ze niet mee wilde werken, dan had ik dat boek niet geschreven.”

Hoe probeert u twijfelende familieleden over de streep te trekken?
”’Gerrit heeft het niet gewild’, reageerde mevrouw Achterberg, toen ik haar vroeg of ik over haar man mocht schrijven. Ik zei: ‘Gerrit heeft het wel gewild.’ Hoe ik dat wist? Gerrit las graag biografieën. En ik denk dat hij het prettig had gevonden als over hem een goede biografie zou verschijnen. Als ik hem bij de hemelpoort tegenkom – ze was erg christelijk – dan zou Gerrit zeggen: ‘Je hebt je best gedaan, ik ben er blij mee.’ Door zo’n emotioneel verhaal en onder het genot van een kommetje soep ging ze zowaar overstag.”

“Een biografie houdt het werk van de schrijver langer in leven,” vertelt Hazeu. “Je krijgt er misschien nieuwe kopers en geïnteresseerden bij. Het is een kwestie van vertrouwen en dat moet je zien te winnen. Zoiets is niet na een uur, of zelfs na een dag beklonken. Als je niet empatisch bent en niet met mensen om kunt gaan kan je het vergeten. Dan wordt het moeilijk om de familie mee te krijgen.”

De beroemde dichter J. Slauerhoff zei: ‘Elke biografie is een mengsel van waarheid en verdichting’. Wat bedoelde hij daarmee?
“Een leven bestaat uit 365 dagen keer 24 uur per levensjaar. En zelfs als het een kort leven is, zoals bij Slauerhoff, kan je onmogelijk elk moment beschrijven. Er zijn periodes in zijn leven die niet gedocumenteerd zijn en die moet je toch proberen in te vullen. Daarvoor doe je een beroep op je inlevingsvermogen. Ik kan Slauerhoff op een bepaald moment geïrriteerd noemen, zonder dat ik er bronnen bij heb. Dat is vorm van persoonlijke interpretatie van de biograaf. Als je realistisch zou schrijven, zonder je fantasie in te schakelen, krijg je een inventarisatie van feiten. Dergelijke biografieën heb je ook, maar ze zijn onleesbaar als je het mij vraagt.”

In uw verantwoording van Slauerhoff, een biografie schreef u het uw bedoeling was zo min mogelijk te interpreteren, wat volgens u al een interpretatie is.
“Ik laat dingen weg en maak een selectie. Dat is een keuze, een interpretatie. Ik hou ook niet van al die stromingen binnen het genre. Er zijn biografen die zich uitleveren aan een soort freudiaanse interpretatie. Je schakelt jezelf daar enorm mee uit. Het avontuur dat je aangaat met je onderwerp is persoonlijk en steeds weer anders. Ik heb ook ballast. Ik denk niet dat ik mijn calvinistische erfenis ooit volledig kwijtraak. Maar ik laat me niet beïnvloeden door krachten van buitenaf. Ik kan helemaal niet tegen biografen die Freud te hulp roepen.”

“Ik laat het liefst mijn onderwerp aan het woord. En hoe laat je die aan het woord? Door brieven. Dat zijn de beste bronnen voor de biograaf. Als ik een brief krijg, schrijf ik onmiddellijk terug. In een spontaan antwoord is de briefschrijver op zijn eerlijkst te vinden. Bij een dagboek kan er rekening mee gehouden zijn, dat een biograaf ooit de zielenroerselen zal lezen. Interviews met nabestaanden of kennissen kunnen niet altijd met feiten geboekstaafd worden. Het geheugen, dat soms niet goed meer is, gaat een rol spelen. Bij onzekerheid kan ik citeren, tenzij ik drie bronnen heb gevonden, die het verhaal ondersteunen. Dan is het voor mij een feit geworden.”

