Arthur van Amerongen: ‘Eva Jinek is zo opwindend en vernieuwend als een moot stokvis’

Dagelijks word ik overstelpt door haatpost. In het beste geval handgeschreven en ongefrankeerd bezorgd door de Portugese collega van Pietje Puk, in het slechtste geval digitaal en anoniem.

Het geestigst vind ik schuimbekkende reacties als: “Je hebt maar makkelijk lullen, vuile klootzak, in je riante villa Vischlugt aan de Atlantische Oceaan, in die heerlijke Algarve waar de koperen ploert 3800 uren per jaar genadeloos straalt en waar een flesje bier in de kroeg tachtig cent kost en een dagmenu inclusief een kruik wijn en een machtig toetje amper vijf eurootjes. Jij hebt geen enkel recht om over de afschuwelijke crisis van het Nederlandse Herrenvolk te schrijven, smerige biefstuksocialist.”

In de regel reageer ik dan met: “En nu kappen, pokdalige puistenkop, want anders verklap ik aan je mama dat je de hele dag op homo-erotische porno zit te fappen, daar op je Pro Patria-zolderkamertje in Spakenburg, en dat je knetterstoned bent van lachgas uit slagroomspuitbuspatronen omdat je zakgeld niet toereikend is voor een fatsoenlijk flesje amylnitriet – dat in de volksmond poppers wordt genoemd.”

Overigens vind ik het helemaal niet erg wanneer reaguurders onder de mantel van anonimiteit opereren. Mijn grote held en voorbeeld Kurt Tucholsky schreef onder de pseudoniemen Kaspar Hauser, Peter Panter, Theobald Tiger en Ignaz Wrobel.

Ikzelf ben te ijdel om onder een pseudoniem te schrijven.

Enfin, ik ben geen mietje zoals Pietje Pro Patria in het verre Spakenburg en het afgelopen weekeinde vloog ik daarom naar Nederland vanwege de Volkskrantcolumnistenmarathon. Die vond plaats in de Rode Hoed en dat is voor mij het walmende hol van de leeuw. De lezer mag best weten dat ik doodsbang was.

Kijk, dit wekelijks cursiefje voor de Haagsche Post is voor mij een thuiswedstrijd. Ik ken mijn pappenheimers, en het zijn zonder uitzondering hoogopgeleide knappe jonge deernen die in het weekeinde flyeren en folderen voor Thierry Baudet. En natuurlijk tel ik veel beeldschone knullen (type gendertwijfelaar) onder mijn aanhang. Ik ben een oom van vele neven en nichten, als het ware.

Toen ik in die bomvolle Rode Muts op het podium klauterde, vreesde ik even dat ik bekogeld zou worden met rotte tomaten en dat het 1000-koppige publiek zou scanderen: “Go home, toy boy van de alt-right! We want Bert Wagendorp!”

Maar ik stal de show met mijn wervelende optreden en na afloop was ik het getapte mannetje dat aanbeden werd als een popster! Diverse troisième âge-columnistes die te boek te staan als snoeiharde compromisloze feministes nodigden mij uit voor een logeerpartijtje in hun grachtenpandjes. “Dan stop ik je lekker in bad, Tuurtje, met een feestelijk glaasje prosecco en een toastje gerookte zalm!” “Nee, nee,” riep ik angstig, “ik heb een week geleden al gedoucht! Ik wil helemaal geen knabbeltjes, ik wil een nakkie!”

De namen van deze dames, waaronder Heleen Mees, zal ik openbaren in de rubriek Foute Jongens in de maarteditie van de papieren Haagsche Post.

Ik wil u mijn supergrappige Rodehoedcursiefje niet onthouden. Het heet bacalhau.

Ik voel mij vanmiddag een beetje als stand up comedian Lenny Bruce in de jaren zestig. Tijdens optredens zat de FBI klaar om hem te arresteren zodra hij shit, piss, fuck, cunt, cocksucker, motherfucker en tits zei.

