Maaike Meijer: ‘Ik wachtte tijdens het schrijven op een stem uit hemel’

Maaike Meijer (68) is emeritus-hoogleraar genderstudies aan de Universiteit van Maastricht en schreef de veelgeprezen biografie M. Vasalis, over het leven en werk van een van Nederlands bekendste dichteressen. Nu waagt zij zich aan het levensverhaal van dichteres, schrijfster en tekenares F. Harmsen van Beek. “Die mythe rond Frederike vind ik heel kwalijk. Zij is kapotgemaakt door de media.”

“Garnwerd, daar zou je eigenlijk eens naartoe moeten gaan,” oppert Maaike Meijer. Zij verricht hier veldwerk voor haar biografie over F. Harmsen van Beek. “Het is een authentiek Gronings dorpje met van die smalle straatjes en lage arbeidershuisjes. Het helpt mij om een voorstelling te maken van hoe Harmsen van Beek daar leefde. Voor de biografie van M. Vasalis had ik dat minder nodig. Haar huis in Roden is verbouwd, het kon mijn beeld alleen maar vertroebelen. Hetzelfde geldt voor Jagtlust, het landhuis waar Frederike zeventien jaar woonde. Het is volledig gerenoveerd. Ik heb slechts de buitenkant bewonderd.”

U heeft contact gehad met Harmsen van Beek voor uw biografie over Vasalis. 
“Ja, ik heb haar gesproken over de vriendschap die ze met Vasalis onderhield. Toen Frederike in 1973 in Garnwerd ging wonen, belde Vasalis haar op. Ze zei: zullen we elkaar eens ontmoeten? Daaruit ontstond een prachtige vriendschap die tot de dood van Vasalis in 1998 zou duren. Door inzage in het archief van Frederike kan ik die vriendschap nu vanuit haar kant belichten. Ik krijg een indruk van de manier waarop Vasalis met haar omging. In de brieven lees ik hoe voorzichtig ze is. Zij wist: ‘Fritzi’ is iemand die je niet te veel moet storen, niet moet opschrikken en bij haar niet de deur moet platlopen. Je leest hoe fijnzinnig en fijngevoelig Vasalis haar aftast. De vriendschap moest voor Frederike niet als een verplichting voelen.”

Kreeg u tijdens deze eerste biografie het idee om over Harmsen van Beek te schrijven?
“Nee, dat kwam pas later. Voor Vasalis heb ik me min of meer zelf aangemeld. Van uitgeverij Van Oorschot hoorde ik dat de erven een biograaf zochten. En ik wist dat er nog een heleboel ongepubliceerd werk van Vasalis moest zijn. Ik dacht: als ik de klus aanneem mag ik al dat werk zien! Voor Harmsen van Beek ben ik gevraagd. Ik ben er min of meer ingerold. Ik had het trouwens nooit zo op biografieën.”

U hield er niet van?
“Je loopt grote kans om in de bekende valkuil te trappen, dat het werk je kan terugleiden naar de persoon van de kunstenaar. Het literaire karakter van het werk ontgaat je op die manier. Inmiddels heb ik verdedigd, dat een goede schrijversbiografie vooral over het werk moet gaan. Het moet laten zien hoe de persoon dit werk kon vervaardigen. Het helpt soms om iemands achtergrond te kennen, maar uiteindelijk moet je ervan uitgaan dat ‘het kunstwerk’ zich niet laat verklaren uit het leven van de kunstenaar.”

Zijn de momenten waarop het kunstwerk wordt gemaakt dan niet belangrijk?
“Ja, heel belangrijk. Zo maakte de oorlog een grote indruk op Vasalis. Het zou inspiratie voor haar gedichten vormen. Maar hoe weet je welke onderdelen nou precies invloed hadden? In die oorlog zitten een miljoen feiten. Hoe interpreteert ze dat, wat heeft dat voor haar leven betekent en wat doet ze ermee? Vasalis wist dat zelf niet eens precies. Door haar dagboeken kon ik haar worsteling met die vraag volgen. Als biograaf moet je het niet beter willen weten dan de geschiedenis. Je moet die worsteling slechts aanschouwelijk maken.”

In 2010 sprak Maaike Meijer met Wim Brands over M. Vasalis.

In uw biografie M. Vasalis verschenen ongepubliceerde gedichten die volgens Vasalis zelf onaf waren.
“Een aantal waren gewoon erg mooi. Ik begreep best waarom ze een paar van die gedichten niet publiceerde. Ze was ontzettend perfectionistisch, een gedicht moest meteen goed zijn. Een foutje kon ze er daarna niet meer uithalen. Ik heb ze niet geciteerd als volledig gedicht, maar als illustratie van een werkproces. Ze schreef meerdere gedichten over het lijden van geesteszieken. Dat werk laat zien waar ze op dat moment mee bezig was, hoe ze dacht en hoe ze meeleefde. Ik zou me overigens faliekant tegen een nieuwe poëziebundel verzetten. Dat zou inderdaad in een context zijn die Vasalis zelf niet had gewild.”