Hoe ziet een werkdag er voor u uit?
“Van twee tot twee. De meest productieve periode is van 16.00 uur tot 18.00 uur. En van 22.00 uur tot 02.00 uur. Het is een ritme wat ik al mijn hele leven handhaaf. Ik heb het voordeel dat ik zonder al te veel slaap kan. Na twee uur stap ik de huiskamer in, ga ik de krant lezen en daarna naar bed. Dus ik haal het wel met zes of zeven uur slaap.”

Moet je lang hebben geleefd om een goede biografie te kunnen schrijven?
“Ik denk dat vooral levenservaring belangrijk is. Ik weet wat verdriet, afscheid nemen en een gebroken hart is. Ik weet wat ziekteverschijnselen en depressie zijn. Soms aan den lijve ondervonden en soms bij vrienden gezien. Je moet weten hoe dat voelt. Ik kan niet van een 20-jarige jongen verwachten dat hij dat alles al eens heeft ervaren. Hoe oud was ik toen ik aan Achterberg begon? Dat boek verscheen in 1984, toen was ik 43. Ik denk dat ik toen wel ver genoeg was.”

In hoeverre leeft u zich in uw onderwerp in?
“Ik treed in de voetsporen van mijn onderwerp. Dat is duur en tijdrovend. Dit najaar ben ik nog in Frankrijk geweest, bij een huis waar Lucebert woonde. Daar heb ik zelfs nog een ooggetuige kunnen spreken. Ik heb lange tijd vlakbij zijn huis in Spanje gewoond, om het klimaat te ervaren en hoe Spanjaarden omgaan met kunstenaars. Maar het gaat niet zover dat ik de ander word. Lucebert is slechts de man met wie ik wandel. Als ik ‘s nachts naar huis loop, neem ik weer afscheid van hem. Ik probeer me in ‘m te verplaatsen. Wat zou ik in zijn plaats gedaan hebben? Het maakt me een rijker mens. Slauerhoff, Achterberg, het zijn vrienden van me geworden. Of in ieder geval bekenden.”

Hazeu in Lagrasse voor het huis van Lucebert. Bron: Thera Coppens

U heeft nooit over vrouwen geschreven.
“Ja, en?”

Waarom niet?
“Noem eens een vrouw? Kijk, ik kies onderwerpen uit, waarvan ik denk dat die nog te verkopen zijn. Ik ga geen biografie schrijven over een derderangs schrijver, waarvan maar 100 exemplaren worden verkocht. Ik wil dat er op z’n minst 10.000 over de toonbank gaan. Ik kies uit de fine fleur, waartoe Anna Blaman behoorde. Zij was een lesbische schrijfster uit Rotterdam. Na Achterberg was ik van plan over haar te schrijven, maar iemand anders bleek er al mee bezig te zijn. Tja, dan houdt het op. En dan heb je nog Vasalis, maar die leefde op dat moment nog. En Hella Haasse stierf niet lang geleden, maar ook daar werkt al iemand aan. Ik ben niet tegen vrouwen, maar ze zijn simpelweg niet vrij voor mij.”

Denkt u dat u zich in een vrouw kunt verplaatsen?
“Ik denk dat ik dat wel kan. Het is blijkbaar ook zo dat vrouwelijke biografen zich kunnen verplaatsen in mannen. Er is tegenwoordig een hausse aan romanschrijfsters. Vroeger was dat niet, de oogst is gewoon mager. Op mijn website staat een verzameling foto’s van schrijversstandbeelden. Daar is amper een vrouwelijke schrijver tussen te vinden, simpelweg omdat er weinig beelden van vrouwen zijn gemaakt. Vooral mijn vrouw stoort zich eraan.”

Uw vrouw schrijft ook biografieën, werkt u weleens samen?
“Als het kan, doen Thera (Coppens, red.) en ik de locatiebezoeken samen. Verder worden er wel ontdekkingen uitgewisseld aan tafel, daar kunnen we beiden hoteldebotel van raken. We vervreemden niet van elkaar, hoewel onze onderwerpen erg verschillend zijn. We lezen elkaars werk niet voordat het klaar is. Als voormalig uitgever zit ik al snel met rood potlood te strepen, dat moet ik niet hebben. De afzonderlijke relaties met onze uitgevers zijn van groot belang en moeten niet verstoord worden. We nemen elkaars biografie mee op vakantie. En zelfs dan ben ik nog corrigerend bezig.”