In mijn columns schuw ik de schuttingtaal niet maar de vieze woordjes zijn altijd functioneel. Soms moet ik wel zwaar geschut inzetten om mijn machteloze woede over de totale zinloosheid van het bestaan uit te drukken.

En wat mijn obsessie met de stoelgang betreft: ik kom van de Veluwe. Daar praat men bij voorkeur tijdens de warme maaltijd over poep, als metafoor voor de vergankelijkheid.

Maarten Luther zei het al: de mens is slechts een arme, zondige zak vol maden.

Op mijn nachtkastje ligt echter geen bijbel maar Gerrit Komrij’s Kakafonie. De encyclopedie van de stront. Dat zijn herinnering tot een zegen mag zijn want op Gerrit’s advies verhuisde ik van Zuid-Amerika naar de Algarve.

Liever had ik hier woordeloos met mijn hondjes opgetreden maar die verafschuwen 020. Toch heb ik een beestje meegenomen. Op Valentijnsdag schenken Portugezen elkaar een moot bacalhau, als symbool van eeuwige trouw.

Romantisch als ik ben, overhandig ik deze stokvis daarom aan mijn geliefde hoofdredacteur. Hang hem boven je bureau, chef. Dan denk je altoos aan je nederige letterknecht in het rectum van Europa.

Mijn Portugese cadeautje voor meneer Philippe Remarque begon inmiddels te meuren als de hel, in die bloedhete zaal. Dat gaf mij de gelegenheid weer hele flauwe grapjes te maken, in het genre van de blinde man die langs de viskraam op de Albert Cuyp loopt hartje zomer en roept: goedemorgen dames. Enfin, hier de kiek waarop u mij ziet poseren met het beessie.

Eva Jinek
Beeld: ANP/Valerie Kuypers

Tijdens de nazit raakte ik verstrikt in een verwoede discussie over Eva Jinek. De jongere columnistes van de Volkskrant – ik noem geen namen – vonden haar een hedendaagse heldin, een moderne suffragette en de beeldschone ambassadrice van de Nederlandse Vereniging der Sociale Rechtvaardigheidsstrijders. Toen brak mijn klomp!

Ik had al een slokkie op natuurlijk en brulde: “En haar ex Brammetje Rolexowicz is zeker een altruïstische weldoener, een hedendaagse Franciscus van Assisi. Om over die vervelende, aanstellerige haaienpester nog maar te zwijgen. Zeg me wie je doet, en ik vertel je wie jij bent.”

Enfin, de discussie liep uit de hand toen ik zei dat ik Jinek net zo sexy vond als een bevroren cactus en als de dampende moot stokvis waar meneer Remarque beleefdheidshalve nog steeds mee rondliep.

Jinek had net weer een of andere NPO-WC-eendprijsje gewonnen omdat ze een jaar lang iedere dag president Trump van de Verenigde Staten de huid had volgescholden. Dat vonden de jonge columnistes van de Volkskrant reuze dapper van haar.

“Nou,” zei ik, “dat doet ze alleen maar om haar bizarre Frans Timmermans-Engels te kunnen laten horen. Showing off! En bovendien, die suffe vinexbankbintjes in Dronten-oost die onderuitgezakt naar haar showtje kijken zijn totaal niet geïnteresseerd in Trump, en al helemaal niet in Charles Groenhuijsen, het mislukte broertje van Peter R. de Vries. Die willen eigenlijk het liefst vieze liederlijke seks kijken op het internet maar dat mag niet van moeders de vrouw.”

Bon, het bleef nog lang onrustig in de Rode Muts, dat begrijpt u. Uiteindelijk was ik er in geslaagd de vijandige zaal plat te krijgen met mijn jongensachtige bravoure en mijn frisse looks. Dat ik dat nog mede mocht maken, op mijn oude dag! Als u toevallig eens in de Rode Hoed bent, moet u de lucht daar diep opsnuiven en dan denkt u aan mij. Ik sluit af met een muzikale hommage aan de bacalhau, die wij ook wel stokvis en klipvis noemen.