Vasalis gaf tijdens haar leven nooit interviews en leefde buiten de schijnwerpers. Het is goed mogelijk dat ze geen biografie over haarzelf had gewild. Heeft u daarmee geworsteld?
“Vaak wachtte ik op een stem uit hemel, de stem van Vasalis, die zou zeggen: ‘Maaike Meijer, waar ben je mee bezig, ik wil dit helemaal niet!’ Later vond ik een radio-opname waarin zij over het genre (biografie, red.) spreekt. Een vraag was of ze schrijversbiografieën zinvol vond. Ze antwoordde dat zij dat meestal niet vond. Biografieën gaan vaak over ditjes en datjes van het leven, iemands uiterlijke omstandigheden, die vaak niets met het werk te maken hebben. Iedereen heeft immers een leven, schrijvers zijn daarin niet verschillend van anderen. Ik vond haar antwoord boeiend. Vasalis zei: ‘Eigenlijk moet je om een biografie te schrijven heel lang met iemand omgaan, met iemand reizen en weten welke dromen hij heeft.’ Dat zou zin hebben, want dan kom je bij de ware bron die haar werk heeft gevormd. Misschien ontdek je dan zelfs dingen die de schrijver niet over zichzelf weet.”

Bron: Nico Hofstra

Zijn er onderwerpen waar u bewust niet over hebt geschreven?
“Er staan dingen in de dagboeken van Vasalis over haar kinderen, dat is privé. Het voegt ook weinig toe. Vasalis was psychiater. Veel van haar patiëntendossiers heeft ze vernietigd, maar af en toe vond ik in die stapels papier toch een paar blaadjes over patiënten. De erven hadden liever niet dat die informatie in omloop gebracht werden. Hun moeder zou dat niet gewild hebben. Ik vond dat prima, ik wilde me graag houden aan Vasalis’ eigen ethiek. Alles wat iets zegt over Vasalis zelf heb ik gebruikt, dat was steeds mijn afweging. Ik wilde haar niet mooier of lelijker maken dan ze was. Ze kon heus weleens een fout grapje maken. Ik voelde niet de behoefte om een heilige van haar te maken. De ups en downs, de menselijke jaloezie, de vriendschap. Ik heb dat willen weergeven.”

Wat is de rode draad in uw nog te verschijnen biografie over F. Harmsen van Beek? 
“In mijn nieuwe boek ben ik op zoek naar de mythevorming rond Harmsen van Beek. Er zijn natuurlijk genoeg sensatiebeluste verhalen over haar. Het beeld van de dronken sloerie, de mannenverslindster, de excentrieke vrouw, de bohémienne, wat Annejet van der Zijl neerzet in haar populaire boek Jagtlust, hoop ik te weerleggen. Dat boek was meer het lekkere verhaal, dat iedereen wilde lezen. Mijn onderzoeksvraag is: Waarom wil iedereen dit sappige verhaal lezen, zelfs als dat over de rug van Frederike gaat?”

Het klinkt alsof u iets wil rechtzetten.
“Die beeldvorming over Harmsen van Beek vind ik heel kwalijk. Zij is kapotgemaakt door de media. Dat iedereen haar ‘Fritzi’ blijft noemen is onprofessioneel: dat is een privé-naam voor intimi, haar schrijversnaam luidt F. Harmsen van Beek, de formele voornaam is Frederike. Al dat ge-‘Fritzi’ maakt haar klein. Dat gebeurt overigens vaker met vrouwen. Harmsen van Beek vond het vreselijk toen dat boek van Annejet van der Zijl in 1998 verscheen. Ze was al lang angstig, maar na verschijning van het boek Jagtlust durfde ze de straat niet meer op. Ze kreeg een acute depressie en voelde zich door het slijk gehaald. Een normaal persoon zou een rechtszaak wegens smaad aanspannen. Dat durfde ze niet, uit angst dat ze alles erger zou maken.”

“Dan denk ik: God, wat kan een mens aanrichten bij iemand? Zeker bij iemand die zo kwetsbaar is. Iets rechtzetten is misschien wat overdreven, maar ik zie het wel als mijn missie om dichter bij de waarheid te komen. Ik wil dat sensationele beeld van Frederike ontmantelen. De jenever stond de heren in Jagtlust ongeveer tot de neusgaten, maar daar nam niemand aanstoot aan. Dat hoort nou eenmaal bij het beeld van het kunstenaarschap: drinken en vreemdgaan. Maar als vrouwen hetzelfde doen is het opeens een schande. Frederike had eveneens jongere minnaars. Haar omgeving keurde dat af, maar hoeveel veertigers zijn er niet met meisjes van twintig? Ik erger me aan die dubbele moraal. Die oneerlijkheid wil ik aantonen.”