Zijn er onderwerpen die u schuwt?
“Ik heb geen enkel taboe, dat weten ook de nabestaanden. Ik behoud mijn respect voor de kunstenaar, maar ik ga niets verzwijgen. Zelfcensuur is het ergste wat een biograaf zichzelf kan aandoen. Je kunt beter je onderwerp verraden dan jezelf. Desondanks heb ik het weleens toegepast, bij Achterberg. Zijn weduwe leefde nog, zij was fout geweest in de oorlog. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen dat op te schrijven. Toen ik zoals afgesproken bij haar kwam met het manuscript, vroeg ze meteen naar wat ik over de oorlog had geschreven. Ik had het goed aangevoeld: daar zat haar knelpunt. De rest van het boek heeft ze niet gelezen.”

En hoe gaat u als biograaf om met seksualiteit, pedofilie en andere taboes?
“Daar zit je als biograaf enorm mee. Jan van der Vegt heeft moeten schrijven dat Hendrik de Vries pedofiel was. Dat is geen prettige mededeling. Vervolgens moet je uit de doeken doen hoe iemand pedofiel is. Niet elke pedofiel gaat namelijk met een kind naar bed. Ik vind dat nogal veroordelend. En wat als iemand fout in de oorlog is geweest, je moet het wel beschrijven. Ik heb dergelijke dingen recent nog meegemaakt met Lucebert. Hij heeft me in die zin wel pijn gedaan, maar daar kan ik nog niet over praten, ik wil het niet weggeven. Ik ben er niet op uit om te choqueren, maar ik mag dingen ook niet verzwijgen.”

U noemde seks in de biografie ooit ‘vulgair populisme’.
“Ja, ik ben aangevallen toen ik weigerde over seks te schrijven voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Om eerlijk te zijn, ik weet absoluut niet hoe Lucebert de liefde bedreef.  Het interesseert me ook niet. Iedereen moet maar weten hoe hij met een ander naar bed gaat en of hij wel of niet masturbeert. Van Deyssel beschrijft in zijn dagboek inderdaad een levendig seksleven. Maar mij is nooit iets merkwaardigs opgevallen bij mijn eigen onderwerpen. Ik zou er niets over weten en ik kan het Lucebert niet meer vragen. Gerelateerde vragen kunnen overigens best van belang zijn. Zo kan een schrijver samenleven met een vrouw, maar ondertussen homoseksueel zijn. Hoe voelt zo’n vrouw zich? En wat voor invloed heeft zo’n relatie op het werk van de schrijver. Het is nogal verknipt, als je niet voor je homoseksualiteit mag uitkomen. Maar het mag in de biografie natuurlijk wel aan de orde komen.”

Zou u het schrijven van een biografie afraden?
“Ik zou het niet afraden, iemand moet zoiets zelf weten. Ik zou me van een dergelijk advies niets hebben aangetrokken, ik deed het gewoon. Ik werk zes dagen per week aan zo’n boek en gelukkig heb ik een vrouw die hetzelfde doet. Maar aan wie een biografie wil schrijven, vraag ik het volgende: ‘Kan je schrijven, ben je gedisciplineerd, wil je een deel van je privéleven opgeven – want het kost gigantisch veel tijd – en kan je ermee leven dat je er absoluut niet van kan leven.’”

Lucebert: de biografie van Wim Hazeu verschijnt op 8 februari 2018.

HP/De Tijd in gesprek met biografen

We spreken over hun liefde voor het genre, ethische overwegingen en lichten alvast een tipje van de sluier op over hun te verschijnen biografieën. Eerder spraken we met Marita Mathijsen en Maaike Meijer

Foto: Thera Coppens