Wat maakt het werken aan deze biografie lastig?
“Het werken eraan is vooral een kwestie van geduld en zitvlees. En bereid zijn om al je aannames steeds opnieuw te laten vallen. Elke nieuwe ontdekking kan een totaal andere draai aan het verhaal geven. Je moet kunnen leven met die onzekerheid. En je moet bescheiden zijn. Vaak kennen wij onszelf niet eens. Het valt af te raden om een karakter eenduidig vast te pinnen op iets. En dat brengt me bij allerlei vragen: Wat is de eigenlijke betekenis van een leven? Moet dat beginnen bij iemands geboorte en eindigen met de dood? Moet het chronologisch verteld worden? Of begin je met een beschrijving van het sterfbed? Er zijn zoveel manieren om iemands leven te beschrijven. En wat is de waarheid? Hoeveel verschillende versies van hetzelfde verhaal kun je schrijven. Waar ik nu over schrijf, al die mythevorming, het is een oerwoud aan verhalen waar ik lijn in moet zien te brengen.”

Welke verhalen maken het moeilijk om uit dat oerwoud te komen?
“Er zijn een aantal puntjes waar ik niet goed mee uit de voeten kan. Frederike is ooit verkracht door een man uit het dorp in de tijd van Jagtlust. Zij veegde dat meteen onder het tapijt, alsof het nooit gebeurd was. Ze heeft geen aangifte gedaan, maar het is wel een belangrijk verhaal. Het zegt namelijk veel over hoe men dacht over wat zich afspeelde in Jagtlust. ‘Die vrouwen lokken het zelf uit’, volgens de beeldvorming. Maar wat moet ik daarmee? Moet ik op de stoel van de rechter gaan zitten? En dan is er nog de plagiaatkwestie tussen haar en Charlotte Mutsaerts. Dan vraag ik me af of ik als biograaf een juridisch advies moet inwinnen over de vraag of dit plagiaat was, dan wel epigonisme. Het zit nog anders geloof ik, maar dat hou ik nog even voor me. Ze hadden beiden reden om een rechtszaak aan te spannen en dat hebben ze beiden niet gedaan. Ik heb er een nieuw idee over, maar of ik nu ook een juridisch blik op deze zaak moet werpen?”

U raadt af te oordelen over waarheid of leugens?
“Precies, een biografie zou zogenaamd altijd de waarheid moeten vertellen. Dat vind ik zo’n dooddoener. Nigel Hamilton hield er eens een lezing over tijdens een uitreiking van de Erik Hazelhof Roelofzema Prijs. Dat ging aldoor maar over ‘the truth’. Ik bedoel, natuurlijk moet je zo waarheidsgetrouw mogelijk zijn en trachten aperte leugens te ontmantelen. Maar ‘de waarheid’ bestaat niet. Dat streven staat uiteindelijk alleen maar in de weg. Over tien jaar kijken we heel anders tegen de dingen aan en zijn er hele nieuwe gezichtspunten.”

Denkt u dat mensen uw boek gaan lezen om de mythe rond Harmsen van Beek bevestigd te zien?
“Ach, je krijgt hoe dan ook een gewoon leven voorgeschoteld. Sommige mensen maken schilderijen of schrijven gedichten, dat werk overstijgt het leven. Het is inderdaad dit mirakel dat centraal moet staan in de biografie. Mensen lezen volgens mij biografieën als handleiding voor het leven. Want hoe doe je dat nou precies, leven? De grote opgave is om in het reine te komen met het leven totdat het voorbij is. Omgaan met de dood is het moeilijkste, want waar doen we het in godsnaam voor? Daarom zijn afgeronde levens van kunstenaars zo aantrekkelijk. Zij hebben het voor elkaar gekregen, zij hebben de moed nooit verloren, zij hebben iets moois kunnen maken. De vraag blijft, hoe hebben ze het overleefd?”

De biografie van Maaike Meijer over F. Harmsen van Beek verschijnt in het najaar van 2018.

HP/De Tijd in gesprek met biografen

HP/De Tijd in gesprek met biografen

We spreken over hun liefde voor het genre, ethische overwegingen en lichten alvast een tipje van de sluier op over hun te verschijnen biografieën. Vorige week spraken we met Marita Mathijsen over de negentiende eeuwse schrijver Jacob van Lennep.